Part 18
Het gelaat van het meisje vertoonde een zoo zonderling mengsel van teederheid en schalkschheid, dat men nauwelijks wist, of zij het ernstig met de gravin meende, dan wel den spot met haar dreef. Intusschen, al ware ook het laatste het geval geweest, men had het haar toch moeten vergeven, daar het met eene zoo onweerstaanbare aanvalligheid geschiedde, dat aan toornig worden niet te denken viel. Aan de hand der gravin naderde Françoise het gezelschap, groette vriendelijk, alsof zij met allen bekend was, den kring rond, en nam vervolgens tusschen Jaromir en Bernard plaats. Zij begon terstond een vroolijk gesprek, waarin Bernard spoedig levendig deelnam; Jaromir scheen zich minder om de bekoorlijke burin te bekommeren, maar zette zijn vertrouwelijk onderhoud met Lodoiska voort. Alisette was nu vroolijk, dan weemoedig, met eene ongeloofelijke snelheid verviel zij van de eene stemming in de verst tegenovergestelde, zonder dat daarbij eenige opzettelijke toeleg of gemaaktheid te bemerken was. Hare gelaatstrekken vertoonden, 't zij uit gewoonte van op het tooneel de meest verschillende hartstochten uit te drukken, 't zij uit natuurlijken aanleg, den getrouwsten spiegel harer gewaarwordingen of liever harer woorden. Dit verleende haar eene geheel eigenaardige, bezwaarlijk te beschrijven aantrekkelijkheid; haar gelaat geleek in zeker opzicht dat van een kind in den vroegsten leeftijd, waarop zich ook de geringste opwellingen van smart of vreugde onmiddellijk inprenten. Niets echter evenaarde hare verrukking, toen zij hoorde, dat Bernard in Engeland en Schotland was geweest. „Ach,” riep zij uit, „zoo vind ik toch eindelijk iemand, met wien ik van het land spreken kan, waar ik mijne schoonste dagen doorleefd heb; schoon ook mijne treurigste,” voegde zij er eensklaps diep bedroefd bij. Bij de eerste woorden glansde haar gelaat zoo vroolijk als de lentehemel, en hare lachende lippen vertoonden het blinkendst parelsnoer van witte tanden; bij de laatste scheen eene donkere schaduw het vrije, heldere voorhoofd te omhullen en meende men haar flonkerenden blik door een traan verduisterd te zien.
„Uwe gelukkigste en treurigste dagen hebt ge daar doorleefd?” vroeg Bernard. „Van mij zelf kan ik bijna hetzelfde zeggen. Maar mag ik u vragen, wat uw geluk verstoorde? Want te willen uitvorschen wat het grondvestte, zou voorzeker te vermetel zijn.”
„Hoe moedwillig en ijdel op hetzelfde oogenblik,” riep Alisette met luimigen toorn uit, en fronste het voorhoofd in ernstige vouwen; „recht naar mannentrant; want waarlijk, gij allen beeldt u in, dat men slechts door u gelukkig kan worden.”
„En is het niet al bescheiden genoeg,” hervatte Bernard, de scherts beantwoordende, „dat ik voor het ongeluk ook andere gronden gelden laat?”
„Neen, daarmede moet gij niet spotten,” sprak Françoise weemoedig en zacht, zoodat zij hare woorden slechts tot Bernard richtte: „ik verloor mijne eenige, boven alles beminde zuster, die kort te voren weduwe geworden was en mij geen ander aandenken achterliet, dan haar nu ouderloos dochtertje Nadine, dat mij eenmaal het verlies der moeder vergoeden zal. Ach, mijnheer, gij zoudt niet gelooven, hoeveel jammer zich in dit leven kan opeenhoopen! Gij rijken en aanzienlijken weet niet met wat heillooze rampen de arme en vooral het hulpelooze meisje maar al te dikwijls overstelpt wordt! Doch laat ons daarvan zwijgen: het is hier de plaats niet van lijden te spreken; vertel mij liever, hoe het u in Engeland bevallen is.”
„Minder goed dan in Schotland,” antwoordde Bernard; „want hier boeide mij de wonderbare natuur des lands en der menschen; terwijl in Londen de wonderlijke niet-natuur der laatsten mij terugstiet. In Schotland vond ik duizendwerf meer voorwerpen voor mijn penseel—want ik ben schilder—dan in Engeland.”
„Gij zijt schilder!” riep Alisette vroolijk uit. „O, dat is heerlijk! Dan hebt gij zeker vele teekeningen medegebracht, die gij mij moet laten zien, want ook ik heb het land in alle richtingen doorkruist.”
„Zeer gaarne,” hernam Bernard; „doch voor elk blad dat ik u toon, moet gij een lied zingen!”
„Duizend, als gij wilt,” riep Alisette, en het laatste spoor van ernst of smart was van haar gelaat uitgewischt. „Of meent gij, dat ik niet gaarne zing? Ach, mijn gansche ziel is gelukkig, als ik maar zingen kan.” Bernard wilde juist antwoorden: „Wel nu, maak dan u zelve en tevens ons allen gelukkig,” toen hun gesprek door het binnentreden van een vreemde, den overste Regnard, werd afgebroken. Hij was een man van een trotsch voorkomen en wellicht veertig jaren oud, schoon zijne gelaatstrekken schenen aan te duiden, dat hij het leven sneller had genoten dan heilzaam pleegt te zijn. Zijn voorhoofd werd door het breede litteeken, dat zich van het oog tot de slapen uitstrekte, niet ontsierd; zijn blik verried nog slechts een afnemend vuur; zijne trekken waren scherp geteekend, belangwekkend, geestrijk, doch zonder levendigheid. Voor het overige vertoonde hij de fijnste ongedwongenheid in al zijne bewegingen en de bedaardheid in voorkomen en houding, die den Franschman zelden eerder dan op den leeftijd van den overste eigen wordt. De Duitscher verkrijgt ze tien jaren vroeger.
Regnard trad op de gastvrouw toe en begroette haar met de fijne wellevendheid van een man naar de wereld; voor de overigen maakte hij eene lichte, koele buiging; slechts Alisette wierp hij een vriendelijken, vertrouwelijken blik toe. „Ik zie hier iets,” begon hij na eenige oogenblikken, „dat mijn belangstelling dubbel gaande maakt; drie mij geheel vreemde heeren in eene mij even onbekende uniform. Mag ik u bidden,” dus wendde hij zich tot de gravin, „mij met mijne kameraden bekend te maken?” Zij stelde hem de nieuwe aankomelingen voor.
„Dus zal graaf Rasinski spoedig hier zijn?” vroeg de overste, toen hem de betrekking, waarin de jongelieden tot dezen stonden, werd bekend gemaakt. „Dat verheugt mij zeer, want wij hebben in Spanje en Italië menig heeten dag met elkander doorgebracht. Een voortreffelijk soldaat,” vervolgde hij, zich half tot de gravin, half tot de drie vrienden wendende; „de keizer kon de aanvoering van een vrijkorps aan niemand beter toevertrouwen. De graaf heeft den echten krijgsmansblik, hij overziet den samenhang van groote bewegingen en beoordeelt met scherpzinnigheid op welk punt de schijnbaar geringe hulp van onberekenbaar belang kan worden. De meeste hoofden van dergelijke korpsen tasten dáárin mis, dat zij hunne ondernemingen slechts op zich zelf beschouwen en uitvoeren. Het is goed en wel, dat men den vijand een transport levensmiddelen ontkaapt, zoo de kans gunstig is, of hem nu en dan van ter zijde bestookt en daardoor afmat; doch tot den uitslag der groote zaak doet zulks al zeer weinig af. De ware partijganger moet òf de rol der bij spelen, die den jager in de hand steekt op het oogenblik, dat hij losbranden wil; òf die van de muis, die het net doorknaagt, waarin de leeuw zich verward heeft.”
De overste sprak over krijgskundige onderwerpen met eene groote duidelijkheid en zeer beslist, zonder echter in den onaangenamen toon te vervallen, die steeds schijnt te vooronderstellen, dat men geheel onkundigen te onderrichten en hun uiterst belangrijke schatten van wetenschap heeft mede te deelen. Hij droeg zijne persoonlijke denkbeelden en gevoelens vluchtig, als dingen, die eigenlijk van zelf spreken, voor, en op zijne bovendien weinig veranderlijke gelaatstrekken vertoonde zich niets, dat op een vleiende goedkeuring van zijne geuite meeningen scheen te wachten. Daar Jaromir de opmerkingen van den overste toestemmend beantwoordde, waren beiden spoedig in een gesprek over de hedendaagsche wijze van krijgvoeren gewikkeld, dat Bernard en Lodewijk met belangstelling volgden. Dit trok hunne aandacht een weinig van het onderhoud der dames af en zij werden dus te aangenamer verrast, toen zich eensklaps eenige heldere klavierakkoorden lieten hooren. Het was Françoise Alisette, die tot zingen uitgenoodigd, met beminlijke levendigheid voor het speeltuig had plaats genomen en, terwijl zij als onwillekeurig eenige grepen deed, peinzend opwaarts blikte, als overleide zij, wat tot voordracht te kiezen.
„St!” sprak de overste. „Laat ons nu toeluisteren, mijne vrienden! Onherstelbaar verlies zou het zijn, zoo een toon dier zilverstem voor ons verloren ging.”
Allen richtten het oog op Alisette, die thans onder een zacht wiegelen van het bevallig hoofdje een fransche romance zong, wier smeltende melodie zij met verteederende innigheid voordroeg. Het was inderdaad een genot haar daarbij aan te zien; want zonder eenige gemaaktheid, zonder eenige gedwongenheid te verraden, stemden toch haar gebarenspel en de uitdrukking harer trekken met die woorden en tonen tot in de fijnste bijzonderheden overeen. De schoone golvende lijnen van haar gelaat schenen door den zachten adem der klanken bewogen te worden, gelijk de heldere spiegelvlakte van het meer zich aan het spel der lentekoeltjes al wiegelend aansluit. En welk eene wegsleepende tooverkracht lag in die heldere zilvertonen, die met zulk een zoet gevlei in het oor drongen, door zulke roerende beden het hart schenen te willen verteederen! Alles luisterde met ingehouden adem. Bernard liet zijne vorschende blikken in het rond gaan en had gaarne alles geportretteerd, wat in het vertrek oog en oor had, daar de aandoening, die op elks gelaat te lezen stond, ook aan elks wezen een eigenaardig schilderachtig karakter verleende. Steeds gewoon de uitdrukking der trekken uit de verborgenste diepten der ziel te verklaren, wijl hij overtuigd was, dat alle uitwendige bewegingen aan innerlijke roerselen gehoorzamen, schoon die voor onze zintuiglijke bevatting niet altijd dadelijk verstaanbaar zijn, beijverde hij zich ook nu, dit schoonste hiëroglyphenschrift te ontraadselen; bij welke poging men wel is waar niet zelden op even donkere dwaalwegen geraakt, als wanneer men de geheimen der egyptische grafsteden uit het duister beeldschrift der priesters tracht op te sporen. Intusschen trokken twee bijzonderheden zijne aandacht. Lodoiska scheen zelve minder door het gezang getroffen te worden, dan wel met gespannen, bijna angstige opmerkzaamheid den indruk gade te slaan, dien het op Jaromir te weeg bracht; de jongeling daarentegen was zoo geheel in den aanblik der zangeres verzonken, dat hij niet bemerkte, hoe deze op eene in het oog loopende wijs blikken en woorden bijna uitsluitend tot hem richtte. Nog een derde opmerking deed Bernard kort voor het einde van het lied, namelijk, dat de overste het laatste gedeelte zijner waarneming ook scheen gemaakt te hebben en daarover het voorhoofd in toornige rimpels trok. Bernard was te zeer geoefend in de school der ervaring, om uit hetgeen hij zag niet menige gissing af te leiden. Eenige uitdrukkingen der gravin hadden duidelijk genoeg te kennen gegeven, dat de overste zich aan de gunst der schoone Alisette bijzonder veel liet gelegen liggen, wanneer deze dus aan den bloeienden, jeugdigen Jaromir de voorkeur gaf, kon dit lichtelijk tot bittere onaangenaamheden aanleiding geven, daar de overste niet de man scheen, die een medeminnaar straffeloos zou kunnen dulden. Bij allen schijn van maagdelijke onschuld en reinheid, die in Françoises gedrag en wezen doorblonk, kwam het Bernard toch niet onmogelijk voor dat die schijn bedriegen kon. Te dikwerf reeds was hij in de gelegenheid geweest, te ondervinden, in welk eene mate de vrouwen door haar uiterlijk het innerlijke weten te vermommen, en hoe moeielijk het valt te beslissen, of eene schuldelooze blik uit eene schuldelooze ziel voortkomt. Hij had weinig grond om Alisette te verdenken, en wat hij zooeven opmerkte, kon, daar Jaromir juist tegenover haar stond, zoowel toeval als opzet zijn; intusschen was het, alsof eene stem in zijn binnenste hem heimelijk toefluisterde: de blauwe, heldere spiegel van dit water, dat zonnelicht en hemel zoo heerlijk terugkaatst, bedekt eene gevaarlijke diepte!—Daarentegen drukten Lodoiska's edele, zachte trekken onfeilbaar de diepste verborgenheid harer ziel uit, en zonder door de bekoorlijkheid dezer gestalte meer dan vluchtig getroffen te worden, scheen haar beeld hem toch gestadig toe te roepen: deze kunt gij vertrouwen; haar oog is ook haar hart.—Maar scheen niet dat zelfde oog, nu het zoo angstig op den jongeling gevestigd was, te kennen te geven: Jaromir, vriend mijner jeugd, u bemin ik uit den diepsten grond dezer trouwe borst? Moet ik zien, dat deze lokkende sirene u met den zilveren tooverdraad harer tonen omspint, om u aan mij te ontrukken?
HOOFDSTUK III.
Het lied was geëindigd. De gravin snelde op Alisette toe, greep hare hand, streelde haar vriendelijk de kin en zeide: „Hoe teeder, hoe zachtroerend! O, mij dunkt, zulke smeltende tonen moeten den hevigsten storm in de borst tot zwijgen brengen. Zij zijn de verzachtende olie, die de zeeman in de branding uitgiet, om de onstuimige golven te bedaren. Welk een geluk wanneer men eene zoo hemelsche vertroosting gestadig met zich omvoert!”
„Ach,” antwoordde Alisette met een half gesmoorden zucht, „zij mag het leed van anderen verzachten, de brandende wonde in den eigen boezem heelt zij niet!”
„Hoe?” sprak Lodewijk, „zoude op zulk een geschenk des hemels, de omgekeerde vloek van Cassandra rusten?”
„Hoe zoo?” vroeg de gravin.
„Zij,” was het antwoord, „verkondigde de waarheid en niemand geloofde haar; aan deze schoone profetes schenkt elk geloof; slechts haar zelve zou de zoete waarheid eeuwig onverstaanbaar blijven?”
Alisette scheen door deze aanmerking getroffen; Bernard, die ze gehoord had, trad nader en zeide: „Onze Cassandra heeft gelijk. In vele gevallen gelijkt de kunst aan de zon, die alles verwarmt en bezielt, maar zelve òf een koud lichaam is, òf een vuurkolos, die door eigen gloed wordt verteerd. Gewoonlijk vindt het laatste plaats. De wereld noemt de kunstenaars gelukkig, wijl zij geluk verspreiden; weinigen echter weten, hoe duur het kunstwerk dikwijls door den kunstenaar betaald wordt. Wilde ik een zachter beeld, zoo kon ik de gaven der kunst bij eene dauwende wolk vergelijken, die het veld met verkwikkende paarlen bestrooit, maar zelve verteert en in nevel verdwijnt.”
„O, dat is zoo waar,” riep Alisette met een weemoedigen blik; „hoe vaak was het mij, alsof ik in mijne tonen sterven moest, en welk een smartelijk zoeten dood!”
„Ik kan mij niet voorstellen,” hervatte Lodewijk, „dat de ware kunst niet eene troostende, opbeurende leidsvrouw door het leven zijn zoude, wier vleugel ons draagt en verkoelend beschaduwt, wanneer het pad door verzengde woestijnen leidt.”
„Dat doet zij ook,” riep Bernard, „als gij u eerst in zulk eene woestijn bevindt; maar daarvoor drijft deze schijnbaar zoo zacht leidende en troostende genius u ook met duivelsch geweld uit alle effene en gebaande wegen des levens de wildernis in; hij sleept u langs afgronden voort, sleurt u bij steile rotsen op en slingert u in de schuimende kolk van den woedenden oceaan, om u door de koude golven op de kust van het een en ander eenzaam eiland te doen uitwerpen.”
Lodewijk schudde ernstig het hoofd. „Wat gij zegt is gedeeltelijk waar,” hervatte hij; „doch gij schildert slechts de helft, spreekt slechts van de onstuimige nachten van het kunstenaarsleven, van de onweders der lentedagen, maar niet van den goddelijken dag, dien het voor u aanbreken, niet van de duizende bloesems, die het op uwe paden ontspruiten, niet van den zachten maneschijn, dien het tot in de meest verborgen diepten der treurende borst vertroostend schemeren doet.”
„Hoe dieper wonden, hoe zoeter troost; ziedaar alles in één woord gezegd,” antwoordde Bernard kort, hevig, schoon niet zonder een lichten zweem van weemoed.
De gravin en Françoise hadden met belangstelling het gesprek aangehoord. „Hoe vreemd is het toch,” sprak de laatste, „dat men niet zelden iets kent en ondervonden heeft zonder het eigenlijk te weten; hoe dikwijls heb ik dat alles gevoeld, en toch wordt het mij nu eerst recht duidelijk! Hoe benijd ik de mannen, die hunne gedachten en gewaarwordingen zoo klaar en helder weten uit te drukken! En gij hebt beiden gelijk,” sprak zij tot Bernard en Lodewijk, „ofschoon gij van verschillende meening schijnt te zijn.”
Het ernstig onderhoud was nog een tijdlang voortgezet, had niet de overste daaraan een einde gemaakt door zich tot Alisette te wenden en haar naar gezellig gebruik eenige verplichtende woorden over haar verrukkelijk gezang toe te voegen.
„Gij hebt ons getroffen, ik zou kunnen zeggen, te veel verteederd,” sprak hij; „maar ik weet, dat gij ons heimelijk uitlacht en u zelve wel bewust zijt, de tooverkracht te bezitten, waardoor gij de vroolijkheid even licht weder terugkeeren en opnieuw ronddartelen laat, als gij haar thans de moedwillige vleugels gebonden hebt. Wij weten dat gij niet slechts een Proteus zijt, die zich zelven, maar ook een Circe, die anderen naar willekeur verandert. Maar wat baat het, zich tegen de macht der bekoorlijke tooveres te verzetten? Zij zou des te moedwilliger aan hare luimen den teugel vieren; er blijft ons dus niets over dan tot bidden de toevlucht te nemen. Dat doe ik dan ook, schoone, grootmachtige gebiedster! Zou het u niet kunnen behagen, de donkere nachtvogels, welke gij door uw klaaglied uitgelokt hebt, te verdrijven en eenige bonte dagvlinders te doen rondfladderen, die zich met hunne glansrijke vlerken zoo liefelijk in de zonnestralen wiegelen?”
Alisette zag hem met een bevallig, schalkachtig lachje aan en gaf een welluidend: „Gaarne, zeer gaarne!” ten antwoord.—Bijna in hetzelfde oogenblik begon zij ook reeds het voorspel van een vroolijk liedje, dat zij met zulke heldere frissche tonen aanhief, dat men den leeuwrik waande te hooren, die op een schoonen lentemorgen over het bedauwde veld in den blauwen hemel opstijgt; en deze ochtendfrischheid verruimde ieders borst, zoodat zelfs de ernstige Lodoiska een tevreden lachje om haar lippen liet spelen.
Zoodra Françoise geëindigd had, sprong zij op en ijlde naar Lodoiska, die in den hoek van de sofa zat. „Nu, lieve gravin,” smeekte zij, „moet gij ook een lied zingen; uwe kleine, poolsche volksliederen hoor ik zoo gaarne, hoe weinig ik dan ook van de woorden mag verstaan.”
„O neen, neen,” hernam Lodoiska, haar zacht afwijzende, „hoe zoude ik mijn treurig gezang, mijne bevende stem na zulke liefelijke tonen laten hooren!”
„O, zij klinkt zoo teeder, zoo roerend! Of meent gij, dat ik u nooit beluisterd heb, wanneer gij soms laat in den nacht op uwe kamer die lieve liederen onbeschroomd voor u zelve zongt? Ja,” vervolgde zij, de hand van het blozende meisje zoet vleiend in de hare klemmende, „de nacht en open vensters verraden dikwijls de zoetste geheimen. Het kleine lied,” hier neuriede zij de eerste noten er van, „zou ik nu zoo gaarne eens hooren zingen, daar ik het reeds twee achtereenvolgende nachten gehoord heb.”
Lodoiska gloeide als eene donkere roos; want, zonder het te weten, had Françoise haar zeer in verlegenheid gebracht, daar de woorden van het lied hem, die het poolsch verstond, inderdaad hartsgeheimen moesten schijnen te verraden.
„Het lied,” sprak zij, „is eene herinnering uit mijne vroegste jeugd, toen ik het dikwijls van mijne moeder hoorde; zeer toevallig heb ik het twee avonden na elkander gezongen, daar de nachtegaal hier tegenover mij uit den slaap hield.”
„Zoo zing het ook den derden avond,” hervatte Françoise; „ik smeek er u om, lieve gravin!” Zij vleide hierbij zoo onwederstaanbaar, dat Lodoiska zeer dringende gronden moest gehad hebben, wilde zij deze bede afslaan. Zij zoude die wel is waar gaarne hebben ingebracht; doch thans besefte zij, dat het beter was in te willigen dan door weigeren aan de woorden van het lied, in plaats van eene toevallige eene werkelijke beteekenis te geven, te meer daar zij veronderstellen moest, dat Jaromir en de gravin het aan de melodie reeds herkend hadden. Zij liet zich dus, hoewel eenigszins verlegen, door de vleister naar het klavier geleiden, zette zich neder en begon:
Eenzaam richt ik mijne gangen Naar een stil en vredig oord, Waar geen vreugdetoon de zangen Van den droeven vogel stoort; In een sombre streek, Aan den zoom der beek, Vlei ik me op de bloemsprei neder:— Gij, ach, wanneer keert gij weder!
Op de wiek der bloesemgeuren Daalt de zachte lente neer, Vreugde en kalmte hun die treuren, Troost den droeven brengt zij weer; Bloem en loover spruit, Filomeele fluit De oude klachten, smeltend, teeder— Gij, ach, wanneer keert gij weder!
Zie 'k de zwaluw opwaarts stijgen, 't Nestje aan 't vreedzaam dak ontvlucht, Gaarne zou ik met haar tijgen Door het ruim der blauwe lucht. Wierd de wang me al bleek, Aan uw zijde eerst streek Ik op matte vlerken neder— Gij, ach, wanneer keert gij weder!
Als de beek haar kleine vlieten Rustloos voortstuwt naar het meer, Zal ik traan op traan vergieten, En die wel verdroogt niet weer. Ach, toeft gij nog lang, 't Leed wordt mij te bang, 'k Leg het matte hoofd ter neder— Gij, ach, wanneer keert gij weder!
Lodoiska had eene zachte, ongemeen roerende stem, welke zij uit beschroomdheid slechts zwakke tonen ontlokte, die echter door hunne zuivere uitdrukking aan de bevende, wegsmeltende klanken der windharp geleken. Vereenigd met den lichten blos, die, bij het denkbeeld dat de woorden van het lied de geheime gevoelens van haar hart schenen te verraden, haar edel gelaat kleurde, maakte haar gezang een geheel eigenaardigen indruk. Het was de maagdelijke onschuld zelve, die hier als het ware in tonen verzinlijkt werd; geen kunstwerk, maar een lieftallig beeld der natuur, door deze in een heilig oogenblik geschapen en met alle roerende bevalligheid des levens uitgerust. Gemakkelijk liet het zich verklaren, waarom Lodoiska het lied, dat zij gisteren nog zonder eenige beschroomdheid zou gezongen hebben, heden met eenige verlegenheid voordroeg. Daar zich toch sedert eenige uren in hare borst de eerste kiemen tot eene bijzondere betrekking dezer woorden op haar eigen leven begonnen te ontwikkelen, bracht dit duister gevoel die huiverige beklemdheid te weeg, welke zij anders niet zoude gekend hebben.—Eer dan het meisje, is de jongeling geneigd aan het louter toevallige, wanneer het met zijne wenschen overeenkomt, eene vaste bedoeling te hechten; derhalve waagde het Jaromir, en zijn hart klopte daarbij van onstuimige vreugde, deze woorden op zich zelf toe te passen. Hij bedacht, dat zij, gelijk Françoise verraden had, dit lied in de stille uren van den nacht placht te zingen. Had zij daarbij aan hem gedacht? Ja! Ja! zeide hij bij zich zelf en geloofde, wat hij zoo vurig wenschte. Deze vermeende bekentenis harer liefde ontvlamde dan ook de zijne tot een machtigen gloed; hij genoot het zeldzame geluk, niet te twijfelen, of de geliefde ook voor hem dezelfde neiging koesterde, maar meende ook haar hart reeds onthuld te zien. Wel is waar niet door haar eigen toedoen, want zij droeg het als de roos in den binnensten bloesemknop verborgen; maar de hand van een gelukkig toeval spreidde de zachte bladeren van den kelk uiteen en vertoonde het kleinood, dat daarin verholen lag; als een diamanten dauwdrup glansde het in den diepen bloemschoot, en in den luchtschijn, waardoor het omstraald werd, waande Jaromir zijn beeld te zien rondzweven.
Het was geene gedachtelooze, armzalige ijdelheid, die deze overtuiging in hem deed oprijzen, maar het vertrouwend geloof van een minnend hart, de koene hoop der jeugd, die vurige wenschen en blijde vervullingen in zoete beguicheling pleegt te verwisselen. Hier echter bedroog hij zich niet, schoon hij wellicht ook meer geraden had, dan verraden werd, ja, dan Lodoiska kon verraden, daar zij zich hare gevoelens nog niet volkomen bewust was.