Part 19
De wensch van den overste, dien de muziek eer vermaakte dan trof, drong op een duet aan; doch Lodoiska sprak een bescheiden, maar beslissend neen. Daar hij niet in deze eerste poging scheen te willen berusten, wist de gravin een tweede aanzoek te voorkomen, door hem te verzoeken haar naar tafel te geleiden. Hij reikte haar beleefd den arm; Jaromir bood den zijnen Lodoiska aan, Lodewijk, die bij een der oudere dames stond, geleidde deze, en Bernard nam Alisette aan den linker, de andere, nog alleen overige vriendin der gravin aan den rechterarm. „U heb ik aan de zijde, waar mijn hart slaat,” fluisterde hij Françoise in het oor, die hem door een vertrouwelijken blik antwoordde. De vleugeldeuren der glansrijk verlichte eetzaal vlogen open; men trad binnen.
HOOFDSTUK IV.
Niet vóór middernacht begaven de jeugdige krijgsmakkers zich naar de hun aangewezen kamers, die alle drie op één breeden kruisgang uitkwamen en het gezicht op den tuin hadden. Door deze schikking waren de vrienden bijeen en tevens gescheiden; elk bewoonde een eigen vertrek, doch ééne schrede bracht hem in dat des nabuurs. Jaromir wenschte den beiden anderen goeden nacht; hij scheen vermoeid te zijn. Bernard en Lodewijk bleven in de kamer des eersten nog een tijdlang te zamen en spraken van de zonderlinge wisselingen van hun levenslot, dat eensklaps eene zoo geheel andere wending had genomen. Dit was eigenlijk het eerste vertrouwelijke uur, dat zij sedert hunne afreis van Dresden met elkander doorbrachten; want om verschillende redenen hadden zij de reis zoo overhaast moeten doorzetten, dat, zelfs in het bijzijn van den hun nog minder bekenden Jaromir, geen tijd tot een bedaard en rustig onderhoud was overgebleven.
„'t Zal mij verwonderen,” sprak Bernard, „of Fortuna ons hier met haar net nog eenige gelukkige trekken zal laten doen. Ik althans heb als een statelijke graaf Lomond eene breede zegen uitgeworpen, terwijl gij, als Lodewijk Soren, hoogstens een paar armzalige stekelvorens aan uw jammerlijken hengel te wachten hebt. Ik visch met de wijde fuik der gravenkroon en vertrouw, dat aan de zeven punten eene zoo van belang blijft hangen. Ja, hier in Polen krijg ik al half berouw, dat ik mij maar niet liever den vorstenhoed heb opgezet; in het lange echte parelsnoer van poolsche magnaten zou toch niemand de valsche schotsche parel ontdekt hebben. Nu, wie weet wat nog gebeurt!”
„Ik zou u die goede luim kunnen benijden,” hervatte Lodewijk; „maar wat moeite ik doe, om ons lot van eene lichte zijde te beschouwen, het wil mij niet gelukken. Ik geloof, dat ik de toekomst met ernst en bedaardheid onder de oogen zal zien; maar thans ligt zij voor mij als eene kale, steile rots, waarop ik niet zooveel vruchtbare aarde ontdek, dat eene enkele bloem er op ontspruiten kan.”
„Er zal eene hand komen,” antwoordde Bernard, „die als Mozes tegen de steenrots slaat en eene rijke, frissche bron doet ontspringen. Soms heb ik oogenblikken, waarin ik door onzichtbare handen op den drievoet der Pythia geplakt word en de wijsheid van den delphischen God uit mijn mond doe stroomen. Thans juist verbeeld ik mij, gemakkelijk en wel in den tooverstoel te zitten, en zie een gansch heirleger van rooskleurige beeldjes uit onze toekomst voorbij marcheeren. Ik begrijp niet, waarom wij niet bij het eerste gevecht de officiersepauletten verdienen, bij het tweede in den ritmeesterszadel klauteren, bij het derde een paar majoorssporen zouden buit maken. Heeft de russische keizer slechts twee of drie dappere generaals, zoo begrijp ik niet, waarom de oorlog niet zeven jaren zou kunnen duren, en die tijd is dan toch waarachtig lang genoeg, om een maarschalkstaf met eene vorstenkroon er op te doen groeien, waartegen ik mijn valschen schotschen adelbrief voordeelig verruilen kan. En zou de titel Vorst van Petersburg, of Hertog van Archangel, of zelfs, zoo het geluk wou dat ik den rechtervleugel der armee kommandeerde, Prins van Astrakan niet even goed klinken als Prins van Pontecorvo, Hertog van Albufera of Dalmatië? Mij dunkt, ik zou mij zelfs tevreden kunnen stellen, als men mij slechts Hertog van Kamschatka, of Prins van de Lena maakte en eene mammoethsrib bij mijn wapen voegde.”
„Gij wilt den oorlog wat al te lang rekken,” hervatte Lodewijk glimlachend; „intusschen blijf ik er bij, gij zijt te benijden, daar gij op den zwarten achtergrond der toekomst zulke vroolijke beelden weet te tooveren.”
„Dat is een schilderstalent,” riep Bernard, „en ik heb er mij veel in geoefend. Sta ik voor een recht zwarten onweershemel, dan zie ik in de dreigend opeengepakte wolken en getakte zwavelmassa's de schoonste luchtpaleizen en gebergten van de wereld. Maar gij schijnt moê en ik ben het; laat ons dus onderzoeken of de legersteden bij de Juno, die ons zoo gastvrij herbergt, met haar overigens waarlijk olympisch onthaal overeenstemmen.”
Lodewijk reikte Bernard de hand, wenschte hem een goeden nacht en ging naar zijne kamer. Bernard voelde den geest des edelen tokayers, dien hij niet spaarzaam gedronken had, nog te vurig door zijne aderen bruisen, om zich dadelijk aan den loomen slaap te kunnen overgeven. Hij trad aan het venster, opende het en blikte in den tuin, die zich langs den eenen zijvleugel van het paleis uitstrekte. Eene koele avondwind ruischte door de populieren en wiegde de toppen der heesters heen en weder; de maan stond laag aan den hemel en wierp de lange, donkere schaduwen van het gebouw over het groene loovertapijt heen; dáár echter, waar hare stralen door niets gebroken werden, verlichtte zij de bloeiende jasmijn-priëelen en breede grasperken met bijna zonneklaarheid. Bernard herinnerde zich, dat Alisette hem aan tafel had gezegd: „Wij zitten hier juist tegenover mijne vensters, die den ganschen nacht door de maan vriendelijk verlicht worden.” De gedachte rees hierdoor bij hem op, om eene nachtelijke wandeling naar de, in den anderen vleugel van het slot gelegen eetzaal te ondernemen, ten einde vandaar de vensters van het schoone meisje een weinig te bespieden. Besluit en uitvoering waren bij hem gewoonlijk het werk van hetzelfde oogenblik; hij schoot zijn overjas aan en verliet het vertrek. Slechts eene enkele matte lamp schemerde aan het eind van den gang. Behoedzaam luisterde hij, of alles stil was; geen geluid liet zich in het uitgestrekte gebouw vernemen. Met zachte schreden ging hij op de lamp, die in het hoofdverwulfsel brandde en vandaar haar licht naar beide zijden uitwierp, toe. Zonder iemand te ontmoeten, sloop hij het wijde voorportaal door en bereikte den anderen vleugel; op de plaats, waar de zijgang den hoek omsloeg, flikkerde eene tweede lamp, die aan het uitgaan was. Zij gaf intusschen nog schijnsel genoeg, om de verschillende deuren, die uit den gang in de vertrekken voerden, te onderkennen. De derde was die der eetzaal; dit had Bernard, die zeer veel opmerkzaamheid en geheugen, vooral voor bouwkundige plaatsgelegenheden bezat, nauwkeurig onthouden. Behoedzaam draaide hij aan den knop, om te ontdekken of de deur ook gesloten was; zij was het niet, hij trad binnen en stond nu in de groote, donkere zaal, welker witte, toegeschoven venstervoorhangen hem bleek en spookachtig toeschemerden. Voorzichtig naderde hij het venster, sloeg het golvende satijnen voorhangsel een weinig terug en zag naar buiten. Aan de overzijde der niet breede straat, in den helderen maneschijn stond een klein huis, welks vensters der tweede verdieping met jalousieën gesloten waren. De slagschaduw van het paleis strekte zich zoo ver uit, dat het onderste deel der woning daardoor geheel bedekt werd. Zoo bezwaarlijk men dus iemand in de benedenverdieping of aan de huisdeur kon onderkennen, zoo gemakkelijk was het, de voorwerpen dáár, waar zij door de maan bestraald werden, nauwkeurig op te nemen. Volgens de beschrijving moest Alisette in dat huis haar verblijf houden en hare vensters die der middelverdieping zijn. Bernards scherpziende blik zag door de jalousieën licht schemeren, en eene zich bewegende schaduw gaf hem de zekerheid, dat zich nog iemand wakend moest bevinden.
Eensklaps hoorde hij het geknars van een, hoewel met behoedzaamheid in het slot rondgedraaiden sleutel; de huisdeur tegenover werd voorzichtig geopend, en eene lange gestalte, die zich zorgvuldig in een mantel had gewikkeld, sloop op de teenen naar buiten, stak haastig de straat over en verdween in de schaduw van het paleis, zoodat Bernard de richting welke zij nam, niet met het oog volgen, noch ook uit het geraas der voetstappen met zekerheid gissen konde. De jongeling was geheel onthutst door deze ontdekking, die, in verband gebracht met onderscheiden andere waarnemingen en vermoedens, waartoe Françoise hem aanleiding had gegeven, hem de overtuiging opdrong, dat die onbekende niemand anders zijn kon dan de overste, die een nachtelijk bezoek bij de lichtvaardige schoone had afgelegd. Met arendsblikken hield hij nu hare vensters bewaakt, verwachtende, dat zij zich misschien nog vertoonen en daardoor zijn vermoeden bevestigen zoude, maar alles bleef stil; de matte lichtschijn schemerde nog immer door de enge vensterreten en werd slechts van tijd tot tijd door eene voorbijzwevende schaduwgedaante verduisterd; verder liet zich niets zien of hooren. Langer dan een half uur vertoefde hij nog in zijn donkeren schuilhoek; eindelijk besloot hij naar zijne kamer terug te keeren. Hij keerde zich om en wilde op de deur toetreden, toen hij eensklaps roerloos van verbazing bleef staan, want de deur opende zich en eene witte, in een sluier gehulde gestalte, welke de door het venster van den gang invallende stralen der maan met een twijfelachtigen lichtglans overgoten, zweefde de zaal binnen. Eene koude rilling liep hem over de leden; het was echter, hoe raadselachtig de verschijning anders wezen mocht, niet eene nachtelijke geestenvrees, welke hem die huivering aanjoeg, maar veel meer de bezorgdheid van op eene zoo zeldzame, ja bijna onverklaarbare nachtwandeling betrapt te worden. Met ingehouden adem en verheugd, de witte, doorschijnende gordijnen niet meer tot achtergrond te hebben, klemde hij zich aan een uitstekenden pijler vast. De deur sloot zich achter de geheimzinnige gedaante, die met nauwelijks hoorbare schreden de zaal in hare gansche lengte doorkruiste en in het duister dat de groote ruimte vulde, voor het oog slechts als een voorbij zwevende witte nevelvorm zichtbaar werd, die zich langzamerhand in nacht en verte verloor. Met hoeveel inspanning Bernards scherpe blikken de verschijning ook trachtten te volgen, het was hem niet mogelijk te ontdekken, werwaarts zij haren weg richtte. Zij verdween aan het uiterste einde der zaal; men hoorde niet dat eene deur geopend of gesloten werd, en echter keerde niemand terug, ook liet zich niet het geringste gedruisch vernemen. In den beginne vermoedde Bernard, dat de gedaante zich nog in het vertrek bevond, en hij bleef dus, om zich zelf niet te verraden, nog een geruimen tijd bewegingloos staan; niets bespeurende, naderde hij behoedzaam de deur, bereikte gelukkig den gang en, schoon alle lampen waren uitgegaan, eindelijk de deur zijner kamer. Toen hij die van Jaromir voorbijging, trok het zijne aandacht, dat deze nog niet ter rust was; hij hoorde hem met driftige schreden het vertrek op- en nederwandelen. Dadelijk begaf hij zich nu te bed; maar er verliep nog een geruime tijd, eer de menigvuldige gewaarwordingen en gissingen, welke de avontuurlijke ontmoeting bij hem had verwekt, hem lieten insluimeren.
HOOFDSTUK V.
Den volgenden morgen was Jaromir het eerst wakker, sprong haastig van zijne legerstede en wekte de beide vrienden, want thans moesten de ernstige uren van stipte dienstvervulling een aanvang nemen.
Bernard en Lodewijk waren weldra in volle uniform; men vertrok. In het paleis was alles nog in diepe rust; ook de straten waren stil en doodsch. De woning van Alisette voorbijgaande, wierp Bernard bespiedende blikken naar boven. De jalousieën waren nog gesloten. Jaromir daarentegen vestigde het oog op de breede spiegelglazen van het paleis en scheen de witte venstergordijnen met zijn blik te willen doorboren.
„Wat zoekt uw oog daar boven toch?” vroeg Bernard; „wend het liever hier naar deze zijde, want in een dezer huizen moet, naar zij mij gisteren zeide, de schoone Françoise Alisette wonen.”
„En daar woont....” riep Jaromir levendig, maar brak plotseling af, want een der venstergordijnen begon zich te bewegen, vloog omhoog, het raam werd geopend, en Lodoiska boog zich naar buiten.
Een donker purper verfde haar gelaat, toen zij de drie jongelieden ontdekte; maar ook Jaromirs wangen werden door een vurigen gloed overtogen en hij geraakte in zulk eene verwarring, dat hij bijna verzuimde te groeten, toen Bernard en Lodewijk zich reeds vriendelijk voor het meisje gebogen hadden.
„Welzoo, gravin,” sprak Bernard haar aan, „zijt gij niet bevreesd voor de morgenlucht? Kenners beweren, dat zij voor de schoonheid niet gunstig is!”
„Ik ben bijna altijd zoo vroeg in den tuin,” zeide Lodoiska eenigszins verlegen.
„Dan moeten de kenners zich grootelijks bedriegen,” was het snel gevatte antwoord.
Lodoiska sloeg de schoone oogen neder en glimlachte, zonder iets te antwoorden.
De vrienden bogen zich nogmaals en ontvingen een vriendelijken wedergroet; daarop verdween de schoone van het venster, en zij vervolgden hun weg.
Een blik in Jaromirs oog moest een zoo fijnen kenner van menschelijke gelaatstrekken als Bernard, zijn gansche hart verraden. Hij beminde en werd bemind, dat bewees zijne en hare onmiskenbare vreugde, schoon zij thans ook geen woord met elkander gewisseld hadden. Uit de ligging der vertrekken maakte Bernard ook dadelijk op, dat het niemand anders dan Lodoiska kon geweest zijn, die hij dezen nacht in de zaal gezien had. „Hm!” sprak hij en zag Jaromir vorschend aan, „de jonge gravin schijnt hier in huis het laatst en het vroegst op te zijn. Ik moet mij zeer bedriegen, wanneer ik haar gisteren niet als eene geestverschijning gezien heb.”
„Wat zaagt gij?” viel Jaromir hem haastig in de rede; „wat, bid ik u?”
„Hoe, zijt gij bang voor spoken?” vroeg Bernard een weinig spotachtig.
„O scherts niet,” smeekte Jaromir, half verdrietig, half verlegen; „zeg mij, wat gij gezien hebt, ik stel er belang in!”
„Ik zag lang na middernacht,” sprak Bernard met geheimzinnigen nadruk, „de kamerdeur van een jong officier openstaan, en hij zelf, hoe vermoeid hij van de reis wezen moest, was nog op.”
„Hebt gij geluisterd, Bernard, ik bezweer u,” riep Jaromir.
„Wat een kwaad geweten zich al niet inbeeldt!” luidde het schertsend antwoord. „Geluisterd? Neen! maar ik zag spoken, witte vrouwen, geheimzinnig gesluierde gestalten.”
„Gij maakt mij nieuwsgierig,” sprak Lodewijk. „Spoken, verschijningen? Vertel toch op!”
„Lieve vrienden!” riep Jaromir, zonder Bernards antwoord af te wachten, en greep beider handen, „ik wil u alles bekennen, daar ik toch reeds half verraden ben. Maar zweert mij geheimhouding, zoo mijn geluk u lief is.”
„Van harte gaarne,” antwoordde Lodewijk en gaf hem de hand.
„Bij den Styx,” zwoer Bernard, „schoon ik alles reeds weet of ten minste raden kan. Maar biecht op!”
„Lodoiska was de speelgenoot mijner jeugd; zij is mijne naaste bloedverwante. Wij hebben onuitsprekelijk gelukkige dagen op het landgoed van haren vader aan den Narew doorgebracht. Moet ik u bekennen, dat ik als knaap het schoone meisje reeds beminde? Zij was eerst dertien jaren oud, toen ik zeventien telde, maar bloeide als een liefelijke rozeknop en was reeds toen zoo goed, zoo verstandig, ach, duizendmaal beter dan ik! In dien tijd moest ik van haar scheiden, ik werd soldaat; dat is nu zes jaren geleden. Sedert heb ik door de halve wereld rondgezworven en in het wilde krijgsgewoel geleefd; maar gelooft gij wel, lieve vrienden, dat het beeld van het zachte kind mij overal verzelde en dat, hoe menig schoone Spaansche en bevallige Fransche ik ontmoette, nog geen vrouwelijk wezen een dieper indruk op mij gemaakt heeft dan zij? Maar de jaren en het krijgsleven doen veel vergeten! Wanneer ik aan mijn vaderland dacht, ja dan stond ook Lodoiska voor mij, doch telkens zeldzamer verscheen mij haar beeld en van lieverlede verloor zich het gevoel van heimwee, dat mij lang gekneld had, in de eeuwigdurende wisseling der gebeurtenissen. Wie nergens te huis is, wordt spoedig overal te huis!—Eerst toen wij de torens van Warschau voor ons zagen, ontwaakte het oude verlangen opnieuw in mijne borst, en ook Lodoiska's beeld zweefde mij weder zacht en liefelijk voor de ziel. Maar ik kon mij haar slechts als het kind van toenmaals voorstellen; wel herhaalde ik duizendmaal bij mij zelf, dat zij nu tot jonkvrouw moest zijn opgewassen, mijn hart echter zag haar nog als voorheen.”
„En mij dunkt, uw hart zag juist,” viel Bernard hem in de rede; „want hare ziel is nog die van een kind en blinkt door hare schoonheid heen als door een doorzichtig hulsel. Zelden vertoont zich de onschuld van het hart zoo open achter het helder kristal van het oog als bij haar; geloof mij, vriendje, ik versta dat, want reeds menigen engel heb ik geportretteerd, maar helaas ook menigen satan!”
„Gij neemt mij de woorden uit de ziel,” riep Jaromir met levendige vreugde. „Daarom waren wij dan ook dadelijk weder zoo vertrouwelijk als op den dag, toen wij elkander vaarwel zeiden. Zoodra ik haar gisteren avond goeden nacht gewenscht had en op mijne kamer alleen was, werd ik echter weder geheel mismoedig; verontrustende gedachten kwelden mij, ik wist niet, wat mij ontbrak. De maan scheen zoo helder, de nacht was zoo zoel, ik ging aan 't venster; op eens zag ik eene witte gestalte door de heesters van den tuin zweven. Wanneer zij het was, dacht ik, en gij haar een oogenblik spreken kondt! Ik vloog naar beneden, zocht haar in alle hoeken, doch te vergeefs. Eensklaps hoorde ik in de verte de tonen van een liedje, dat zij 's avonds gezongen had, ik ging op de zachte klanken af en ontdekte het lieve meisje in een priëel bij de springbron. Eerst wilde ik luisteren; maar spoedig werd ik gramstorig op mij zelf, trad eensklaps op haar toe en sprak haar aan.”
„Gij waart zeer stoutmoedig, lieve vriend,” viel Lodewijk hem op den zachten toon van bezorgde deelneming in de rede: „gij hadt daarmede veel kunnen bederven!”
„Dat gevoel ik thans ook; maar gisteren moest ik, ik kon niet anders, waarachtig niet!” antwoordde Jaromir met een tevreden lachje.
„_Habeas absolutionem, sed confiteri pergas_,” sprak Bernard met deftigheid, „mij dunkt, ik had evenzoo gedaan.—Maar de gravin, wat deed zij?”
„Zij was verschrikt, werd toornig, smeekte....”
„Ik ken dat,” merkte Bernard op; „is men nog niet dol en razend van liefde, dan wordt men het daardoor. Verder!”
„Maar zij reikte mij de hand en zag mij aan met dien engelreinen blik, en....” Hier liep het volle hart van den jongeling over, de reinste zaligheid straalde uit zijne oogen, verder spreken kon hij niet, hij viel Bernard, viel Lodewijk om den hals en drukte hen onstuimig aan zijne borst. „Lodewijk,” riep hij uit, „zij wil de mijne zijn; zacht weerstrevende gaf zij mij het zoete jawoord, maar ontvluchtte mij ook dadelijk met angstvallige gejaagdheid. Op dit oogenblik wellicht stort zij haar onbedorven hart voor hare moeder uit: o vrienden, hoe kan men nog gelukkiger zijn?”
Jaromir, die zich geheel aan de onstuimigheid der jeugd en der liefde overgaf, bemerkte niet hoe ernstig en diepgetroffen Lodewijk voor hem stond, hoe zelfs op Bernards voorhoofd sombere rimpels samentrokken. De eerste dacht aan zijne liefde, die als een vluchtig droombeeld uit de werkelijkheid was verdwenen; hij plaatste de schaduwgestalte van zijn eigen verleden naast het beeld der toekomst, dat den jongeling aan zijne zijde met blijde hoop en levenslust bezielde. De smart, die Bernard gevoelde, was wellicht nog bitterder, daar de liefde duisterder en dieper in zijne borst verscholen lag. Voor Lodewijk was zij eene aan den gezichteinder nedergedaalde zon, wier avondrood den ganschen nacht door naschemert, tot de heldere morgen aanbreekt en het koesterend gesternte herrijzen doet; voor Bernard slechts eene schoone, ongenaakbare ster, die een mat schijnsel in de diepste groeve der borst nederwerpt, zonder ze te verlichten. Wanneer Jaromir hem langer gekend, hem over het geheel beter in zijne diepste diepte doorgrond had, zoude hij uit zijn antwoord den waren toestand van zijn binnenste hebben kunnen opmaken.
„Geluk er mee!” sprak hij en schudde hem de hand; „gij kunt zalig zijn, ten minste gelukkig, of vergenoegd, of redelijk goed geluimd. Zachte armen zijn zachte ketens, maar het blijven toch ketenen. Eene kooi blijft eene kooi, al is zij zoo eng als de vogelknip, waarin men Jan van Leiden aan den dom te Munster te pronk hing, of zoo donker als het zwarte hol in Indië, of beide te gelijk, zooals het kot, waarin wij allen rondkruipen. Ik meen de aarde, namelijk die, waarop wij schijnlevend omwandelen, niet dat onmetelijke groote graf—kortom, zooals ik zeide, ketenen zijn ketenen en men mag zich gelukkig achten, als men nog een paar ongekortwiekte vlerken heeft, om in 't rond te fladderen. Maar wat wilde ik zeggen? Ja, nu begrijp ik ook de geestverschijning, die ik ontmoette, toen ik zelf rondwaarde en in de ridderzaal uit spoken ging.”
Jaromir zag hem verwonderd aan. Bernard verhaalde nu zijne ontmoeting in de zaal, waarbij hij echter zorg droeg zich zelf slechts als een zonderling te doen voorkomen, die gaarne bij nacht en ontijden in vreemde gebouwen rondsloop; de oorzaak, die hem gedreven had, alsook den argwaan, hem door Alisette ingeboezemd, verzweeg hij zorgvuldig.
Onder deze gesprekken hadden zij het doel hunner wandeling bereikt, de wapenplaats namelijk, waar Bernard en Lodewijk hun werkelijken dienst beginnen en zich in de eerste gronden oefenen zouden. Men vond reeds ruiters en onderofficieren van twee onvolledige eskadrons poolsche lanciers, die het nieuw op te richten regiment ten grondslag moesten dienen, verzameld. Jaromirs eerste werk moest zijn, uit deze verwarde bouwstoffen een geheel te vormen. Inmiddels vertrouwde hij zijne vrienden aan een ouden duchtigen groenrok, die hen in de behandeling van paard en wapen onderrichten moest. Johan Petrowski, een onderofficier, die nog onder Kosciuszko gevochten had, werd hun leermeester. Deze aanvaardde de hem opgelegde taak met een zekeren eerbied, die hem niet zoozeer de voorname stand zijner rekruten, als wel het ernstig doeleinde der zaak zelve inboezemde. Het gold de vorming van twee krijgslieden, die voor het vaderland zouden strijden, voor het heilige, dierbare vaderland, waarvoor hij zelf in zijn krachtigen, mannelijken leeftijd, toen zijn oude veldheer Kosciuszko Polens zonen te wapen riep, zoo gewillig bloed en leven in de waagschaal had gelegd. Thans naderde hij met rassche schreden den ouderdom; want als het weder lente werd, kon hij zich onder de zestigers tellen; maar den grijzen schedel, die reeds door zoo menigen sabelhouw geteekend was, bood hij nog met vreugde aan het lieve vaderland ten offer, en in het oude hart gloeide nog, als wijn die door de jaren slechts veredeld wordt, de oude, heilige vlam van vaderlandsliefde en heldenmoed. Onder het half kale, half met grijze lokken omkranste voorhoofd flonkerden twee vurige, met borstelige wenkbrauwen overschaduwde oogen; de arendsneus kromde zich statig over de ernstige lippen, die door den grijzen knevel, waarop Johan Petrowski een weinig trotsch was, ternauwernood zichtbaar waren. Zijn commando: rechts zwenkt! links zwenkt! marsch! en halt! sprak hij met denzelfden ernst, als de priester bij de mis het _Dominus vobiscum_! Zijne leerlingen gehoorzaamden hem met evenveel ijver als liefde; daardoor maakten zij snelle vorderingen, en meester en kweekelingen waren met elkander tevreden. Zoo spoedde de dag in dienstverrichtingen voorbij, en eerst tegen den avond was het den vrienden vergund in den kring hunner beminnenswaardige huisgenooten verademing en ontspanning te zoeken.