1812: Historische roman

Part 21

Chapter 213,750 wordsPublic domain

De invallende ouverture brak het gesprek af; Lodewijk werd aan den eersten toon gewaar, dat het geen andere opera dan _die Schweizerfamilie_ was, die men hooren zoude. Hij glimlachte wel een weinig over de sterke geestdrift, waarmede de overste van het werk gesproken had, maar begreep toch, dat Alisette als Emmeline, die op het biljet den herdersnaam Dorina bekomen had, eene zeer bevallige verschijning moest zijn. En dat was inderdaad zoo. De eerste inleidende tooneelen, trouwens ook niet dan zeer middelmatig voorgesteld, liepen af zonder bijzonderen indruk te verwekken. Maar reeds het eerste optreden van Alisette maakte de belangstelling in de hoogste mate gaande. Zij had het karakter zeer eigenaardig opgevat en uit de beperkte vormen en verven van den zwitserschen volksaard in een half denkbeeldig gebied overgedragen, zonder daarom zijne kenschetsende eigendommelijkheid geheel uit het oog te verliezen. In hare kleeding had zij wel is waar eenige aanduidingen van de zwitsersche volksdracht behouden, maar toch hier en daar eene smaakvolle wijziging aangebracht. Het haar droeg zij in vrije lokken, slechts met eenige linten saamgebonden, waarvan een van eene donkere kleur, het heldere, blanke voorhoofd begrensde; hals, boezem en nek waren niet zoo zorgvuldig bedekt als in de werkelijke landdracht, schoon zij het sierlijke, zwarte keurslijfje behouden had. Het kleed daarentegen hing, welvoegelijker dan gewoonlijk, tot ver over de enkels neer; ook was het niet zoo bolvormig, eirond opgevuld, maar deed de gestalte zeer voordeelig uitkomen. Met groote behendigheid wist zij den kleinen voet, die, met sneeuwwitte kousen bekleed en in een eng schoeisel besloten, de sierlijkheid zelve was, te doen opmerken, waardoor haar gang, haar stand en hare bewegingen iets zeer bevalligs erlangden. Zij geleek half een zwitsersch landmeisje, half eene herderin, zooals de idylle ze ons vertoont, en had op deze wijze de vorderingen van het eigenaardige volkskarakter zeer gelukkig met die der volmakende kunst in overeenstemming gebracht. Toen de eerste klanken harer liefelijke stem in zijn oor drongen, kon Lodewijk zich niet genoeg verwonderen, dat dit schijnbaar zoo teeder orgaan in staat was, de gansche ruimte der inderdaad niet kleine zaal in zulk eene mate met welluidende tonen te vervullen. Van het zachtste aanademen der tonen tot het zoete, zielvolle aanzwellen, was de klank in zijne zilveren helderheid overal te vernemen; men ontwaarde nergens eenige leemte, maar van de zachtste tot de hevigste uitdrukking van den hartstocht vond de betooverende kunstenares immer de juiste maat. Daar zij bovendien het gansche lichaam in al zijne bewegingen, tot zelfs het fijnste spel der gebaren en blikken, met de ziel harer tonen vervulde, moest het bekoorlijke beeld, dat zij voorstelde, wel aller harten onweerstaanbaar boeien. Reeds bij het eerste bedrijf versmolt Lodoiska in tranen. Bij de woorden: „Wie hoorde me immer klachten uiten!” waarin Alisette als ware het den doodsangst der overstelpende vreugde uitdrukte, terwijl haar oog toch een zoo onbeschrijfelijk smartelijken blik ten hemel sloeg, dat men gevoelde, hoe haar hart dreigde te breken onder den last van het overmatig geluk—bij deze woorden bracht het geschokte meisje de hand onwillekeurig aan het hart, als wilde zij het daardoor tot bedaren brengen. Terwijl twee groote tranen in hare oogen opwelden slaakte hare borst een zachten, half gesmoorden zucht; zij was zoozeer door innig mededoogen getroffen, dat zij de smart, welke Alisette zoo bedriegelijk voorstelde, bijna zelf gevoelde. Of was het eene voorzeggende stem, die zich half verstaanbaar in hare borst liet vernemen? Was het een duister voorgevoel, levendig geworden door de nabijheid van haar, die een verderfelijken invloed op het gesternte van haar leven dreigde uit te oefenen? Zag zij reeds den zwarten kop der adder, die zich nu nog onder geurige rozen schuil hield?

Jaromir, wiens frisch, levendig gemoed door elken indruk ras geboeid werd, was geheel oog en oor. Als eene betooverende Armida wist Alisette zijn hart te leiden; Bernard meende inderdaad te bespeuren, dat zij spel en blikken, gelijk reeds op den eersten avond, dikwijls uitsluitend tot den schoonen jongeling richtte. Doch ook hij zelf, wiens vrije blik anders zoo zelden beperkt werd, was thans door de kunst van het meisje te zeer betooverd, om zijne waarnemingen met de vereischte koele bedaardheid te kunnen voortzetten. En dit scheen bij alle verzamelde toeschouwers en hoorders het geval; door den wenk van haar oog beheerschte Alisette elke borst; onweerstaanbaar sleepte zij het hart uit den diepsten afgrond der smarten tot het toppunt der vreugde met zich voort en deed het even snel weder dalen als rijzen.

Na het eindigen van het bedrijf verliet Regnard de loge; Bernard, die hem met argusoogen bewaakte, zag dat hij naar het tooneel ging. Hij werd meer en meer overtuigd, dat tusschen Alisette en den overste eene zeer nauwe betrekking moest bestaan, doch even stellig hield hij zich ook verzekerd, dat het hart van het meisje daarin weinig deel had.

Jaromir wendde zich tot Lodoiska en vroeg: „Is dat niet onbeschrijfelijk schoon?”

„Maar ook onbeschrijfelijk beangstigend,” antwoordde deze en haalde diep adem.

Lodewijk, de eenige die de opera kende, en geoefend kunstgevoel genoeg bezat, om de welsprekende voorstelling niet met de wezenlijke waarde van het werk te verwisselen, uitte zich daarover veeleer als beoordeelaar dan wel als bewonderaar. De gravin, door hare jaren reeds boven de macht van onmiddellijke gemoedsindrukken verheven, luisterde met belangstelling naar zijne opmerkingen; ook Lodoiska liet zich gaarne uit hare onrustige, gejaagde stemming in die van een kalmer genieten overbrengen en was niet verstoord, dat Lodewijk haar door zijne bezadigde oordeelvellingen menige begoocheling aangaande de schoonheid van het kunstwerk ontroofde. Slechts Jaromir wilde niet gelooven, dat in hetgeen zijn jeugdig hart zoo diep getroffen had, iets gebrekkigs, iets minder schoons zoude te vinden zijn. Hij was tot hiertoe zoo ver van alle kunst verwijderd geweest, had zoolang met de ruwste bouwstoffen des uiterlijken levens te worstelen gehad, dat deze eerste stralen en klanken uit eene hem nog onbekende schoonere wereld hem natuurlijk als iets onovertrefbaars moesten voorkomen.

Het tweede bedrijf begon, en reeds de eerste tooneelen daarvan bewezen den onervarene, dat hij nog op verre na niet aan de grenzen van het bereikbare gestaan had; want gestadig nam de belangrijkheid toe, en toen eindelijk de laatste ontknooping van het werk daar was, met hare diep weemoedige vreugde, met haar weenenden jubel, toen dreigden de jonge, minnende harten onder den overstelpenden vloed van hartstochtelijke gewaarwordingen te bezwijken. Alisette was echter ook zoo schoon, zoo roerend, zoo verheven in hare vreugde, dat zij zelfs voor den met bewustzijn genietenden Lodewijk het kunstwerk uit de lagere kringen, waarin het op zwakke, matte vleugels omzweeft, in eene hoogere meer zuivere sfeer overbracht, waar het zich op vrije vlerken in den zonneglans wiegen kon.

Lodoiska was tot in het diepste der ziel getroffen, maar niet gelukkig; duister rees het beklemmend gevoel in haar op, dat zij niet vermogend was zich met deze machtige tooveres, die haar zelve zoo tegen wil en dank medesleepte, te meten. Hoe zou zij den geliefde boeien, wanneer gene hare verleidelijke netten uitspande, hare zoetlokkende stem klinken liet en de zachte, blanke armen naar hem uitstrekte? Zij dacht dit alles wel niet dadelijk, maar het drukkend gevoel van armoede en zwakheid, dat edele zielen zoo licht bekruipt, daar zij hare eigene hooge waarde miskennen, doordrong hare borst. Wie ben ik, dacht zij, om met mijne liefde het hart des vriends te vervullen in eene wereld, die zoo oneindig veel schooners aanbiedt?—Het schuldelooze meisje besefte niet, dat een rein hart de schoonste diamant is, die het eigen leven en dat des vreemden versieren kan. Slechts de verblinde gaat dit kleinood achteloos voorbij, slechts de waanzinnige werpt het roekeloos van zich. Doch hoevelen legt een nijdige genius een zwarten blinddoek voor de oogen, zoodat zij in eeuwig duister door het leven ronddwalen en het geluk niet vinden, wanneer het de open armen naar hen uitstrekt!

HOOFDSTUK VIII.

De gravin en Lodoiska reden in gezelschap van den overste naar huis, de drie jongelieden volgden te voet en kwamen dus iets later aan het paleis. Toen zij de breede marmeren trappen opvlogen, kwam de gravin hun met een geheimzinnig, maar zeer tevreden lachje te gemoet. „Niet naar de eetzaal,” sprak zij, „volgt mij nog eerst in het spreekvertrek, want de tafel is nog niet behoorlijk gedekt.” Gewillig volgden haar de vrienden en vonden niemand dan den overste. „Lodoiska verkleedt zich,” vervolgde de gastvrouw, „en wij zullen ook nog eenig geduld moeten hebben, daar de lieve Alisette beloofd heeft van het gezelschap te zijn.” De vrienden zaten in een vertrouwelijk gesprek met den rug naar de deur gewend, toen Jaromir eensklaps twee handen voor zijne oogen voelde, om hem te laten raden, wie de onbekende was; doch daartoe bleef hem de tijd niet, want eer hij nog gissen kon, waren Lodewijk en Bernard reeds met den luiden vreugdekreet: „Graaf Rasinski!” van hunne stoelen opgesprongen. Boleslaw was het, die Jaromirs oogen bedekt hield. Deze sprong op en omarmde den vriend en krijgsmakker met onstuimige heftigheid: Rasinski begroette hem met hetzelfde vuur. „Hoe is 't u gegaan? Zijt gij gezond en wel?” klonken de hartelijke vragen verward dooreen, zonder dat het antwoord afgewacht werd, daar men elkander frisch en bloeiend voor zich zag. „Duizend groeten van de uwen,” waren de eerste woorden, welke Rasinski na de eerste luidruchtige verwelkoming tot Lodewijk richtte; „mijne afreis kwam zoo overhaast op, dat er geen tijd was mij wijdloopige brieven mede te geven; intusschen heb ik toch eenige regels voor u, en met den volgenden postdag meer.”

De groet van de zijnen, dit eerste aanknoopingspunt met een gelukkig verleden, moest Lodewijk in eene weemoedige stemming brengen. Maar met dien weemoed doordrong hem tevens het vertroostend gevoel, dat er op verren afstand nog lieve wezens waren, die het donker pad zijns levens met bezorgde deelneming volgden, welker hartelijke wenschen en gebeden hem als wakende beschermengelen omzweefden. Hij dankte dus den overbrenger der zoete boodschap met een innigen handdruk en verzocht, het voor hem bestemde te mogen ontvangen.

Bernard, die steeds de omzichtigste was en zich niet licht door eenig gevoel zoozeer liet wegslepen, dat hij daardoor de bedaarde behoedzaamheid verloor, werd eensklaps door de gedachte verontrust, dat Rasinski hunne aangenomen namen nog niet kende en daardoor het gepleegde bedrog gemakkelijk verraden kon. Ongemerkt verliet hij dus het vertrek en zond een bediende naar binnen, om den graaf in de spreekkamer te roepen. Deze was zeer verwonderd en kon bezwaarlijk begrijpen, wie hem in eene plaats, waar hij zich eerst sinds een kwartier ophield, over dienstzaken kon te onderhouden hebben. Hij zond dus Boleslaw, aan wien Bernard de reden zijner bezorgdheid mededeelde. Als ware de zaak van de dringendste aangelegenheid, ging deze nu naar binnen en keerde met den graaf terug, waarop Bernard zijn verlangen nader uiteenzette.

„Voortreffelijk, mijn jonge vriend,” sprak Rasinski, „gij verraadt aanleg tot een partijganger en houdt oog en oor open. Dat zal mij een goed teeken zijn, graaf Lomond; gij kunt op bevordering aanspraak maken. Bovendien is het prijselijk, dat gij een graventitel hebt aangenomen, want hoezeer het woeste dobbelspel van den tijd oud en nieuw in den beker 't onderstboven heeft geschud, lood zinkt nog altijd naar den grond en olie drijft boven. Zoo zullen rang en rijkdom zelfs dan nog gelden, als het russische rijk in eene atheensche republiek en Madrid en Napels in een tweede Sparta herschapen zijn. Uit u, vriend, kan iets goeds worden, en Lodewijk mag willen of niet, bij zijn Soren moet hij een graaf of vrijheer voegen, al ware 't enkel om hem te gemakkelijker te kunnen betitelen.”

Zij traden het vertrek weder binnen.

„Nu, die dienstzaken moeten wel dringend zijn,” riep de gravin hun te gemoet, „daar zij u reeds in het eerste oogenblik uwer aankomst aan ons onttrekken.”

„Gij weet,” antwoordde Rasinski, „de soldaat is eenvoudig een rad van het groote werktuig, dat zich naar de beweging van het geheel moet regelen, zal dit niet gestremd of het weerspannige deel verpletterd worden. Intusschen is alles voor dezen avond vermoedelijk afgeloopen en kunnen wij ons onverdeeld aan u toewijden.” Hij zette zich onder deze woorden naast zijne zuster neder en nam vriendelijk hare hand. Zij beschouwde hem met eene zekere liefderijke bezorgdheid, als wilde zij onderzoeken, of hij nog de oude, beminde broeder ware. „Ik weet niet,” sprak zij na eenige oogenblikken, „maar gij schijnt mij een weinig verouderd, Stephanus; hier op het voorhoofd ontdek ik een rimpel, die, dunkt mij, naar droefgeestigheid zweemt. Waarlijk, broeder, uw voorhoofd is niet meer de heldere, onbewolkte hemel, wiens aanblik mij voorheen zoo vaak bemoedigde.”

„De ouderdom, Johanna, oefent zijne rechten op mij uit,” hernam hij met een glimlach, zonder dat zich echter de diepe ernst zijner trekken door een zoo licht hulsel van opgeruimdheid omsluieren liet.

„Het is geen trek van den ouderdom, hij is door zorg of kommer ingeprent. Deel der zuster de helft van uw last mede, anders draagt zij de dubbele zwaarte, zonder dat gij het verhinderen kunt; gij weet, elke onzekerheid vergroot gevaren en zorgen.”

Het gesprek werd tusschen beiden gevoerd, zonder de aandacht van het gezelschap tot zich te trekken; daarom herhaalde de gravin met meer aandrang hare bede om mededeeling, daar de broeder de eerste slechts door een ernstig zwijgen en peinzend hoofdschudden had beantwoord.

„Het vaderland,” zeide hij nu, „eischt buiten de gansche kracht van ons leven ook menig ander offer; wij brengen ze gewillig, maar beschuldigen zal men ons daarom toch niet, wanneer wij niet ongevoelig voor de smart zijn, die ons het verlies of het opgeven van zulke goederen veroorzaakt, die door de meesten als het hoogste geschat worden, ja niet zelden voor het doel van ons aanzijn gelden.”

De zuster zag hem medelijdend aan en reikte hem de hand; hij drukte ze zwijgend en blikte haar welwillend en dankbaar in het liefdevolle oog.

De opmerkzaamheid der overigen werd thans door een ander voorwerp in beslag genomen. Alisette trad binnen. Als eene lentegodin zweefde zij over den drempel van het vertrek en hield een vollen ruiker jonge rozen, waarvan er eene aan hare borst prijkte, in de hand. Vriendelijk groetend spoedde zij de heeren voorbij en trad op de gravin toe, die mijmerend en in gedachten verzonken, de verschijning dezer liefelijke Flora niet bemerkt had. Ook Rasinski ontdekte haar eerst, toen zij dicht vóór hem stond, en sprong beleefd op, om haar als eene vreemde te begroeten.

„Daar ben ik,” fluisterde zij, zich bevallig buigend; „maar mag het zwitsersch meisje wel in zulk een voornamen kring verschijnen?”

„Welkom, welkom,” hervatte de verraste vrouw des huizes; „en welk een keur van gaven brengt mijne schoone sirene mede!” riep zij, de geurige bloemen bemerkende; „in geheel mijn tuin is nog geen enkele knop te ontdekken, maar in uw hand bloeit reeds de rijkste rozengaard!”

„Het is eene beleefdheid, die ik, wien weet ik niet, te danken heb,” hernam Alisette. „Ik bevond mij nog in de kleedkamer, toen men aantikte. Constance, mijne kamenier, opende de deur op een reetje en vroeg, wie het was. In plaats van antwoord, reikte eene onbekende hand mij dezen heerlijken ruiker over. Het is eigenlijk wreed, niet waar? zoovele schoone rozen een rassen dood te wijden. Alle tuinen in Warschau moet de onbekende, verkwistende vriend geplunderd hebben, want zij zijn nog zeldzaam en op den kouden grond bloeien er nog geene.”

„Gelukkig zij, die tot eene zoo schoone bestemming geplukt zijn,” merkte Rasinski op. Eerst thans bemerkte Françoise hem en was verrast, een vreemde te zien. „Mijn broeder,” sprak de gravin en maakte dezen met haar bekend door dadelijk van het onbeschrijfelijk genot te verhalen, dat Alisette's kunst dezen avond allen bereid had. Het meisje scheen zeer gelukkig met een zoo vleiende getuigenis, maar weerde toch met bescheidenheid alle verdere lofspraken af. Vervolgens nam zij de rozen en riep: „Ik moet dankbaar zijn voor zooveel goedheid. Zooveel huldigingen, zooveel rozen! Hier, hier!” Tevens bood zij aan ieder met schertsende vriendelijkheid eene roos; Regnard echter bekwam er geen. „Gij hebt mij niet geprezen, u geef ik ook geen bloem; daarentegen zult gij er twee hebben,” wendde zij zich tot Jaromir en gaf hem de twee schoonste van den ganschen ruiker. Zonder zijn dank af te wachten, keerde zij met ledige handen tot de gravin terug, die haar met dreigend opgeheven vinger en met de woorden ontving: „Stoute verkwistster! zoo lichtzinnig verspilt gij de gaven van uwen vereerder? Als hij nu eens hier tegenwoordig was?” voegde zij er bij, een blik op Regnard werpende.

„O dat mag hij; hij zou slechts zien, dat zijn geschenk mij de grootste vreugde verschaft heeft, duizendmaal meer, dan wanneer ik het in een glas op mijne kaptafel zag verwelken. Om mij genoegen te doen, heeft hij het mij waarschijnlijk toch geschonken.”

Lodoiska was, stil als eene verschijning, in de zaal getreden en stond onverhoeds naast de gravin.

„Ach, daar zijt gij immers,” riep Alisette uit en trad op haar toe; „hoe, en gij zoudt geene roos hebben, die mij zoo welsprekend geprezen hebt? Of meent gij, dat ik uwe tranen niet bemerkt heb? Wanneer ik u aanzag, waande ik in een spiegel te zien, welks zuiver kristal mij de onverhulde waarheid toonde. Als mijne tonen u tot glimlachen of tot tranen bewogen, dan wist ik, dat zij waarlijk tot het hart drongen. En u zoude ik niet eenmaal eene roos ten dank geven! Maar hier is er immers nog eene,” riep zij verheugd en zag op die, welke in den gordel van haar kleed aan de zwoegende borst liefelijk bloeide. Zij nam ze en wilde haar aan Lodoiska's boezem steken, doch deze weerde de hand af en bleef vriendelijk maar dringend weigeren.

Het was inderdaad een bevallig schouwspel, dezen kleinen twist der beide schoone meisjes aan te zien. Alisette, in haar wit golvend gewaad een beeld der lente, der jeugdige Hebe; Lodoiska, in het donker zijden kleed, ernstig en tevens vriendelijk; Alisette's wangen en lippen met het gloeiendst purperrood overgoten, in haar blauw oog de vreugde zelve, het helder voorhoofd met lichtbruine haarlokken omgeven; Lodoiska aan de lelie gelijk, eene zachte doorschijnende rooskleur op de wangen, het oog ernstig, zachtzinnig, groot, het marmeren voorhoofd en de sneeuwwitte nek door rijk, zwart haar overschaduwd, vrouwelijk edel in gelaat en houding; Alisette haar met rustelooze levendigheid omzwevende, vleiende, overredende, smeekende.

Eindelijk gelukte het haar de roos in den gouden gordelband, die het kleed der wederstrevende omsloot, vast te hechten en de zachte bloem schemerde bevallig op den donkeren grond.

„Nu ben ik tevreden, nu ben ik gelukkig!” riep Françoise uit, toen zij van hare overwinning verzekerd was. „Nu eerst schijnt mij de roos schoon;—ik verdien haar waarlijk niet.”

Bij deze laatste woorden bespeurde Bernard een zweem van zwaarmoedigheid op de heldere gelaatstrekken van het meisje; het was alsof zij met spijt gevoelde, dat in dit gezegde eene bittere waarheid voor haar zelve lag opgesloten.

Zoude zij werkelijk eene schoone Magdalena zijn, voor wie de tijd der boete nog niet gekomen is? dacht hij bij zich zelf en besloot zijne navorschende waarnemingen voort te zetten. Toen de vleugeldeuren der eetzaal geopend werden, trad hij dus op haar toe en bood haar, als voor drie dagen, den arm. Zij nam dien vriendelijk aan en zeide: „Gij hebt geen woord gehouden, in vele opzichten niet. Gij woudt mij voor elk lied eene teekening schenken, mij uw schetsenboek laten zien, ja mij zelve schilderen! Maar gij hebt dat alles vergeten, mij zelfs niet eens bezocht, schoon wij toch buren zijn. Nu, ik moet wel dankbaar zijn, dat gij thans toch aan mij denken en mijn nabuur aan tafel wilt zijn.”

Bernard antwoordde op deze schertsende beschuldiging door eene vernieuwing zijner beloften; men zette zich neder en hij nam met genoegen aan de zijde der bekoorlijke zangeres plaats.

Boleslaw zat aan de eene, Jaromir aan de andere zijde van Lodoiska. Deels uit welwillende beleefdheid, deels ook wijl de gravin haar een wenk had gegeven, zich niet te verraden en voor het doordringend oog van Regnard en de fijne opmerkzaamheid van Alisette op hare hoede te zijn, richtte Lodoiska dikwijls het woord tot Boleslaw, met wien zij, als haar landsman en den, schoon minder vertrouwelijken vriend harer jeugd, in vele punten van aanraking stond.

Lodewijk bemerkte dat de ernstige jongeling warm werd, dat een zacht vuur uit zijne oogen straalde. Zou, dacht hij, de schoone burin hem ook gevaarlijk kunnen worden? Hij zag het met bezorgdheid, want zijn juist oordeel zeide hem, dat eene vlam in Boleslaws borst niet vluchtig kon opwakkeren en gebluscht worden. Vatte de vonk vuur, dan moest de gloed tot in het diepste binnenste en duurzaam voortbranden. Gaarne had hij hem gewaarschuwd; maar dit was niet mogelijk, en bovendien had hij aan Jaromir een onvoorwaardelijk stilzwijgen beloofd. Wat zoude het ook gebaat hebben? Wanneer Boleslaw in dit schoone wezen vond, wat zijne ernstig gestemde ziel geheel vervullen kon, wanneer de macht der liefde zich snel en goddelijk in hem openbaarde, zou dan het kennen der zachte banden, die den vriend reeds omstrikt hielden, dit veranderen? Neen, slechts met te grievender smarten ware de gloeiende pijl den ongelukkige in het hart gedrongen. Nu bleef het ten minste de vluchtig voorbijzwevende minuut eens schoonen drooms en het kortstondig geluk eener zoete, hoopvolle verwachting.

HOOFDSTUK IX.

De dagen van vreugde en gezellig verkeer werden door andere van ernst en strenge dienstvervulling gevolgd. Rasinski werd door bevelen van hooger hand genoopt, de vorming van zijn korps te bespoedigen; dagelijks oefende men zich dus te voet en te paard, er waren wachten te betrekken, de velddienst moest worden aangeleerd, kortom noch officieren noch soldaten hielden tijd over, om aan uitspanning of verstrooiing te denken. De keizer werd van den eenen dag tot den anderen te gemoet gezien, en Rasinski wilde dezen een ten minste eenigermate gevormd regiment voorstellen. De onderscheidene teedere en zachte betrekkingen werden dus door de strenge hand des levens bijna geheel verbroken. Wat Jaromirs vurigste wenschen betrof, Rasinski had wel is waar zijne voorloopige bewilliging gegeven, en de gelieven waren dus onuitsprekelijk gelukkig; maar tevens had hij het noodzakelijk geacht, een ouderen oom van Lodoiska te schrijven en ook diens toestemming te verzoeken. Zoo lang moesten de minnenden hun geluk geheim houden en op een afstand van elkander blijven, die den jongeling soms ondragelijk hard toescheen. Bernard en Lodewijk waren bijna altijd in dienst; nauwelijks kon de laatste tijd vinden, om een brief aan moeder en zuster, waarin hij haar voor de mondelinge tijding en het geschenk, hem door Rasinski overgebracht, dankte, te voleindigen. Dat ook Bernard onder deze omstandigheden noch aan het voortzetten zijner waarnemingen omtrent de verleidelijke Alisette, noch aan het schilderen van Lodoiska's beeltenis denken kon, is licht te begrijpen.