Part 20
Uit Lodoiska's oogen straalde het zuiverste geluk; de gravin heette Jaromir zoo vriendelijk welkom, dat deze over hare gezindheid geen den minsten twijfel meer behoefde te voeden. Bernard en Lodewijk beseften, dat eenige oogenblikken van ongestoord onderhoud voor Jaromir de hoogste waarde moesten hebben; zij verschaften hem die, door zich naar hunne kamers te begeven, nog eer hij hen daarom verzocht had. Tegen etenstijd kwam de gelukkige jongeling hen zelf roepen en vertelde in de volle vreugde van zijn hart: „Ook de gravin is mij gunstig en de moederlijke goedheid zelve; maar gestreng is zij ook, want zij heeft mij bevolen tot Rasinski's komst mijn hart te bedwingen, daar zij aan hem de beslissing wil overlaten. Dus nu geen woord, geen blik, lieve vrienden, waardoor onze liefde verraden kon worden. Ik heb Lodoiska beloofd, mij bedaard te houden, en wil mijn woord mannelijk gestand doen.”
„Braaf, fiks!” sprak Bernard ruw en barsch, naar hij gewoon was; „en wij willen uw voorbeeld volgen. Blijft gij standvastig, dan wil ik u ter belooning het beeld uwer bruid schilderen, of ten minste teekenen, als wij niet meer tijd hebben.”
Zoo traden zij de gezelschapszaal binnen; geen woord verried het geluk, maar het verwijlde toch in den stillen vredigen kring en lachte uit aller blikken.
HOOFDSTUK VI.
Zoo snelden eenige dagen vrij gelijkvormig voorbij. Alisette en Regnard, zelden anderen, waren de gasten, die den kring der familie, van welke Bernard en Lodewijk zich thans als leden begonnen te beschouwen, vergrootten. Regnard bracht steeds berichten aangaande de krijgsgebeurtenissen, het oprukken van troepen en soortgelijk nieuws mede en hield de kleine, vertrouwelijke vereeniging daardoor eenigermate met de buitenwereld in betrekking. Zijn scherpziend oog had Jaromirs neiging voor Lodoiska en de beantwoording van deze spoedig ontdekt, niettegenstaande het jonge paar ze zorgvuldig trachtte te verbergen; vandaar verdween de lichte vlaag van jaloerschheid, welke Alisette bij hem had doen oprijzen, weder geheel en al, en niets stoorde verder het vroolijk verkeer. De zangeres was sedert twee dagen weggebleven, daar de opera, die men den volgenden avond zoude geven, haar geheel bezig hield; de overste, die eene halve proefvoorstelling had bijgewoond, prees die zeer, maar had den titel vergeten. „Ik was recht verdrietig,” zeide hij, „dat ik niet tot het einde toe kon blijven, maar ik werd door een lastig voorval gestoord. Mijn adjudant meldde mij, dat men met zekerheid ontdekt heeft, dat een russisch generaal, die met geheime, staatkundige opdrachten in Frankrijk geweest en van daar ontvlucht is, zich in de stad verborgen houdt en het voornemen heeft, dezen nacht zijne vlucht voort te zetten. Daar mijn regiment juist de poortwachten heeft, moest ik weg om voor de verdubbeling der posten te zorgen.”
„En wie moet de vluchteling zijn?” vroeg de gravin.
„Dat weten wij niet,” hervatte Regnard. „Eenigen beweren de generaal Cz...., die inderdaad te Parijs in eene menigte verbintenissen gewikkeld is geweest, op last van Napoleon in hechtenis moest genomen worden, maar tijdig gewaarschuwd, Straatsburg achter den rug had, eer de telegraaf het bevel kon overbrengen. Het is bijna onmogelijk, dat hij zich zoo lang op vijandelijk grondgebied heeft schuil gehouden. Anderen willen weten, dat het de graaf Winzingerode is, een Duitscher in russischen dienst; dit luidt waarschijnlijker. Maar men noemt nog andere mannen, en bij slot van rekening weet niemand iets met zekerheid.”
De overste sprak nog, toen een ordonnans binnentrad en aan Jaromir een verzegelden brief overhandigde. „Waarachtig, in dezelfde zaak,” riep deze na gelezen te hebben; „ik krijg bevel, de wijk, waarin onze stallen liggen, en vooral de uitgangen naar den Weichsel met mijne lieden te bezetten.”
„Ja, ja, de zaak schijnt ernstig te worden behandeld,” merkte de overste aan. „Ik werd van het gezang der schoone Françoise verstoken, gij zult u de opoffering van uw maaltijd moeten getroosten! Dat zijn soldatenkansen!”
„Zij zijn te verdragen,” antwoordde Jaromir glimlachend; „slechts is het verdrietig, dat ik ook onze vrienden van hun avond en misschien wel van den nacht moet berooven; het ontbreekt mij nog aan welberaden mannen en ik moet toch, daar de dienst des daags zoo vermoeiend is, op ten minste drie aflossingen rekenen. Ik kan u dus niet verschoonen, lieve vrienden; gij zult heden uwe eerste wacht moeten betrekken!”
„Op staanden voet gekommandeerd!” riep Bernard vroolijk, „in 's hemels naam. Als het wild bij mij opspringt, zal ik het niet laten ontsnappen.”
Er was geen tijd te verliezen; men nam afscheid van de dames en den overste, gespte de sabels om en ging. Jaromir liet zijne trompetters verzameling blazen, bepaalde de uit te zetten posten, deelde zijne manschappen af en beval den afmarsch.
Bernard werd aan het verst verwijderd einde der gansche wijk geplaatst. De weg derwaarts liep door eene stille straat tusschen twee steile muren, waarvan de eene den tuin van een klooster begrensde. Een dwarssteegje doorsneed ze en voerde afwaarts naar den Weichsel. Tweehonderd schreden van dit punt stond de naaste schildwacht; verder op geene meer, wijl zich daar geene uitgangen naar den stroom bevonden. Jaromir zelf had de posten opgebracht.
„Gij staat hier tamelijk afgezonderd,” zeide hij, toen Bernard de sabel getrokken en zich in de houding gesteld had; „ik zou de post verdubbelen, wanneer ik meer volk had. Juist daarom gaf ik u deze plaats, wijl hier omzichtigheid noodig zal zijn; ook is het goed dat gij fransch spreekt, want onze Polen kunnen zich bezwaarlijk aan de vele fransche soldaten doen verstaan. Binnen twee uren zal Lodewijk u hier aflossen.”
„Mijnentwege laat mij den ganschen nacht hier,” hervatte Bernard; „het is zwoel en warm, vermoedelijk krijgen wij een verkwikkenden regen. En wat de eenzaamheid betreft, wees daarover niet bezorgd; ik weet mij den tijd te verdrijven en heb niemand noodig om mij wakker te houden.”
„Wanneer u iets bijzonders mocht ontmoeten, schiet dan uw pistool af en gij zult dadelijk hulp van den naasten post bekomen.”
„Wees onbezorgd; de schildwacht heeft geen tweeden voor zich zelf noodig; ik zal mij weten te redden.”
Jaromir ging, Bernard bleef alleen. De hemel werd dicht bewolkt; middernacht was nabij; een fijne warme stofregen vermeerderde de duisternis.
De gevelspitsen en torentjes van het oude klooster, welks omtrekken Bernard tot hiertoe als zwarte schaduwbeelden op den nachtelijken hemel had afgeteekend gezien, verloren zich thans in onmiskenbare vormen. Slechts een mat lamplicht schemerde uit eenige kleine vensters. Het was doodstil. Slechts nu en dan hoorde men in de verte een nachtegaal slaan en het zachte ruischen van den voorbijvlietenden stroom.
„Het is goed, dat ik een paar scherpe oogen heb,” mompelde Bernard, „want hier dient men ze waarachtig open te zetten, wil men iemand zien, die voorbijsluipt. Ik zal verstandig doen met mijne sabel van tijd tot tijd als een voelhoren vooruit te steken en, als bij 't blindeman, met uitgestrekte armen rond te tasten. Ha, nu wordt het helderder; zij hangen eene lantaarn uit daar boven in 't klooster; die komt mij goed te pas.”
Inderdaad werd in een der bovenste vensters eene lamp zichtbaar, waarmede iemand naar buiten scheen te lichten; het schijnsel bewoog zich eenige malen heen en weder, vervolgens verdween het.
„Nu is 't eerst recht duister geworden; dat verwenschte licht heeft mij geheel verblind. Wilde hier iemand ontsnappen, hij zou verstandig doen, eene londensche straatlantaarn onder den arm te nemen, de schildwacht daarmee eerst eens fiksch onder de oogen te lichten, ze hem vervolgens naar den kop te gooien en dan naar de maan te loopen! Maar halt! wat was dat?—Heeft het gebliksemd? Al weer!”
Een zeer mat, flikkerend schijnsel, als van een verwijderden bliksem verlichtte van de stroomzijde het dichte duister. De enge straat belemmerde het uitzicht daarop, doch eensklaps zag Bernard kleine vonken vliegen en ontdekte dat iemand op de rivier, naar het scheen na aan den oever, vuur sloeg.
Zijn vlugge geest bracht deze verschijning dadelijk met het licht in het klooster in verband. Zou men elkander hier seinen? dacht hij. Holla, vriend! de oogen in 't zeil! Het zou niet onaardig wezen, als het wild u eens in 't net liep.—Hm! dacht hij verder, ik wil 't niet hopen; mijn plicht vordert, dat ik den vluchteling aanhoud, en wellicht lever ik den Franschman dan een even onschuldig offer in handen, als Lodewijk of ik bijna geweest waren. Ik wou, dat hij een anderen uitweg nam uit zijn schuilhoek!
Eensklaps stond hij stil en luisterde. Hij hoorde zachte schreden; neen, het was geen bedrog. Het hoofd voorover gebogen, den adem inhoudende, gaf hij geen geluid. Ras, maar behoedzaam kwam het nader; eenige fluisterende en mompelende tonen lieten zich vernemen. Men naderde, Bernard hield den blanken sabel vaardig en riep in het poolsch: „Werda!”
Een oogenblik bleef het stil; vervolgens trad eene mannelijke gestalte met vaste schreden vooruit, eenige woorden mompelende, die Bernard niet verstond. Zij klonken bijna als een vrome groet.
„Ik spreek geen poolsch!” zeide hij in die taal, en gaf door eene beweging met zijn sabel te kennen, dat hij niemand mocht doorlaten.
„Dus fransch?” vroeg eene welluidende vrouwelijke stem.
„Desnoods; doch liever duitsch,” hernam Bernard in het fransch.
„Een duitsch soldaat,” riep dezelfde stem, als onwillekeurig, op den toon van blijde verrassing.
„Ja, een Duitscher,” hervatte Bernard; „en daar gij deze taal verstaat, zeg ik u hiermede, dat ik niemand mag doorlaten, die niet van een bewijs is voorzien, dat hij zich aan de hoofdwacht gemeld heeft en daar onverdacht is bevonden.”
„O mijn God!” hernam het vrouwelijke wezen met eene gesmoorde bevende stem: „wij hebben haast; deze vrome man moet eenen stervende, die aan de overzijde met den dood worstelt, den laatsten troost brengen; daarom hebben wij hem hier uit het klooster gehaald. Gij zult het heilige werk toch niet verhinderen?”
Eerst thans zag Bernard, dat de vreemde in monniksdracht gehuld scheen; achter hem stond nog eene vrouwelijke gedaante. Duidelijk liet zich in de diepe duisternis niets onderkennen.
„Ik mag van mijne bevelen niet afwijken; is alles waarheid wat gij zegt, ga dan tusschen de muren voort; na twee honderd passen stoot gij op den eersten post en vraagt dezen naar den officier. Hij is in het wachthuis, en zal u zeker door eenige mannen, die zich van de waarheid overtuigen kunnen, laten geleiden, zoodat gij uw vroom werk ongestoord verrichten kunt.”
„Twee honderd schreden van hier staat de naaste post?” vroeg de monnik thans met eene stem, die niet meer de vrome zalving van zoo even had.
„Tweehonderd.”
„Dat is tamelijk ver.”
„Ik kan 't niet veranderen.”
De vreemde scheen besluiteloos; er heerschte een gespannen stilzwijgen. Eensklaps vertoonde zich weder het helder lichtgeflonker in de richting van den stroom, maar ditmaal zeer in de nabijheid, en tevens kon men het slaan der roeiriemen duidelijk onderscheiden. Bernard werd onthutst en wendde het hoofd naar de rivier: een voorgevoel zeide hem, dat deze verschijning met die vóór hem in het nauwste verband stond. Maar niet zoodra was deze gedachte in zijne ziel opgerezen, of plotseling voelde hij zich door eene sterke vuist in den nek gegrepen en zag eene dolkspits tegen zijne borst flikkeren. De stoot trof, gleed echter op den breeden riem der sabelkoppel af en schramde slechts de huid. Door een koenen sprong rukte hij zich los, greep de vuist, waarin de aanvaller den dolk hield, met zijne linkerhand krachtig in het gewricht aan en deed met de rechter een forschen sabelhouw naar het hoofd van zijn onbekenden vijand. Deze week terug, ontdook den slag, maar gleed uit en viel op den grond; thans trok Bernard zijn pistool uit den gordel, zette haar den liggende op de borst en riep: „Gij zijt des doods, als gij u beweegt.”
Doch op hetzelfde oogenblik wierp de vrouwelijke gestalte zich aan zijne voeten, hief de armen biddende tot hem omhoog en riep met de uitdrukking van den doodelijksten angst:
„Erbarmen! Erbarmen! dood hem niet!”
Bernard was verbaasd; de stem drong tot het binnenste zijner ziel door. Hij was voornemens geweest, luide om hulp te roepen, doch de aanblik der smeekende, die zijne knie hield vastgekneld, bewees hem, dat hij hier geen gevaar meer te duchten had.
„Ik wil geen wraak nemen,” sprak hij vast en beraden, „maar mijn plicht vordert gestrengheid. Ik moet nu achterdocht voeden; gij zijt mijn gevangene.”
„Schiet mij slechts door de borst, jonkman,” sprak de nog ter aarde liggende somber; „uw gevangene te zijn, is mij onverdragelijker dan de dood.”
„O, mijn vader!” snikte het jonge meisje en greep zijne hand. „Neen, neen, niet sterven. Hij zal medelijden hebben! Ik wil voor u bidden!” Zij sprong op en wendde zich tot Bernard. „O, uwe spraak verraadt, dat gij tot de beschaafden behoort! Uw hart zal den angst der dochter beseffen. Wij zijn verloren, als gij ons niet laat ontvluchten. Wees grootmoedig, houdt ons niet terug. Ik zou u goud bieden, maar ik durf den man niet beleedigen, van wien ik eene edele daad vorder!”
Bernard was met zich zelf in tweestrijd. „Ik vermag niet—houd op! Elk uwer woorden verzwaart de hardheid van mijn plicht. Ik vermoed nu, wie ik voor mij heb!”
De onbekende had zich intusschen weder opgericht. „Gij zijt een Duitscher,” sprak hij; „wat u hier ook brengen mag, uwe eerste plichten behooren het vaderland. Ik betuig u, gij schendt ze niet door mij de vlucht te vergunnen.”
„Neen, bij den hemel hierboven, dat doet gij niet,” riep het jonge meisje en hief de hand als tot eene bezwering omhoog; „het is geen misdaad, waartoe u mijn smeeken verleiden zal. Nooit, nooit zal uw hart u eenig verwijt behoeven te doen.”
In de verte liet zich het kletteren van wapens vernemen; men scheen te komen. Bernard wendde zich verschrikt om.
„O hemel!” riep de biddende, „als gij nog eene minuut toeft, is het te laat! Hoor het smeeken der radelooze!”
Bernard werd door de hevigste twijfeling geslingerd. Zou hij den eersten plicht der eer, dien zijn stand hem oplegde, schenden? Zou hij wellicht den vriend, die hem hielp redden, in het verderf storten? En toch, zijn eigen noodlot, maar bovenal de hem onbeschrijfelijk diep in het hart dringende stem der smeekende overwon hem. „Vlucht dan,” sprak hij haastig en liet zijne gewapende hand zinken, „maar ik mag, ik wil niet zien waarheen! Weg! weg!”
„Dank, dank!” fluisterde de schoone gestalte hem met eene in tranen en vreugde smorende stem toe, greep zijne hand en wilde ze aan haar vochtig gelaat brengen. Bernard verhinderde dit: „Haast u,” zuchtte hij, „om Gods wil, men komt nader!”
Toen hij den warmen handdruk der dankbaarheid ontving, bestormde een smartelijk, zalig gevoel zijne borst. Vinden en verliezen in hetzelfde oogenblik! Zou deze wonderbare, groote minuut, die twee zielen in ééne heilige gewaarwording deed samensmelten, spoorloos verdwijnen, als een regendrop die in den oceaan valt? Neen, dat mocht zij niet! Een aandenken, een herkenningsteeken voor toekomstige dagen wilde Bernard ten minste behouden. Daarom trok hij haastig den lichten handschoen van de hand van het belangrijke wezen, om dezen te behouden. Doch terwijl zijne vingers over hare zachte, bevende hand heengleden, voelde hij eensklaps een ring aan de hare. De gedachte, dat deze een teeken kon zijn, waardoor zij zich aan een ander voor eeuwig verbonden had, drong hem ijskoud door de ziel. Alsof hij haar aan de macht van dezen zou ontrukken, wanneer hij het onderpand der trouw roofde, greep hij driftig naar den ring en vorderde dien haar af. „Ik weet niet, wie ik hier ontmoette, ik mag het niet weten,” riep hij omstuimig, terwijl hij de sidderende, die zich juist wilde losrukken, om den reeds naar den oever ijlenden vader in te halen, half vasthield, half geleidde; „laat mij daarom dit aandenken, waardoor we elkander in gelukkiger dagen kunnen wedervinden.”
Terwijl hij sprak, trachtte hij haar het kleinood reeds van den vinger te schuiven. Zij bood een oogenblik tegenstand. „Juist dezen ring, ach juist dezen!” zuchtte zij; doch Bernard, vreezende, dat zij zou uitspreken, wat hem in duister voorgevoel beangstigde, viel haar heftig in de rede:
„Juist dezen wil ik; voleind niet; juist dezen of niets!” Maar hij had den roof reeds bemachtigd en haar tevens zijn eigen ring met onstuimigheid aan den vinger gedrukt. „De uwe kan u niet dierbaarder zijn dan mij de mijne,” ging hij voort, „ik geef u veel, misschien alles, wat ik te hopen heb. Maar mijn geloof staat vast, dat ik hem eens zal inlossen.”
Zijne drift had elke weigering vruchteloos doen zijn, ook wanneer de plicht der dankbaarheid het der onbekende niet onmogelijk gemaakt had, haren redder thans zijne eenige bede, al eischte deze wat haar het dierbaarst was, af te slaan.
„Zoo neem hem dan,” fluisterde zij onder het voortsnellen, „maar ik moet hem terug hebben, wanneer de krijg niet meer elken zachteren band tusschen de menschen vaneen scheurt.—Leef dan gelukkig en zij de Algoede steeds met mijn redder!”
Bij deze laatste woorden begaf haar de stem; zij wilde hare hand zachtkens uit de zijne losmaken, doch hij hield haar vast en drukte er een gloeienden kus op. Eindelijk reet hij zich met een bloedend hart los en ijlde terug.
Nauwelijks had hij zijne standplaats bereikt, of hij hoorde, dat de boot van den oever stiet en met vlugge riemslagen de golven doorkliefde. Hij haalde ruimer adem. „Thans zijn zij gered; het was hoog tijd!” En waarlijk, de aflossing naderde; nog kon hij het ruischen der roeispanen in de verte vernemen, toen ze voor hem stond.
„Niets nieuws op uw post?” vroeg de onderofficier; het was Petrowski.
„Niets,” sprak Bernard met bedaardheid.
„Afgelost!”
Lodewijk nam thans de plaats van zijn vriend in; voor Bernard was de dienst van dezen nacht afgeloopen. Haastig snelde deze naar huis; onder het voortspoeden vatte hij het besluit op, om het gansche voorval in zijn hart te begraven en noch aan Lodewijk, noch aan Jaromir het geringste mede te deelen, ten einde hen, bij mogelijke ontdekking, niet misschien ook met de verantwoordelijkheid belast te zien. Hij bereikte zijne kamer; in allerijl ontstak hij eene waskaars, om den ring nauwkeuriger te bezien. „Duivel!” riep hij uit, toen hij dien tegen het licht hield. „Is dat een goochelspel van den satan, of ben ik krankzinnig geworden?” Hij had zijn eigen ring in de hand. „O dwaas, die ik ben!” riep hij uit en drukte zich de vuist gramstorig tegen het voorhoofd; „die plompe, botte vingers hebben de ringen verwisseld. De hersens kon ik mij inslaan en met Frans Moor uitroepen: „Dat was dom, dom!””
Driftig stapte hij op en neder. „Ha! ha! ha!—Nu moet ik waarachtig de geschiedenis voor geheel de wereld uitkraaien; ha, zij is te potsierlijk fraai, om verborgen te blijven, als zij niet tevens zoo venijnig boosaardig was! En als zij nu de dwaling bemerkt! In welk hemelsch daglicht van onnoozele belachelijkheid moet de slimme redder voor haar staan. Bernard! Bernard! dat was een meesterstuk. Als die sul van een tooverleerling, staat gij thans voor de gesloten poort en hebt het woord vergeten, waarop zij openspringt.”
Hij werd week; tranen drongen in zijn oog. Hij wierp zich op een stoel en leunde met het hoofd op de hand.
„Ja, ja, dat gaat zoo,” mompelde hij voor zich zelf, „'t is mij geen nieuws meer; ik heb het immers meermalen ervaren. Het is de Nemesis van 't lot, dat mij, omdat ik het in mijne grimmigheid altijd een grijnslachend masker vertoon, in plaats van een krijtend melkmuilsgezicht, gewoonlijk met gelijke munt betaalt. Hoe vaak, als ik een vriend of eene geliefde aan 't hart dacht te drukken, schoof het mij eene smalle stroopop in de armen! Het doet toch zeer!—Een aandenken aan die schoone minuut had ik toch gaarne gehad.—Het is mij niet om 't weervinden te doen; want duizend tegen een, dat ik haar ooit weer te zien krijg. Wat de nacht met zijn geheimzinnig donker mij tooverachtig schoon deed voorkomen, is wellicht alledaagsch, als de zon er hare gemeene stralen op neer werpt!—En wil ik haar vinden, dan vind ik haar toch zonder den ring of andere nesterijen—maar—een aandenken had ik toch gaarne van haar gehad!”
Half treurende, half verdrietig wierp hij zich op zijn leger, om er den slaap niet te vinden.
HOOFDSTUK VII.
De opera, waarvan Regnard gesproken had, zoude dien avond worden opgevoerd. Noch uit de benaming van het stuk, noch uit de personen, op het aanplakbiljet genoemd, kon Lodewijk opmaken van wien het was, en van den componist had men in het geheel geen melding gemaakt. Hij was dus zeer begeerig de muziek te hooren, te meer, daar Françoise aan de gravin verhaald had, dat ze verrukkend schoon was. Te zeven uur reed men naar den schouwburg; de gravin Lodoiska, Regnard en onze drie jonge vrienden waren te zamen in ééne loge. Met welgevallen liet Bernard zijne blikken langs de reeks van schoone vrouwen en meisjes zweven, die den eersten rang der loges versierde. „Waarlijk,” riep hij en stiet Lodewijk aan, „nog nooit zag ik eene zaal met zulk een heerlijken bloemkrans getooid als deze hier. In Drurylane, in _Kings theatre_, in Vauxhall vond ik de loges vrij lief bezet; de engelsche vrouwen zijn onweerstaanbaar door haar fijne leest, door haar smaakvolle kleeding, door de zachte maagdelijke uitdrukking van haar groot blauw oog; maar bij Sint Lukas, den patroon aller schilders, ik betuig u, 't zijn alle slechte onechte boheemsche steenen tegen de diamanten van het zuiverste water, die men hier ziet glanzen.”—„Lodoiska is toch nog verreweg de schoonste,” fluisterde Lodewijk, „ofschoon ik moet toestemmen, nog nooit een zoo rijken kring van schoone, vrouwelijke gestalten te hebben gezien.”
„De schoonste is zij niet, daarin moogt ge een oud kenner als ik ben vrij gelooven,” merkte Bernard op, „maar zij is de bekoorlijkste, de aanvalligste, de liefelijkste. Als alle schoone borstbeelden in de loges hier tegenover in marmer veranderen, zouden velen van deze ongetwijfeld edeler vormen vertoonen, ja, ik twijfel bijna, of zelfs de gravin haar misschien niet verdonkeren zou. Iets anders zou het zijn, wanneer wij al deze beelden op het doek voor ons hadden, en het tooverachtige spel der kleuren een schitterenden glans over den helderen hemel van het aangezicht wierp. Dan, geef ik u toe, zou Lodoiska de lenteroos, de slanke zachte lelie, het bescheiden viooltje, kortom, al wat bekoorlijk is tevens en de liefelijkste bloesem op dit gansche volle bloembed zijn.”