1812: Historische roman

Part 2

Chapter 23,744 wordsPublic domain

Zoo lang men door de straten van het stadje reed en bewoonde huizen aan den weg ontdekte, nam de schoone gesluierde het diepste stilzwijgen in acht, terwijl zij Lodewijks begeerte om door eene vraag met den samenhang van dit hoogst zonderling voorval bekend te worden, door een stommen angstigen wenk wist in toom te houden. Hij bleef dus eenige minuten geheel aan zijne eigene vermoedens en gissingen overgelaten en vond in dat tijdsverloop eene mogelijke, zoo al niet de ware oplossing van het raadsel. Naar alle waarschijnlijkheid was zijne gezellin eene Engelsche, misschien wel de dochter van een man van groot aanzien. De opnieuw losbarstende oorlog had den haat en de waakzaamheid der Franschen tegen de inwoners van dat land verdubbeld; zij was dus, vermoedelijk uit staatkundige gronden, genoodzaakt zich van eene list te bedienen, ten einde een land te kunnen verlaten, dat in het bezit was der vijanden van haar vaderland en waar men haar zelve misschien gevangen zou nemen en in gijzeling zou kunnen houden. Het hart van den jongeling klopte van vreugde bij de gedachte, dat de wonderbare beschikkingen van het lot juist hem hadden bestemd, om een wezen, welks zachte bekoorlijkheden hem zoo levendig getroffen, zoo langdurig geboeid hadden, dezen reddenden dienst te bewijzen. Hij richtte zijne blikken op haar; sidderende en blijkbaar met moeite ademhalende zat zij nevens hem. Eindelijk verdwenen de laatste huizen op zijde van den weg; de landstreek werd eenzaam en woest. Een steil opgaande bocht van den weg noodzaakte den postiljon den snellen draf zijner paarden met een langzamen stap te verwisselen, zoodat het verdoovend dreunen van het rijtuig ophield. Nu greep de schoone gesluierde met onstuimige hevigheid Lodewijks hand, klemde ze met een warmen, innigen druk in de hare, en fluisterde uit een overkropten boezem: „Gij zijt mijn redder! De redder van wat mij op deze aarde het dierbaarst is!” Als door een doodelijken angst geheel uitgeput, als door het bedwingen der hevigste gemoedsbewegingen geheel overstelpt, zeeg zij toen, terwijl een beklemd, hijgend: Ach! hare lippen ontvloeide, op den boezem der tegen haar over zittende gezellin neder, klemde zich met beide armen aan deze vast, verborg snikkende het hoofd aan haren schouder en barstte in een weldadigen stroom van tranen los.

De oude dame, wier voorkomen tot hiertoe slechts koele afgemetenheid vertoond had, scheen nu toch ook diep geroerd. Zij trachtte intusschen de weenende tot kalmte te brengen, maar bediende zich daarbij van eene taal, welke Lodewijk niet verstond en niet voor Engelsch houden kon.—De onbekende richtte zich weder op, sloeg den sluier terug om vrijer te kunnen ademhalen, hief de blauwe oogen ten hemel en kruiste de handen eerbiedig over de borst, tot een ootmoedig dankgebed. Lodewijk, tot in zijn binnenste getroffen, wilde haar in die heilige gemoedsstemming niet storen en zag haar lang en verwonderd aan. Eindelijk trof haar verhelderde, open blik den zijnen weder. „Hoe zal ik u dit ooit kunnen vergelden!” sprak zij.—„Vergelden?” hervatte de jongeling haastig, maar met innige warmte. „Het noodlot schenkt mij op de zeldzaamste wijze een geluk, dat ik nooit had durven verwachten, en gij spreekt van vergelding? Misschien wel omdat ik van uwe lippen den zoeten naam van broeder hoorde? Wat heb ik voor u gedaan? Ik weet slechts, dat gij eenen vreemden, onbekenden eensklaps als eene heilige uit den hemel verschenen zijt en een onuitsprekelijk geluk bereid hebt!”—„O, gij weet niet, wat gij door uwe snelle en stoute beradenheid voor mij geweest zijt.”—Zij wilde voortvaren, maar werd daarin door den ouden dienaar verhinderd, die omziende, haar eenige vreemde woorden toevoegde, welke zij in eene, aan Lodewijk eveneens geheel onbekende taal beantwoordde. Daar er slechts weinige, gedeeltelijk fluisterende woorden gewisseld werden, kon hij onmogelijk bepalen aan welken landaard ze behoorden; nu eens waande hij spaansche, dan weder poolsche woordvormen te onderscheiden. Het rijtuig rolde intusschen sneller voort en ten tweedenmale werd het nauw begonnen gesprek afgebroken. Men moest, naar des jongelings berekening, de van de zijde van Italië vooral steil oploopende straat van den Simplon nu weldra genaderd zijn, zoodat hij zijne begeerte om al deze geheimen ontraadseld te zien, tot zoo lang besloot te bedwingen.

Men bereikte eene steile hoogte, waar de weg zich zoodanig kronkelde, dat men nog eens een vrijen blik op Italië kon terugwerpen. Daar lag het in de diepte, het land der weelde, door het gloeiend avondrood met een donkeren purpergloed overtogen; de donkere, boschrijke, voorgebergten der Alpen strekten zich ver over de bloeiende velden uit; schuimende beken doorsneden de dalen met goud- en zilverkleurige slingerpaden; het kleine stadje aan den voet van 't gebergte blonk glansrijk en wit op den donkeren grond; de verte smolt weg in eene blauwe schemering en liet geen duidelijke omtrekken meer onderkennen. „Vaarwel!” beefde het van Lodewijks lippen. Ook zijne reisgenoote wendde nog eens haar gelaat naar het Eden terug, dat zij nu op het punt stond te verlaten, eene zachte aandoening verlevendigde hare trekken, en de lippen schenen over den traan te glimlachen, die eensklaps het blauw kristal van haar oog met een vochtigen nevel overtogen had. „Vaarwel!” herhaalde zij met zoete welluidendheid en wenkte met de hand ten afscheidsgroet. Daar de weg thans al steiler en steiler werd, en de wagen slechts langzaam voortging, was het geschikte oogenblik daar om het gesprek weder aan te knoopen. Lodewijk wilde dan ook juist zijne vraag, om opheldering aangaande het gebeurde, herhalen, toen zijne reisgenoote reeds uit eigen beweging begon.

„Gij moet zekerlijk verwonderd zijn over wat u bejegend is; maar de gebeurtenissen, door welke landen en volken thans beroerd worden, wikkelen dikwijls ook enkele personen in moeielijke en gevaarlijke ongelegenheden. Dat is met mij het geval. Ik waande mij reeds verloren, ach! en ik sidderde voor een dierbaarder goed dan mijn leven, toen de hemel mij in u een redder toezond. Zult gij mij echter ook verder uw bijstand willen verleenen?”

„Tot aan mijn laatsten ademtocht,” riep Lodewijk driftig.—„Verbind u tot niets,” viel de onbekende hem in de rede, „voor gij weet, wat ik van uwe grootmoedige gezindheid vorderen moet. Gij zult nog langer voor mijn broeder doorgaan, mij als zoodanig op een overhaaste reize tot in Duitschland vergezellen moeten!—En—dit is voor u zelf met gevaar verbonden!”

Niet zonder hooghartigheid trachtte Lodewijk de verdenking van zich af te weren, dat eenig gevaar in staat zoude zijn hem af te schrikken.

„Dat wist ik, en ik ben in mijn vertrouwen niet bedrogen,” hervatte de onbekende; „maar nog eene moeielijke bekentenis heb ik te doen. Gij zult mij voor ondankbaar, voor laag, argwanend moeten houden; want ik moet uw bijstand inroepen, zonder u mijn geheim te mogen toevertrouwen, daar het niet het mijne is. Anderen hebben er heilige rechten op en de strengste, onverbrekelijkste plichten binden mijne tong. Weinig meer dan gij nu reeds hebt kunnen raden, mag ik u ontdekken; want dat ik geen gravin Wallersheim, dat ik niet eens eene Duitsche ben, zal u wel niet twijfelachtig meer zijn.”

„Maar welken naam mag ik u dan geven! Zal het noodlot u mij voor eeuwig onbekend doen blijven?” vroeg Lodewijk op een smartelijken toon.

„Neen, ik vertrouw neen,” antwoordde zij nauw hoorbaar; „maar noem mij nu zuster; Bianca, als gij wilt. Die naam moet u vooreerst voldoende zijn.”

„Zuster Bianca!” riep Lodewijk in zoete verrukking. „Zuster! zuster!” herhaalde hij nog eens. Die heilige naam verbond hem zoo innig met het bekoorlijke wezen en ontroofde het tevens voor altijd aan zijn hart, dat hij bij het uitspreken den volsten beker der zaligheid en den diepsten, bittersten kelk der smart tegelijk ledigde. De vertrouwelijkste nabijheid was hem vergund, doch terzelfder tijd was er, dit zeide hem zijn voorgevoel nu reeds, een vreeselijke klove tusschen beiden geopend, welke hen des te verder vanéén scheidde, naarmate zij nauwer verbonden schenen.

Hij staarde haar aan en waande eene bekoorlijke droomgestalte te aanschouwen, die verdwijnen zou, wanneer hij ontwaakte. Zijn hart klopte met hevigheid; doch hij bedwong zich en verkropte de smart in zijn boezem.

Bianca brak opnieuw het stilzwijgen af. „Gij ~moogt~ mij niet alleen zuster noemen,” zeide zij met een vluchtig blosje, „maar gij ~moet~ het ook, wanneer gij mij niet verraden wilt. Waarlijk, gij zult spoedig aan dien naam gewennen, zoowel als aan den ongedwongen, gemeenzamen toon, dien ik dringend vorderen moet, dat voortaan tusschen ons heersche.”

De beproeving werd gestadig sterker voor den jongeling. „Als ik mij zelf maar niet vergeet,” sprak hij verlegen.

„Dat zult gij gewis niet,” hervatte Bianca; „de gedachte, dat de geringste misslag voor u en mij hoogst gevaarlijk zou kunnen worden, zal u steeds op uwe hoede doen zijn; en bovendien zult gij altijd op mijn gelaat lezen, dat ik u aan uwe broederlijke plichten herinner. Maar ik moet u nog iets aangaande mijn toestand ontdekken. Gij ziet mij hier van de verzorgster mijner jeugd en van een ouden getrouwen dienaar van ons huis vergezeld, de eenigen, die mijn geheim ten deele kennen. Wij zouden zonder eenig gevaar reizen, wanneer deze alleen er de vertrouwden van waren; maar tot mijn ongeluk is het reeds verraden. Weet dan, dat tot Milaan een ander uwe plaats innam.” Hier scheen het schoone meisje huiverig om verder te verhalen. „Een schandelijk misbruik,” vervolgde zij sterk blozende, „dat hij van mijn toestand wilde maken, dwong mij van een tot vluchten gunstig oogenblik gebruik te maken. Ik kan er thans niet meer aan twijfelen, of hij is daarop uit wraak een verrader geworden.

Van hier mijn haast, mijn doodelijke beangstheid daar beneden in het stadje; want elk oogenblik kan het bevel tot onze inhechtenisneming daar zijn. Wel heb ik een anderen weg genomen, en mijn vroeger plan, om over Verona te gaan, veranderd, daar de pas, die, zonder nadere bepaling, van Rome over Florence en Milaan naar Duitschland wijst, zulks mogelijk maakte; maar hoe spoedig heeft men dat niet uitgevorscht! Hoe licht kan ook de verrader zelf op dat denkbeeld komen en ons langs beide wegen laten achtervolgen!—Gij weet nu, wat gij waagt. Ook dit moet ik er nog bijvoegen; men zou de misdaad, waaraan gij u schuldig maakt, zeer gestreng straffen.”

„De grootste misdaad ware hier wel lafhartig terug te treden,” sprak Lodewijk met bedaardheid. „Ik weet niet,” voegde hij er met eenige aandoening bij, „of voor u te mogen lijden, mij niet nog gelukkiger zou maken, dan voor u te wagen.”

Bianca zweeg.

De nacht begon intusschen de omliggende voorwerpen met zijn zwarten sluier te overdekken. De weg werd steiler; reeds verhieven zich aan weerszijden de zonderlingste, vreemdstaltigste rotsgedaanten, terwijl de Veriola schuimend en donderend in de diepte neder schoot. Het reusachtig verhevene van dit schouwspel zoude een sterkeren indruk op de reizigers hebben teweeg gebracht, wanneer de stemming hunner gemoederen kalmer en voor het genot vatbaarder geweest ware. Bianca's krachten schenen daarenboven door de reis en den doorgestanen angst uitgeput; eene zachte sluimering had haar overvallen. De hevige gemoedsbeweging verdreef den slaap uit Lodewijks oogen, ofschoon ook hij door de lange wandeling lichamelijk zeer vermoeid was. De huiveringwekkende wonderen van den weg, dien hij aflegde, vermeerderden wel het onrustig golven van zijne borst, doch rotsen, afgrond en waterval spiegelden zich, als een onstuimige zee, slechts flauw, verward dooreengemengd en vormloos in zijn oog af. Mijmerend staarde hij de beelden aan, zonder ze in zijn bewustzijn op te nemen, en dan eerst, wanneer zij lang voorbijgesneld waren, stegen zij weder als donkere, onzekere herinneringen in hem op. Zijne ziel zag immers slechts Bianca's beeld; hij stond verrukt voor de schoone hemelsche gestalte eener Madonna: hoe kon dan het landschap op den achtergrond der heilige schilderij zijne oogen van haar aftrekken en aan zich geboeid houden?

Het was duister toen zij over de eerste, op torenhooge pilaren zwevende brug heenrolden, waaronder den stroom in den diepsten afgrond zich als een witte slang sissend heenkronkelde. Spoedig daarop bereikten zij een posthuis, waar men snel van paarden verwisselde. Bianca was zoo diep in slaap gezonken, dat zij ook daar niet ontwaakte; het was alsof hare ziel zulk een vertrouwen stelde op den nieuwen, reddenden vriend, dat onrust noch zorg haar meer beangstigden.

De weg werd gestadig woester en huiveringwekkender; de Veriola schoot klaterend in den afgrond neder; hemelhooge rotswanden hieven zich loodrecht op; slechts weinige starren blonken door de enge opening der diepgekloofde bergholte. Plotseling kromde de weg en Lodewijks verwonderd oog zag een wit, reusachtig spooksel voor zich, dat schrikwekkend tusschen de zwarte granietklompen oprees. Tegelijk verdoofde een doffe donderslag het gehoor.

Bianca ontwaakte door het gedreun en riep verschrikt: „Hemel, wat is dat? Waar zijn wij?”

„Het is de waterval aan den ingang der groote gaanderij,” sprak de oude dienaar, zich omwendende. Intusschen hield de wagen stil en een heldere straal uit verlichte vensters blonk de reizigers in het oog. De postiljon klapte met de zweep.

„Wat beteekent dat?” vroeg Bianca angstig; „zouden wij hier aangehouden worden?”

„Hier is, voor zoover ik weet, de grenspaal van Lombardije; aan gene zijde der kleine brug bevinden wij ons reeds in Zwitserland,” was Lodewijks antwoord.

„God zij gedankt,” riep Bianca en haalde diep adem. „Tot zoover dan verlaat gij mij niet, genadige hemel!” voegde zij er zacht bij en hief den blik op tot de heldere sterren boven haar.

Middelerwijl traden twee in grijze mantels gewikkelde gestalten op den wagen toe, de eene met eene lantaarn in de hand; de hooge helmen met paardestaarten lieten fransche dragonders onderkennen.

„_Votre passeport, Monsieur_,” luidde de beleefde, maar korte en beslissende vraag.

„De pas, lieve broeder,” herhaalde Bianca en drukte hare hand zachtkens tegen zijn arm, om hem een teeken te geven, dat hij zich niet vergeten moest.

Lodewijk kreeg het papier te voorschijn en reikte het over. Hoe weinig hier ook eene ontdekking te duchten was, zoo bewerkte toch het bewustzijn van zijn toestand, dat hem de pols rasser sloeg. Bij dag zou een opmerkzamen beschouwer de onrust in zijne trekken niet zijn ontgaan; hij was aan voorvallen van dezen aard nog niet gewoon.

De officier begaf zich met den pas in huis; na vijf minuten keerde hij terug en gaf dien aan Lodewijk over met de woorden: „_Votre serviteur, monsieur le comte._”

„Voorwaarts!” riep de oude dienaar, en de wagen snelde over de brug op den waterval aan. Zijn gedonder verdoofde het oor, en witte stuivende stofwolken omhulden het rijtuig met een dichten nevel. Eensklaps waren zij verdwenen en een ondoordringbaar duister omgaf de reizigers; het gedruisch van den nederstortenden stroom vernam men nog slechts dof en murmelend, als uit de verte.

„Waar zijn wij?” vroeg Bianca.

„Ik denk in het gewelf van eene der gaanderijen, waardoor de straat voert.”

„Dit is de gaanderij van Trissinone,” liet zich de stem hooren van den postiljon, niet weinig trotsch, dat hij zijne kennis van alle verschrikkingen en wonderen van dezen weg in het fransch wist mede te deelen.

Noch Lodewijk noch Bianca, wier blikken op den waterval waren gevestigd geweest, hadden bemerkt, dat men eene rotspoort was binnengereden. De wagen kroop langzaam door het gewelf voort, waarin niet het geringste schijnsel van licht doordrong. Plotseling echter kwam een flauwe, vale schemering van boven afdalen; verwonderd blikten onze reizigers opwaarts en ontdekten eenige fonkelende sterren, die even spoedig weder verdwenen. Men had zich onder de opening bevonden, die bij dag een twijfelachtig schemerlicht in deze zwarte rotskloof nederwerpt. Na tien minuten was men weder onder den vrijen hemel.

Bianca haalde diep adem. „God zij dank,” sprak zij; „ik werd toch een weinig angstig in dien zwarten afgrond. Maar waartoe dienen toch zulke akelige gewelven?”

„Vooral tot een toevluchtsoord tegen de lawinen; want men heeft ze meerendeels aangelegd in streken, waar het nederstorten van deze sneeuwklompen het menigvuldigst plaats grijpt. Dikwijls heeft men zich ook door het stoutmoedig doorbreken der rotsen een aanmerkelijken omweg bespaard. De geheele weg is een reuzenarbeid, gelijk alles, wat de verwonderlijke man onderneemt, die met zulk een scherpen blik het gewicht van dezen bouw tot enger verbinding zijner volken inzag. Wat sinds eeuwen vurig gewenscht was, en waarvoor twintig geslachten terugbeefden, daar de uitvoering menschelijke krachten scheen te boven te gaan, heeft deze koen scheppende geest door een enkelen wenk van zijn machtigen wil tot stand gebracht.”

„Ik bewonder hem! Maar ik geloof toch, dat die duistere genius meer vreeselijk in het verdelgen dan machtig in het scheppen is,” hernam Bianca met een siddering terugbevende voor de krijgsgebeurtenissen, waarop hare woorden schenen te doelen.

„Hij vernielt slechts om te scheppen,” riep Lodewijk met vuur; „op de lava, die de vulkaan uitwerpt, grondt zich eene schoonere schepping!”

„En vergeet gij hen, die onder den aschhoop bedolven liggen?” vroeg Bianca.

Lodewijk zuchtte en gevoelde zich tot in de ziel getroffen. Neen, hij vergat de bedolvenen, vergat zijn vaderland niet, en toch kon hij de bewondering, die hij voor den man koesterde, voor wien Europa beefde, onmogelijk onderdrukken. Deze tweestrijd in zijn boezem had hem reeds meermalen smartelijk gegriefd, en thans zag hij, door zijn terugkeeren naar het vaderland, waar hij in de nabijheid zou verplaatst zijn van den vreeselijken krijg, die zijne onweerswolken elken dag dichter en dichter opeenpakte, nieuwe en nog heviger gemoedsschokken te gemoet.

„Wij zijn geboren,” sprak hij somber en na eenig zwijgen, „om de schuld onzer vaderen te verzoenen. Het ijzeren rad van het noodlot verplettert ons; maar niet op hen wentel ik de schuld, die het rechtvaardig vonnis der onverbiddelijke Nemesis voltrekken. De geschiedenis houdt een streng, vreeselijk strafgericht. Zij oordeelt daden, niet daders. Daarom boeten wij voor de schuld onzer voorvaderen, maar ook voor de eigene; want kunnen wij ons van ontzenuwde slapheid, van diepe ontaarding vrijspreken? Duitschland——o laat mij zwijgen, want mijn hart bloedt, als ik daaraan denk!”

Beiden zwegen; de weg kromde zich een weinig in de richting van het oosten en eensklaps blonk hun de zachte maan, tusschen twee rotskruinen in den reinsten aether zwevende, vriendelijk tegen, al was zij een door God gegeven teeken, dat eenmaal na den storm de rust zoude wederkeeren. Tegelijk rezen boven den zwarten, in de schaduwen van den nacht gehulden rotswand vóór hen twee zilverblanke sneeuwkruinen op en kaatsten het maanlicht glanzend terug.

„O God!” fluisterde Bianca, greep de hand harer gezellin en wees op de flonkerende sneeuwtoppen.

Lodewijk voelde warme tranen over zijne wangen rollen. Hij bracht den zakdoek voor de oogen en liet den zoeten stroom, die zijne beklemde borst verlichtte, den vrijen loop.

„Die top links is de Sempione,” sprak de postiljon, zich tot den ouden bediende wendende.

„Zullen wij dra boven zijn?” vroeg deze.

„In het dorp zijn wij spoedig; dan zijn wij nog twee kleine uren van den hoogsten top, waar het vreemdelingenhuis gebouwd wordt. Dat gaat niet voorspoedig sinds een jaar, want het geld ontbreekt. Maar voorwaarts!” Hij verdubbelde de zweepslagen en weldra had men het dorp Sempione, dat zeer dicht onder de sneeuwkruin van den berg gelegen schijnt, bereikt.

Het was hier reeds gevoelig koud. De reizigers vertoefden slechts weinig oogenblikken, om zich door eene vluchtig genoten verversching en een glas warmen wijn te sterken; want Bianca dreef tot onverpoosden spoed aan. De lente was nu spoedig geweken, want na korten tijd bevond men zich midden in de sneeuw, die aan beide zijden van den weg lag opgehoopt. Daar de baan niet steil opliep, ging de reis vliegend voort. Weldra bereikte men den hoogsten top en nu rolde de wagen met bliksemsnelheid de helling afwaarts. Na verloop van eenige minuten hield de postiljon zijne paarden staande.

„Wat is er?” vroeg Lodewijk.

„Hm, Signore,” luidde het antwoord, „het jaargetij is niet zeer gunstig. Men moet voorzichtig zijn. Wij hebben warme dagen gehad en dan storten de lawinen naar beneden als sperwers op den leeuwerik. Ik moet een schot doen.” Hij kreeg een oud, roestig geweer te voorschijn. De knal dreunde dof over de breede ijsvlakte en werd door een donderenden, duizendvoudigen weerklank gevolgd; doch daarna bleef alles stil.

„Het zal gaan,” sprak de postiljon en dreef de paarden opnieuw aan.

Men verkeerde in angstige spanning; want ieder schilderde zich in stilte het vreeselijke van eene mogelijke begraving onder neerstortende sneeuwklompen af. Weinige oogenblikken waren toereikend, om al de akelige verhalen weder in het geheugen te roepen, die reeds in de vroegste jaren de jeugdige verbeelding door berichten van deze ontzettende natuurtooneelen in Zwitserland zoo levendig getroffen hadden.

Eensklaps donderde en kraakte het dof in de hoogte.

„_Dio Sànto_!” riep de postiljon en zag naar boven. Tegelijk echter gaf hij het paard waarop hij gezeten was de sporen, hief de zweep op, en met duizelingwekkende snelheid kletterde de wagen voorwaarts.

Bianca had angstig de hand harer pleegster vastgeklemd. Lodewijk zocht zijne kalmte te behouden en sprak: „Er zal geen gevaar zijn; deze menschen zijn hier bekend en ongemeen voorzichtig.”

Hij wilde voortgaan, toen zich een ontzettend gekraak boven hunne hoofden deed hooren; het was alsof de geheele berg met hen instortte. De paarden steigerden en deinsden schuw op zijde, zoodat de wagen tot dicht aan den rand des afgronds werd teruggeslingerd. Doch de moedige berijder verloor zijne tegenwoordigheid van geest niet, maar dreef de snuivende dieren met zweep en sporen rusteloos voorwaarts. Het gevaar van in de diepte neder te storten duurde slechts ééne seconde; het grootere was men nog niet ontworsteld, want thans knarste en kraakte en dreunde het schrikbarend rondom de reizigers, die zich plotseling in eene witte wolk gehuld zagen. De grond beefde, eene geweldige persing der lucht sleurde Lodewijk uit zijne zitplaats en dreigde hem ter aarde neder te ploffen, Bianca klemde zich met de kracht der wanhoop aan hare zoogster vast; de witte wolk verdonkerde zich als tot eene dichte zwarte rookzuil; een oogenblik daarna onderging de wagen een hevigen schok, gelijk het schip, dat op eene rots stoot, en bewoog zich niet meer. De as kraakte, beide vrouwen gilden luid, ook Lodewijk kon een bangen angstkreet niet onderdrukken. Ondoordringbare duisternis breidde zich over hen uit. Nog eenige oogenblikken vernam men het klateren des rollenden donders, een dof gedreun volgde, en eensklaps was alles stil, zwijgend en donker als in het graf.

HOOFDSTUK III.

„Dat was redding uit den leeuwenkuil!” riep de postiljon. „Wij hebben nog gelukkig de gaanderij bereikt.”

De woorden vervulden de van angst ontzielden met nieuw leven. „Wij zijn niet bedolven?” riep Lodewijk ademloos.

„De lawine moet dicht achter ons neergeschoten zijn,” antwoordde de postiljon, „want de ijssplinters en het sneeuwstof hebben mij half blind gemaakt.—Maar éene as, mogelijk beide, zal het gekost hebben; want ik merk wel dat wij wat na aan den rotskant geraakt zijn. Het was ook geene kleinigheid, zoo in vollen galop de nauwe opening te treffen, en dat nog wel in het donker!”