1812: Historische roman

Part 23

Chapter 233,675 wordsPublic domain

Rasinski had de vrouwen opgemerkt en wenkte haar een vriendelijken groet toe. Zijn gelaat gloeide van geestdrift, alle sporen van smart waren verdwenen; want met mannelijke zelfbeheersching wist zijn vaste geest de onstuimige opwellingen van het gevoel te beteugelen en in eigen boezem kracht tot eene vroolijke plichtsvervulling te vinden. Met een ongefronst voorhoofd wilde hij voor zijne manschappen verschijnen, opdat des aanvoerders opgeruimd vertrouwen ook aan hen moed en hoopvolle verwachting mocht inboezemen; hij wilde het, wilde het met vastheid, en derhalve was het hem mogelijk. De verschijning der vrouwen stoorde hem dus hoegenaamd niet in het geven zijner verordeningen; zonder een blik van zijne lieden af te wenden, zonder de geringste kleinigheid uit het oog te verliezen, wist hij zijne zuster toch herhaalde malen te kennen te geven, dat hare aanwezigheid en bemoedigende deelneming hem aangenaam was. Anders was het met Jaromir; deze liet zich door den aanblik der geliefde verstrooien en gaf zijnen makkers dikwijls aanleiding tot een moedwillig lachje, wanneer hij, de oogen naar het paleis gericht, onachtzaam door zijne eigen manschappen heenreed en ruiters en paarden daardoor in verwarring bracht. Boleslaw daarentegen had al zijne krachten bijeengeraapt en vestigde de nauwlettendste opmerkzaamheid op zijn dienst. Met doordringend oog monsterde hij man, paard, tuig, pakkage en wapening; slechts eens wierp hij, als tot een vluchtigen, heimelijken roof, een blik naar de vrouwelijke gestalten op het balkon.

Het regiment stond thans in de vrij breede straat tegenover het paleis in front opgemarcheerd. Alle vensters der huizen aan de overzijde waren met toeschouwers opgevuld. Menige traan glansde in schoone oogen of verborg zich achter den sluier, die naar oud-poolsch volksgebruik de meisjes bij hare openlijke verschijning van de gehuwde vrouwen onderscheidt.

„Richt u!” klonk Rasinski's donderstem, en als een pijl vloog hij naar den rechtervleugel, om met zijn valkenblik de linie te meten. Thans heerschte de ademlooze stilte van den dienst; elk oog was op den nevenman gericht, elk oor voor het commando geopend. „Sabel uit!” De klingen bliksemden. „Eerste colonne, voorwaarts! In colonne rechts zwenkt! Marsch!”—De frontlijn brak; de vroolijke krijgschmarsch der trompetten schalde; Rasinski plaatste zich aan de spits van zijn regiment en voerde het in statigen optocht de vensters van het paleis voorbij. Het balkon genaderd, groette hij met den degen en wierp tevens een warmen liefdeblik naar boven. De gravin wuifde met een witten zijden doek, dien zij achteloos om den hals had geknoopt. Naar de schoone oud-poolsche gewoonte, die aan de vrouwen vergunde, den uittrekkenden krijgsman openlijk een aandenken van hare hand mede te geven en zoo door de zachte, maar machtige aanblazing uit vrouwelijke borst den moed hooger te ontvlammen; naar die gewoonte, welke in vroegere tijden vooral door vorstinnen gehuldigd werd, liet zij den doek naar beneden fladderen. Rasinski ving dien met zijne sabelspits op en bond hem om den arm. Een luide kreet van toejuiching ging op. Dadelijk golfden doeken, strikken, linten, sluiers uit alle vensters naar beneden. Niet de zuster schonk den broeder, niet de bruid den verloofde, niet de gade den echtgenoot eene gedachtenis; neen, de Poolsche schonk die den Pool. Met de lansen, met de sabels vingen de krijgers de geschenken op. Eene beeldschoone vrouw, met rijke, donkere haarlokken, die tegenover het paleis aan een venster stond, scheurde haren sluier doormidden en liet beide helften neerdwarlen. Toevallig waren juist Lodewijk en Bernard de gelukkigen, die ze met hunne lanspunten opvingen. De laatste wierp vurige, vlammende blikken en, in overmoedige stoutheid, zelfs een warmen handkus naar boven; de schoone lachte betooverend vriendelijk. Lodewijk groette met weemoedigen ernst en dacht aan eene andere gestalte, die hij misschien voor altijd verloren had. Bernard riep in het fransch uit: „Ik ben geen Pool, maar bloed en leven heb ik voor Polen veil.” Zijn loon was eene roos, die zij van een in het venster staanden struik afbrak en hem toewierp. Behendig ving hij de bloem in het vallen op, stak haar aan zijne borst, groette nog eenmaal de bevallige geefster en sprong ijlings weder in het gelid.

Lodoiska was besluiteloos. Den sluier kon zij niet wegschenken, daar deze hare diepe droefheid voor de oogen der menigte verborgen hield. IJlings maakte zij een strik van haren boezem los en liet hem voor Jaromir neervallen. Maar de nijdige wind voerde het lichte geschenk weg, en Boleslaw was de gelukkige in wiens hand het geraakte. Hij drukte den ongehoopten schat aan zijne lippen en wierp het meisje een vurigen blik toe. Jaromir bemerkte zulks en vatte den argwaan op, dat het lint niet hem was toegedacht, schoon Lodoiska juist een tweede liet neerfladderen, dat door een gunstig windje gedragen, zich van zelf op zijn schouder neerliet. Ras ontvlammend in gramschap als in liefde, had hij even snel weder vergeven als hij vertoornd was, nam den strik, dankte de dierbare met wenk en blik, en hechtte, niet weinig trotsch op dien tooi, het liefdeteeken op zijne borst.

De trein sloeg thans de engere zijstraat in, waar Alisette woonde. Zij stond aan het raam en zag de ruiters voorbijtrekken. Alle officieren, die ze kende, knikte zij toe; zij zelve werd, als de bevallige zangeres, bijna door allen herkend en gegroet. Met fransche vlugheid en levendigheid wenkte zij nu vroolijk, dan treurig met hoofd en hand, en wanneer iemand dicht onder hare niet hooge vensters voorbijreed, riep zij hem ook wel een zoet, welluidend vaarwel toe. Vooral Bernard werd een buitengewoon vriendelijken groet toegeroepen, dien hij even zoo beantwoordde, hoewel niet zonder eenig inwendig gevoel van weemoed, dat hij thans van dit aanvallige wezen wellicht voor altijd scheiden moest. Zijne vroegere achterdocht zou thans geheel verdwenen zijn, wanneer hij niet, nog eenmaal omziende, bespeurd had hoe zij van kleur veranderde, toen Jaromir, die een rot achter hem reed, het venster naderde. Zij kreeg een krans van rozen en vergeet-mij-niet, dien zij tot hiertoe verborgen had, te voorschijn, wierp dien den jeugdig schoonen ruiter toe en zeide hem met woorden en blikken het roerendst vaarwel. Jaromir, dien èn beschaming èn vreugde de wangen verfde, hield de teugels aan, sprak eenige oogenblikken met het beminnelijke meisje en dankte haar in bijna teedere uitdrukkingen.

Hm! dacht Bernard en schudde bedenkelijk het hoofd, vooral toen hij bemerkte, dat Lodoiska, om de troepen nog verder na te zien, aan een venster der eetzaal was getreden en het voorval mede aanzag, zonder dat Jaromir haar bespeurde. Spoedig daarop maakte hij van eene oogenblikkelijke verwarring, waarin de gelederen door de enge ruimte der straat gebracht waren, gebruik om op Jaromir toe te rijden en hem half ernstig, half spotachtig in het oor te fluisteren: „Trouwelooze! Wat hebt gij gedaan? Dus aan die schoone, verleidelijke Phryne hebt gij den laatsten afscheidsgroet toegeworpen? Zij is de laatste aan wie gij hier blijft terugdenken?”

„Neen, waarlijk niet,” riep Jaromir, „nu en eeuwig behoort mijn hart aan Lodoiska. Maar Alisette was altijd zoo vriendelijk jegens mij!”

„Misschien te vriendelijk! Neem u in acht!” hernam Bernard.

Jaromir glimlachte. „Het heeft geen gevaar! Maar keer thans naar uw rot terug, want zoo dadelijk komen wij aan de brug van Praga, waarover wij in goede orde defileeren moeten.”

De voortgang werd nu gestremd, daar de spits op verschillende troepenafdeelingen stiet, die uit andere straten kwamen oprukken.

De overste Regnard vertoonde zich aan het hoofd zijner colonne. De marschorde was intusschen spoedig geregeld; Rasinski met zijne lichte cavalerie rukte vooraan, eene afdeeling dragonders volgde hem, Regnard met het voetvolk sloot achter deze aan, de artillerie eindelijk vormde de achterhoede. Het was een verheven schouwspel, toen de trein nu de brug bedekte, en de prachtige Weichselspiegel de glansrijke gestalten terugkaatste, die in afwisselende groepen over hem heentogen. Beide oevers waren door eene tallooze menigte omkranst; tot in de wijde verte klonk het vroolijk jubelen en juichen; de witte lansvanen glinsterden in den zonneschijn; het gekletter der wapenen, de hoefslag der paarden, het ratelend dreunen der kanonnen voltooiden de indrukwekkende verhevenheid van het grootsche tooneel.

VIERDE BOEK.

HOOFDSTUK I.

Op de goederen van den graaf van Dolgorow, niet ver van Smolensko aan den Dnieper gelegen, was alles in de grootste opschudding. Twee narichten, die de bewoners van het slot, alsmede de tot de heerlijkheid behoorende dorpen voor eenige uren ontvangen hadden, brachten eene algemeene, hoewel zeer tegenstrijdige ontroering te weeg. Het eene was verblijdend, want een vooruitgezonden jager meldde de aankomst van den graaf uit Petersburg. Hij had zich met zijne betrekkingen meer dan twee jaren buitenlands opgehouden; gedurende dien tijd hadden zijne lijfeigenen het wel streng, maar naar hunne begrippen rechtvaardig beheer dikwijls gemist. Zijne nabijzijnde terugkomst verwekte dus eene algemeene vreugde. Deze werd intusschen zeer getemperd door eene andere tijding, welke de rentmeester, die in de stad ter markt was geweest, vandaar had medegebracht. De vijand, heette het, was werkelijk in het rijk gevallen, de krijg had een aanvang genomen, en reeds trokken de russische legers, tegen de zegevierende wapenen van den franschen keizer niet bestand, op alle punten terug. Zooals gewoonlijk waren de geruchten uiterst overdreven. Men wilde reeds weten, dat vorst Bagration volkomen geslagen was; volgens anderer zeggen, moest generaal Barclay de Tolly den maarschalk Davoust bij Grodno ontmoet en na een bloedigen slag den terugtocht aangenomen hebben. De grootste ontsteltenis had zich dus van de landlieden meester gemaakt; want, van de afstanden onkundig, geloofden zij het verderf reeds nabij. Troepsgewijze schoolden zij voor de poorten van het slot samen en verlangden raad en uitkomst; de rentmeester had moeite hen tot bedaren te brengen, en dit gelukte hem slechts door de verzekering, dat de komst van den heer geen ander doel had, dan om in deze gevaarlijke omstandigheden voor de zijnen zorg te dragen. Intusschen heerschte er toch een bangen schrik onder de gemoederen, en de hoogbejaarde geestelijke van het dorp, Gregorius, had al de waardigheid van zijne bediening noodig, om de moedeloozen eenigszins op te beuren. „Vreest niet, mijne vrienden,” sprak de waardige priester, in het midden van den kring tredend; „Ruriks volk staat onder de bescherming des Hemelschen Vaders, van Moeder Maria en van alle heiligen. Denkt gij, dat zij de heilige altaren aan den roekeloozen vijand zullen prijsgeven? Nimmermeer, zeg ik u, zullen die vreemden den ouden stam der Russen onder het juk brengen! De heilige Iwan, wiens gouden kruis te Moskou op den koepel der hoofdkerk staat, is machtiger dan al die duizenden, die de vreemde veroveraar aanvoert. Ik zeg u, de stem des verderfs is het, die zij volgen, zij vlamt bloedig voor hen uit en lokt hen in een gewissen ondergang! Even als de scharen van koning Farao in de golven der zee omkwamen, zoo zullen ook de boosdoeners versmachten in onze duizendjarige bosschen, waaraan nog geen bijl geraakt heeft. De huilende wolf zal aan hunne beenderen knagen, de krassende raaf zal zich aan hun bloed zat drinken. Want met ons zijn de heerscharen der engelen, en ons beschermt de gebenedijde Moeder Gods. Daarom moogt gij niet bevreesd zijn, maar moet u wapenen, als kampvechters van den heiligen Iwan. Van de Niemen, die Ruriks rijk in het westen begrenst, tot aan de breede Wolga, tot aan het Uralgebergte, dat aan den uitersten rand van Europa ligt, zal de vijand geene plaats vinden, waar hij het hoofd veilig kan neerleggen. Gastvrij is de haard van den Rus, herbergzaam zijne hut, maar aansteken zult gij ze met het vuur van den eigen haard, eer zij tot schuilplaats dient aan den vijand, die gekomen is, om de graven onzer czaren in de heilige stad om te woelen en de altaren van onzen God omver te halen. Daarom moet gij niet vluchten, mijne kinderen, maar vechten. Wien de bijl van den man niet neerslaat, dien moog de vergiftigde maaltijd van de huisvrouw van de aarde verdelgen. Krijt niet, trekt u het grijze haar niet uit het hoofd en den baard. Ik zeg u, gij zult leven, gij en uwe kinderen, om gelukkige dagen te zien!”

Zoo sprak de vurige priester tot het verzamelde volk der Muskovieten, die hem met verbazing en eerbied aanhoorden; want reeds vijftig jaren woonde hij in hun midden als een getrouw zielverzorger, en reeds vierenzeventig malen had hij het ijs der rivieren door de lentezon zien losdooien.

Het slot lag op eene hoogte, van waar men de bochten van den Dnieper tot op verren afstand overzien konde. Deze kronkelde tusschen groene, steile heuvels door, langs welke de landstraat naar Smolensko heenliep; in het verschiet rezen de torens dier stad, door het avondrood verlicht, omhoog. Een der landlieden, die zijn scherp oog naar die zijde gericht hield, riep eensklaps: „Daar komt onze heer!”

Allen wendden de blikken in die richting en barstten in een luid gejuich los, toen zij drie wagens op de straat zagen naderen. Met vroolijk geschreeuw snelden zij den heuvel af, om de aankomenden te begroeten. Het was inderdaad de graaf Dolgorow met zijne gade en dochter Feodorowna: de beide vrouwen zaten in het eerste rijtuig; in het tweede bevond zich de graaf en naast hem een vreemde van een krijgshaftig voorkomen; in het derde volgden eenige bedienden. Zoodra hij de verzamelde landlieden gewaar werd, liet de graaf de wagens stilhouden en steeg uit. Met deemoed, de handen over de borst gekruist, groetten de vasallen hun gebieder en beijverden zich de zoom van zijn kleed te kussen. De vrouwen bogen en kromden zich met gelijke deemoedigheid voor de gravin. Feodorowna, eene rijzige gestalte, was de eenige die deze slaafsche eerbetuigingen niet duldde, maar vrouwen en meisjes, die haar naderden, vriendelijk de hand reikte. De graaf wees na eenige minuten de onstuimige genegenheidsblijken zijner onderhoorigen slechts in zoo verre met koelheid af, als zij hem lastig begonnen te worden. Intusschen spraken hij en zijne gemalin welwillend met de lieden en beklommen, tusschen hen doorgaande, den heuvel. Ook de geestelijke, wiens schreden de ouderdom vertraagde, was thans genaderd, drong door de menigte heen en begroette den graaf met eerbied, doch zonder kruipende gedweeheid. „Zie daar vader Gregoor, wees mij welkom,” sprak Dolgorow. „Ik was bijna bekommerd, dat ik u niet weder zou vinden, want bij mijn laatste afwezigheid reeds stondt gij aan den grenspaal des levens. Het verheugt mij, dat deze lentezon ook nog voor u is opgegaan.”

„Mijne krachten zijn nog onverzwakt,” hernam de priester; „schoon ik elken dag de roepstem verwacht, die mij voor den troon des Almachtigen daagt, kan ik toch, Zijner ontferming zij dank, nog op aarde de plichten vervullen, die Hij mij hier op de schouders heeft gelegd.”

Inmiddels trad Feodorowna nader. „Heil en zegen op uw hoofd, mijn vader! Hoe innig verheugt het mij, u nog zoo gezond en krachtig weder te zien.”

„De Moeder Gods zij met u en neme u in hare heilige bescherming,” sprak de grijsaard en klemde met zijne linkerhand die van Feodorowna vast, terwijl hij de rechter zegenend op haar hoofd leide. „Gij hebt u wel bevonden in de hoede van de engelen des Heeren, mijne dochter, en zijt schooner teruggekeerd, dan gij, als eene teedere spruit, van ons henen gingt. De heiligen hebben mijne beden verhoord, want dagelijks smeekte ik hen, u op uwe gangen te geleiden.”

„O, voorzeker zijn uwe vrome beden verhoord, goede vader,” hervatte Feodorowna met merkbare aandoening, „want God was ons steeds nabij in gevaren en nood.” Zij scheen meer te willen zeggen, doch een ernstige blik des vaders, wien de vertrouwelijke toon tusschen zijne dochter en den priester blijkbaar onaangenaam was, deed haar afbreken en zwijgen. Op hetzelfde oogenblik trad de vreemde, een schoon, rijzig man in den bloei der jaren, op haar toe en bood haar den arm, om haar den steiler wordenden weg verder op te geleiden. De graaf wandelde inmiddels tusschen zijne vasallen voort en sprak nu dezen dan genen aan, om naar hunne huiselijke omstandigheden en hetgeen gedurende zijne afwezigheid voorgevallen was, onderzoek te doen. „Gij hebt uwe vrouw verloren, Isaäk,” zeide hij tot een reeds bejaarden landman. „Ja, genadige heer,” was het antwoord, „zij stierf in den verloopen winter, en sedert ontbreekt eene huishoudster in mijn hut.”

„Uw oudste zoon zal trouwen,” hervatte de graaf; „Wasiliews dochter kan zijne vrouw worden; ik zal dezer dagen voor de bruiloft zorgen.” De oude man boog zich nederig bij dit bevel; want dat was het woord van den heer.

De rentmeester vernam behoedzaam naar de krijgsgebeurtenissen.

„De vijand rukt tegen onze grenzen op,” hernam de graaf; „met man en macht dringt hij voorwaarts; ik ben hoofdzakelijk hier gekomen, om de vereischte maatregelen van voorzorg te nemen.”

„Ik hoorde heden morgen in Smolensko...” begon de oude met een geheimzinnig en tevens bedenkelijk gelaat.

„Denkelijk dezelfde oudewijvenpraat, die ook mij vervolgde,” viel de graaf hem barsch in de rede, zonder zich verder uit te laten.

De nieuwsgierige rentmeester beproefde nog eenmaal zijn geluk en vervolgde met een bedrukt gelaat: „Men was hier reeds zeer bezorgd...”

De graaf, niet gewoon, zich met zijne dienstbaren in gesprek in te laten, keerde hem zonder antwoord den rug toe en sprak den geestelijke aan: „Ik zal uwe hulp van noode hebben, Gregoor, om den moed mijner onderdanen staande te houden, vooral wanneer men hen door de uitstrooiing van ongerijmde sprookjes onnutte bezorgdheid verwekt.” De rentmeester verschool zich onder den hoop, weltevreden, dat zijne voorbarigheid niet strenger gestraft werd.

„Ik zal de harten des volks ontvlammen voor het geloof hunner vaderen, voor den ouden troon der czaren, voor het heiligdom des vaderlands,” antwoordde de grijsaard.

„Gij zult wèldoen,” hernam de graaf; „doch haat vermag meer dan liefde, en daarom zag ik liever, dat gij hunne zielen met onverzoenlijken wrok tegen de vijanden vervullen wildet. Schilder de Franschen af als roovers, slechts gekomen, om onze velden te verwoesten, onze dorpen en steden met vuur te vernielen, de kudden weg te voeren, vrouwen en dochters te onteeren en de mannen te vermoorden.”

„Mochten zij dit alles, mochten zij nog vreeselijker gruweldaden met ons voor hebben,” hervatte Gregoor, „mijn plicht als priester zou daarom nog vorderen, vergevensgezindheid en liefde jegens hen te prediken; maar zij komen als vijanden Gods, als omverwerpers onzer tempels, en dien gruwel moeten wij wreken; de andere goederen, de vergankelijke schatten des levens, mogen wij slechts verdedigen.”

Een diepe rimpel op des graven voorhoofd bewees, dat hij met dit antwoord niet tevreden was. Doch hij zweeg, wel bewust, dat hij eer eene steenrots dan Gregoors geloofsbelijdenis en godsdienstige meening aan het wankelen kon brengen.

Middelerwijl had men de slotpoort bereikt en de graaf trad zijne woonstede binnen, terwijl de landlieden buiten bleven. Slechts vader Gregoor volgde hem op zijn wenk de trappen op. „Wacht ons in de eetzaal, vrome vader,” sprak hij; „zoodra wij onze reiskleeding afgelegd hebben, zullen wij u daar opzoeken. Ik zelf zal binnen eenige minuten weer bij u zijn, om eene belangrijke aangelegenheid met u te bespreken.” Met deze woorden verdween hij; de vrouwen begaven zich eveneens naar hare vertrekken; de vreemdeling werd naar de voor hem bestemde kamer geleid.

Gregorius trad de zaal binnen, waar hij den graaf moest wachten. Sinds twee jaren had hij dit gedeelte van het slot niet betreden. Het vertrek was in een voorvaderlijken, zonderling gemengden stijl gebouwd. Vier hooge gothische boogvensters zagen naar de rivierzijde op het landschap uit, zoodat de gloeiende avondhemel zijn gulden weerschijn in de verwulfde hal wierp. De wanden waren met zuilen van zwart marmer versierd; in de tusschenruimten hingen de levensgroote, in ouderwetsche lijsten gevatte beeltenissen van het grafelijk geslacht. De vloer was van hout; even zoo de lambrizeeringen en paneelwerken, naar den trant der eeuw van Lodewijk XIV, met vergulde richels afgezet. Twee reusachtige kroonlichters hingen van het verwulfsel der zoldering naar beneden; ter weerszijden aan de wanden prijkten zware, dubbelarmige kandelaars. Het geheel getuigde van pracht en rijkdom, maar had tevens een somber, bijna huiveringwekkend aanzien, dat zich zelfs aan de landstreek en den hemel, voor zoover beiden zich in de gothische boogswijze vensterlijsten vertoonden, mededeelde en, schoon men zich eerst in Juni, de eigenlijke lentemaand dezer gewesten, bevond, daaraan een herfstachtigen, treurigen tint verleende.

Gregorius zette zich in een der breede leunstoelen neder en gaf aan zijne ernstige, sombere mijmeringen den vrijen loop. Vierenzeventig jaren heb ik geleefd, dacht hij, en mijn werken was vroom en vreedzaam; geen snood geweld bedreigde de heiligdommen, die aan mijne zorg waren toevertrouwd. En nu, in de late herfstdagen mijns levens, daar mijn pad reeds dicht aan den rand van het graf heenloopt, nu moet ik nog de palm des vredes met het zwaard der wraak verwisselen! Maar Gods wil geschiede. Hem is de frissche dauw, de zachte regen, de warme zonnestraal; Hem zijn ook de bliksems en donders van den verduisterden hemel. Hij zende zijne dienaren tot zegen of ter wrake uit, om de vromen te bemoedigen en liefderijk tot hem op te leiden of om de goddeloozen in den afgrond der hel, waaruit zij gekomen zijn, terug te slingeren: Gregorius zal zijn grijs hoofd gewillig buigen onder den last, dien de Vader hem oplegt.

Terwijl hij, in deze gedachten verdiept, zijn gelaat naar de ondergaande zon, het schoone beeld zijns aardschen levens, gewend had, waren de vleugeldeuren der zaal geopend en was graaf Dolgorow binnengetreden. Niettegenstaande zijn trotschen gang, niettegenstaande den heerschersblik, die onder het fiere voorhoofd vlamde, scheen toch zijn gansche wezen onder den knellenden last van kommer en bezwaren gebukt te gaan. „Ik heb ernstige dingen met u te verhandelen, vader Gregoor,” begon hij, driftig op den grijsaard toetredend en hem verhinderend van zijn zetel op te staan; „wij moeten van dit oogenblik, dat wij alleen kunnen zijn, gebruik maken.” Dit zeggende greep hij een stoel en nam tegenover den priester plaats.

„Het is een ernstige tijd,” hernam Gregoor en schudde bedenkelijk het eerwaardige hoofd.

„Eer wij over zaken handelen, die het land en ons allen betreffen, heb ik dingen met u te bespreken, die mij in het bijzonder aangaan. De vreemde heer, die mij verzelt, is de vorst Ochalskoi, overste in het keizerlijk leger. Ik wil mijne dochter Feodorowna aan hem uithuwelijken, maar zij zoekt uitvluchten en tracht zich door het kinderachtig besluit van in een klooster te gaan aan mijne vaderlijke bevelen te onttrekken. Gij Gregoor, hebt den meesten invloed op haar hart; van u verwacht ik dus, dat gij haar tot gehoorzaamheid bewegen zult.”