1812: Historische roman

Part 17

Chapter 173,555 wordsPublic domain

Men moest scheiden. Rasinski drukte nog een eerbiedigen kus op de hand der moeder, een gloeiende op die, welke Maria hem sidderend aanbood, en snelde toen stom en zwijgend het vertrek uit; want hij gevoelde, dat zijne mannelijke kracht de smart niet langer kon beheerschen.

Op zijne kamer wachtte hem zijn rijknecht Andreas; Boleslaw was nog met inpakken bezig.

Juist kondigde het blazen van den postiljon de aankomst van den reiswagen aan. Andreas snelde naar beneden. Rasinski maakte van dit oogenblik, dat hij alleen was, haastig gebruik en opende Maria's geschenk. Hij vond een blad met het opschrift: „Aan den vriend!” en daarin een haarlok van het meisje, waarbij de woorden geschreven waren: „Aan den onvergetelijken vriend—de getrouwe, minnende, doch voor eeuwig van hem gescheiden vriendin Maria!”

Lang beschouwde Rasinski het geschenk met stomme smart; hij drukte het aan zijne lippen, aan de borst. Andreas trad binnen. „Alles is reisvaardig, heer graaf!”

Eene koortsachtige rilling beving hem. „Zoo geef mij den mantel,” riep hij haastig en kortaf, wikkelde zich daarin, drukte de reismuts diep in de oogen, snelde naar beneden, wierp zich met Boleslaw in den wagen en rolde in den nacht voort, die zich, als een beeld zijner toekomst, zwart, duister, door geene vriendelijke star verlicht, over de aarde gelegerd had.

DERDE BOEK.

HOOFDSTUK I.

Het was op een Zondag in den laten namiddag, dat Jaromir, Lodewijk en Bernard van eene hoogte de torens van Warschau zagen blinken. De weg had lang door een dicht dennenwoud geleid, dat geen uitzicht vergunde; thans sloeg hij een hoek om en steeg tegen een met heide en braamstruiken bewassen heuvel op, van welks kruin men de gansche landstreek konde overzien. Aan de uiterste grenzen rezen Warschau's trotsche paleizen en torenspitsen statig omhoog. De Weichsel slingerde een wijden boog om de velden en schemerde met zilverglans tusschen het smaragdgroen der oevers; eene reeks van zeilen liet de richting van den stroom tot in de blauwe verte vervolgen. De vurige Jaromir riep den postiljon een driftig „halt” toe en sprong met van vreugde flonkerende oogen uit den wagen. „Dat is mijne vaderstad!” riep hij uit, „sedert acht jaren heb ik haar niet gezien, maar nog ken ik elk huis, elken gevel, elke torenspits hier in den ganschen omtrek. Komt, vrienden, stapt ook uit en laat ons te voet den heuvel afstijgen. Hier door het braambosch loopt een pad, dat langs weilanden en korenvelden weer op den grooten straatweg brengt. Onder 't voortwandelen zal ik u de merkwaardigste plaatsen hier in 't rond aanwijzen; want zoover uw oog reikt, ziet gij geen kerktoren, waarbij geene poolsche helden begraven liggen, die voor het vaderland vochten en sneuvelden. Ach, wanneer zal deze grond eindelijk het zaad der vrijheid zien bloeien, dat onze vaderen met hun bloed bevochtigden!—Ziet gij dat dorp, dáár recht voor ons uit? Dat is Wielka Wola, waar Kosciuszko in 1794 gevochten heeft; hier links tegenover, achter het dennenbosch, ziet gij den spitsen toren van Opalin, en verder naar beneden dien van Wawryscew. Op beide plaatsen stroomde het poolsche bloed in 't zelfde jaar, en bij Opalin viel mijn oom Kasimir, graaf Brescinsky! O vrienden, hier ligt menigeen begraven, die bloedige tranen waard is. Ik had liever gezien, dat wij tegen het opgaan der zon hier waren aangekomen; want het beteekent niets goeds, dat ik die torens mijner vaderstad in 't goud der avondzon zie blinken!”

Hij schudde zwaarmoedig het hoofd en eene uitdrukking van edele gramschap omwolkte het vrije, heldere voorhoofd.

„Gij zijt een slecht waarzegger,” riep Bernard uit; „ik wil u de toekomst anders uitleggen. Ziet gij uw vaderland niet in de lente weder, waarin alles kiemt, ontspruit en bloeit? Dringen niet zelfs uit graven bloemen te voorschijn en golfden niet alle boomgaarden, die wij voorbijreden, gelijk eene zee van bloesems, als de zachte lentewind door de toppen blies? Tegen den herfst voorspel ik u rijpe vruchten, dan zult gij het gezaaide inzamelen en een oogstfeest vieren, dat vreugde en jubel het gansche land doen weergalmen!”

„Gij zijt een profeet,” riep Jaromir met wilde onstuimigheid en klemde Bernard vast in zijne armen; „als uw woord vervuld wordt, dan mag vrij de juichtoon op mijn graf klinken, wanneer ik slechts weet, dat vrije, gelukkige, poolsche aarde mij dekt!”

Onder dit gesprek hadden de jongelingen den voet des heuvels bereikt en traden op een bevallig pad tusschen vruchtbare akkers voort, terwijl Jaromir voortging hem op geschiedkundig merkwaardige plaatsen in den naasten omtrek opmerkzaam te maken en tevens de gebeurtenissen te vermelden, door welke de poolsche naam zich daar vereeuwigd had. Lodewijk luisterde slechts toe, maar nam toch een warm aandeel in het gesprokene, terwijl hij in stilte dezelfde wenschen voor zijn vaderland ontboezemde, welke Jaromir zoo luid en vurig voor de Polen geuit had. Na een groot half uur bevonden zij zich weder op den grooten rijweg, stegen in en ijlden in snellen rit op de poorten der hoofdstad toe.

Achter Wielka Wola werd het landschap door wandelaars, ruiters en wagens uit de stad verlevendigd. Jaromir zag met zijne bliksemende, zwarte oogen scherp in het rond, of hij niet ergens een oud vriend of bekende ontdekken kon. Intusschen scheen het geluk hem in dit opzicht niet gunstig, en half verdrietig riep hij uit: „Het is waar, in acht jaren wordt men vreemd in zijn eigen vaderland; naar het schijnt, ken ik hier niemand meer en wordt zelfs nog veel minder door iemand herkend!” Nauwelijks had hij deze klacht ontboezemd, of men hoorde uit een, het hunne in snellen draf voorbijsnellend rijtuig eene vrouwelijke stem de woorden roepen: „Graaf Jaromir, is het mogelijk? Zijt gij het, of bedrieg ik mij?” Jaromir had zich reeds bij het eerste woord omgewend en riep, geheel vergetend dat hij zich op den openbaren weg en in een vreemd gezelschap bevond, vol vuur uit: „Gravin Micielska! Groote hemel, gij herkent mij nog?”

De beide koetsiers, een gesprek tusschen den graaf en de dame aangeknoopt ziende, hielden de paarden in. De gravin was eene vrouw van eene rijzige, verheven gestalte; zij kon misschien dertig jaren oud zijn, maar haar zwart oog fonkelde nog met jeugdig vuur van onder het glanzend witte, hooge voorhoofd, dat door rijke, donkere lokken overschaduwd werd. In hare jeugd moest zij betooverend schoon geweest zijn. Bernard met zijn geoefend schildersoog, had haar bij den eersten aanblik voor eene zuster van Rasinski herkend, nog eer Jaromir haar als zoodanig met zijne geleiders bekend maakte. Deze overhandigde haar een open brief van haren broeder, die de beide vrienden aan de gastvrije zorgen zijner zuster dringend aanbeval. „Hoe verheugt het mij,” sprak de gravin, nadat zij de weinige regels haastig gelezen had, „dat ik u hier dadelijk bij uwe aankomst aantref! Het spreekt van zelf, dat gij bij mij uw intrek neemt; de tijd van uw verblijf zal, vrees ik, maar al te kort van duur zijn; gij kunt het mij dus niet ten kwade duiden, dat ik mij elk oogenblik ten nutte wil maken om berichten van mijn broeder en zooveel andere lieve bekenden en landslieden in te winnen. Derhalve moet gij mij de zelfzucht vergeven, waarmede ik u tot mijne huisgenooten of, zoo gij wilt, tot gevangenen in mijn huis maak.” Zij sprak deze beleefde woorden, door welke zij aan hare gastvrijheid eene zoo bescheiden inkleeding gaf, met evenveel warme hartelijkheid als innemende vriendelijkheid, zoodat men duidelijk bespeurde, dat het haar genoegen deed, den jongen landsman weder te zien en hem, benevens zijn geleiders, in hare woning te ontvangen. Jaromirs levendige dankbetuiging ontweek zij door te verklaren, dat zij snel vooruit wilde rijden, ten einde het noodige ter ontvangst harer gasten in gereedheid te brengen, daar men toch van het eene rijtuig in 't ander het gesprek niet onbelemmerd kon voortzetten. Haar koetsier liet den vurigen schimmels de volle teugels, zij boog zich vriendelijk groetende en het rijtuig rolde voort.

„Een heerlijk voorteeken!” riep Bernard, „dat mij gunstiger voorkomt, dan de twaalf gieren, die Romulus op den Aventinus zag vliegen. In eene stad waar eene zoo verheven Juno ons welkom heet, moet de Olympus ons wel geopend worden.”

Jaromir glimlachte en knikte toestemmend met het hoofd.

Onze vrienden bereikten de poort, waar zij zich als vreemdelingen eenig oponthoud getroosten moesten; eerst tegen het invallen van de duisternis kwamen zij voor het paleis der gravin aan. Het was een groot gebouw, in edelen, schoon eenigszins ouderwetschen stijl opgetrokken; zoodra de wagen stilhield sprongen twee bedienden op het portier toe, een derde ontving de uitstijgenden en voerde hen, met den zilveren armblaker voorlichtende, naar de voor hen bestemde vertrekken. „De gravin,” zeide de kamerdienaar, „laat den heeren verzoeken, zich eerst van de overtollige reiskleeding te ontdoen en dan, zoodra het hun mogelijk en aangenaam is, in de zaal te komen, waar zij op de thee gewacht worden.” De vrienden hadden spoedig hunne reisjassen afgelegd en zich in de uniform gekleed van hun nieuw op te richten regiment. Reeds vroeger waren zij onderling overeengekomen, dat Lodewijk en Bernard hunne ware namen afleggen en vreemde aannemen zouden; de eerste had zich door eene kleine omzetting zijner naamletters Soren geheeten; Bernard, aan eene ontmoeting aan het Loch Lomond in Schotland denkende en over het geheel het zonderlinge beminnende, gaf zich voor een graaf Lomond uit.

Thans begaven zij zich naar de gezelschapszaal der gravin. In de deur trad deze hen reeds te gemoet en heette hen nogmaals welkom. Nu zag men eerst hoe rijzig en edel hare gestalte was en hoe zij ook in dit opzicht volkomen haren broeder geleek. „Laat ons plaats nemen,” zoo wendde zij zich tot de binnentredenden, „vooreerst moet gij mijner vrouwelijke nieuwsgierigheid de vraag vergeven, wie ik het genoegen heb mijne gasten te noemen, want mijn broeder heeft mij slechts geschreven, dat graaf Jaromir door twee vrienden verzeld zou zijn. Naderhand zal ik u uitvragen zelfs over de kleinste omstandigheden; want niets is mij onverschillig van hetgeen op mijn broeder en dezen krijg betrekking heeft.” Zij had zich bij deze woorden op de sofa nedergezet; de heeren namen naast en tegenover haar op de stoelen plaats.

„Nu zeg mij, Jaromir,” begon de gravin, „wie zijn uwe geleiders en wat beweegt hen, als vreemden, de poolsche monteering te dragen?”

„Ieder zal best voor zich zelf kunnen spreken,” antwoordde Bernard. „In mij ziet gij een half schotschen graaf, schoon op duitschen grond geboren; echter geloof ik, dat mijn graventitel niet meer waard is dan mijn graafschap, dat ik voor 't spiegelbeeld eener schaduw stellig niet te goedkoop verkoopen zou. Intusschen, wie prijs stelt op een beroemden naam, kan met dien van graaf Lomond tevreden zijn. Wat mij betreft, ik beken, dat ik op mijn stand trotscher ben dan op mijn rang, en vandaar mijn penseel hooger schat dan mijn wapen. Gij bemerkt, genadige vrouw, dat gij een schilder voor u hebt, die, zoolang hij leeft, is verplicht geweest een graaf den kost te geven, waarvoor deze, en dat is misschien zijn eenige deugd, hem van harte dankbaar is.”

„Dus kon,” hervatte de gravin glimlachend, „uw penseel uw wapen kleuren.”

„Wellicht,” hernam Bernard, „doch dit is zeker, dat het de laatste arbeid zal zijn, dien het onderneemt.”

Zonder eene vraag af te wachten, maakte nu ook Lodewijk zich bekend en gaf als reden van zijn dienstnemen de neiging op, welke hij, zoowel als zijn vriend, sinds lang voor 't krijgsleven gekoesterd had; verder verklaarde hij, dat zijne kennismaking met Rasinski hem bij voorkeur de poolsche uniform had doen kiezen.

„Hoe verheugt het mij,” sprak de gravin, „dat vriendschap voor mijn broeder u tot vrienden der zaak van ons vaderland gemaakt heeft. Ja, wij verwachten en hopen veel van den krijg, die thans wordt voorbereid; het zal voor ons een heilige kampstrijd zijn.”

„Dat is mede een van de oorzaken,” hervatte Lodewijk, „waarom ik, schoon Duitscher, in eene poolsche legerafdeeling wenschte te dienen; want de zaak van Polen is ongetwijfeld rechtvaardig, roemrijk en schoon. Als Duitscher gevoel ik geene roeping om voor den roem des franschen keizers te vechten; in den toestand, waarin mijn vaderland, dat bijna even ongelukkig is als Polen, zich bevindt, kan ik daarvoor het zwaard niet trekken. Het duitsche leger valt daarbij slechts de half eervolle taak ten deel, den roem der oude duitsche dapperheid te handhaven; een hooger doel, waarvoor onze landslieden hun bloed storten konden, bestaat voor het tegenwoordige niet.”

„Ik geloof zelfs,” hernam de gravin, „dat de meesten liever wenschen zouden overwonnen te worden, dan te overwinnen.”

„Voorzeker,” antwoordde Lodewijk. „Intusschen zou ik mij zelf niet onvoorwaardelijk onder dezulken willen rangschikken. Duitschland heeft behoefte aan eene andere vriendschap dan die, welke Rusland ons zoude aanbieden. De ruwe kracht van dezen reusachtigen noordschen kolos mag mijn vaderland dienstig zijn, om het aan den invloed van vreemden, waaronder het thans zucht, te ontrukken, ik vrees bijna, dat deze dienst ons duur zou te staan komen, en dat wij ten slotte wellicht slechts van heer en gebieder zouden verwisseld hebben. Moet ik mij aan iemand onderwerpen, niemand zal mij ten kwade duiden, dat ik liever aan de kracht van een machtigen geest, dan aan ruw stoffelijk geweld wensch te gehoorzamen.”

„Buiten twijfel,” riep Bernard levendig uit; „een man van eer, die tusschen het zwaard en den knoet de keus heeft, kiest het eerste. Wij konden geene betere plaats vinden om Rusland te leeren wantrouwen, dan juist Polens hoofdstad, waar de wind nog de aschhoopen van den brand doet opstuiven, dien een barbaarsch vijand in deze muren slingerde.”

„O,” riep de gravin met smartelijke aandoening, „wij kunnen nog de brandwonden aantoonen, en het weeklagen des jammers, dat toenmaals opsteeg, is nog niet gesmoord. Schoon jong, was ik getuige van die afgrijselijke gebeurtenis en hare zwarte schrikbeelden staan mij voor eeuwig in het geheugen gegrift. Eer kan ik mijn naam vergeten, dan dat gevoel van onmachtige vertwijfeling, dat toenmaals mijn en ieders hart verscheurde.”

Na deze woorden stond zij in hevige gemoedsbeweging op en ging eenige malen de zaal op en neder. De mannen zwegen; eindelijk begon Jaromir: „Het zal nu anders worden; de boete, die door de hand der wrekende geschiedenis aan ons vaderland is opgelegd, loopt ten einde. De tijd is nabij, gravin, dat wij uit onze babylonische ballingschap weer naar den haard der vaderen terugkeeren.”

De gravin scheen slechts de eerste woorden van Jaromir te hebben gehoord. „Het _zal_ anders worden?” vroeg zij, voor den jongeling stand houdend. „Het _moet_ anders worden. Schoon het nog duizend jaren zoo voortduurde, de stem in mijne borst zou luid blijven uitroepen: het _moet_ anders worden. Of waant gij, dat de moeder die gebonden ter aarde ligt, terwijl moordenaars haren zuigeling slachten, aan een vergeldenden God slechts _gelooft_? Zij _ziet_ hem; zijn wrekende arm _moet_ de bloedige gruweldaad straffen. Hij _moet_, of het gewelf des hemels is doof en ledig en niemand heerscht in het eindeloos niet.” Bij deze laatste woorden had zij de hand half tot eene bedreiging, half tot eene gelofte omhoog geheven; haar oog straalde van een donkeren gloed, een edele onwil kleurde haar gelaat. Slechts aan den vochtigen glans van een traan, die nog aan hare wangen hing, bemerkte men een spoor van de zachtere stemming, waaraan de hartstochtelijke drift haar geheel ontrukt had.

„Hoe dikwijls ik mij voorneem,” sprak zij na eenig zwijgen, terwijl zij weemoedig het hoofd schudde en de opgeheven hand weder zinken liet, „mijn gevoel te beteugelen, telkens overweldigt het mij opnieuw! Ach, deze smart verstompt of verouderd niet in onze borst! Met elke zon verrijst zij als opnieuw, maar met geene gaat zij onder.”

Op dit oogenblik drongen de welluidende tonen eener zachte zilverstem, door de luwe lucht van den Meinacht voortgedragen, wel uit de verte, maar toch helder en verstaanbaar door de open vensters der zaal; smeltende akkoorden eener harp vermengden zich met de zoete melodie. Allen luisterden met ingehouden adem.

„De lieflijke sirene, Françoise Alisette,” sprak de gravin glimlachend; „o, die tooveres heeft reeds menigwerf de zwarte droombeelden verbannen, die zoo zwaar op mij rustten. Het is eene jonge zangeres, eene Fransche, sinds enigen tijd aan het tooneel dezer stad verbonden.” Men luisterde aandachtig naar het bekoorlijk gezang; toen het verstomd was, trok de gravin aan de schelkoord en sprak eenige woorden tot den binnentredenden kamerdienaar. Deze ging. „Heden avond wacht ik het bezoek van eenige vriendinnen,” wendde zij zich tot hare gasten; „het zal u toch niet onaangenaam zijn...” Zij werd verhinderd voort te gaan, daar de deur van een aangrenzend vertrek zich opende en eene jonge dame in lichte witte lentekleeding binnentrad.

De mannen sprongen ijlings van hunne stoelen op, de gravin ging de komende te gemoet, nam haar bij de hand en stelde haar voor met de woorden: „Mijne huisgenoote; den naam verzwijg ik, om graaf Jaromirs geheugen op de proef te stellen.” Jaromir beschouwde de schoone gestalte met de uitdrukking van verwarde bevreemding, welke een zoodanige eisch tot herkennen altijd te weeg brengt, wanneer men van de getrouwheid van zijn geheugen niet volkomen verzekerd is. De edele trekken der onbekende werden door een bevallig blosje verfraaid. De maagdelijke schuwheid, die hare geheele houding kenteekende, verleende haar bijna het voorkomen van eene kloosterlinge, waartoe ook de lange, witte sluier het zijne bijbracht, die, met gouden naalden in het donkere haar bevestigd en bevallig achter de lokken teruggeslagen, langs de bloeiende wang nedergolfde en over de schouders tot aan de knie afdaalde. De ranke leest, die de lichte zomerkleeding veeleer deed uitkomen dan verborg, het beschroomde, weifelachtige in de houding, het beschaamde lachje, de schuwe en toch vertrouwelijke blik voltooiden de betooverende aanvalligheid, die in de gansche verschijning gelegen was.

„Waarlijk,” riep Jaromir eindelijk, „ik ben geheel beschaamd; wanneer gij dochters hadt, gravin....”

„Dan zoudt gij nog verkeerd raden,” viel deze hem in de rede.

„Ik was nog te jong,” begon het meisje met een welluidende stem, „om op eene plaats in het geheugen, zelfs van een naasten bloedverwant, billijk aanspraak te kunnen maken.”

Na dezen wenk vestigde Jaromir scherper vorschende blikken op het bekoorlijke wezen, dat hem met zachte innemendheid toelachte, als wilde zij zeggen: „Nu, herkent gij mij nog niet?” Daar riep hij eensklaps uit: „Lodoiska, zijt gij het?”—„Eindelijk gevonden,” sprak de gravin; doch Jaromir had de hand van Lodoiska reeds gegrepen, kuste ze vurig, klemde het schoone, blozende meisje teeder aan zijne borst en drukte haar den naar poolsche gewoonte veroorloofden kus op het blanke voorhoofd. Zij beantwoordde deze vertrouwelijke begroeting wel een weinig verlegen, maar toch met innige hartelijkheid.

„Beider nu reeds lang overleden vaders waren broeders,” sprak de gravin tot Bernard en Lodewijk. „De stervende moeder heeft mij dezen kostbaren schat nagelaten. Zij was mijne geliefde vriendin,” voegde zij er weemoedig bij, terwijl haar oog met teedere belangstelling op Lodoiska rustte. „Mijne pleegdochter en haar neef Jaromir zijn te zamen opgevoed en beschouwden elkander van hunne jeugd af als broeder en zuster.”

Inderdaad had zich de vertrouwelijkheid tusschen de vroegere speelgenooten zeer spoedig weder hersteld; Jaromir plaatste zich aan de zijde van Lodoiska, liet hare hand niet weder uit de zijne en deed duizend vragen, welke zij met de innigste belangstelling beantwoordde. Intusschen verstonden Lodewijk en Bernard weinig of niets van het gesprek der beide gelukkigen, die zich met de herinneringen hunner jeugd, zooals natuurlijk was, in hunne moederspraak bezighielden. Het duurde niet lang, of men hoorde het rollen van een rijtuig, en spoedig daarop traden twee bejaarde dames binnen, welke de gravin als hare vriendinnen voorstelde. Het gesprek werd nu algemeen en bijna uitsluitend in het fransch gevoerd; echter richtte de gravin, die vloeiend duitsch sprak, zich ook dikwijls in deze taal tot hare beide gasten, daar zij die taal lief had en in de edele wijze, waarop vooral Lodewijk zich daarin wist uit te drukken, ongemeen behagen schepte.

HOOFDSTUK II.

Men was op deze wijze in een zeer levendig onderhoud gewikkeld, dat niet belemmerd werd, ofschoon het zich dikwijls in drie verschillende talen kruiste.

„Het zou mij verwonderen,” sprak de gravin, „zoo de overste uitbleef, die toch anders niet licht een avond bij mij pleegt te verzuimen. Schoon ik zeer goed weet, dat niemand mijner huisgenooten hem eenig belang inboezemt, treft hij hier niet zelden een lieveling aan, en ook heden zal dat het geval zijn, hoewel ik hem die verrassing aanvankelijk niet had toegedacht.”

„En wien bedoelt gij?” vroeg Bernard met eene beleefde wending; „wien kondt gij nog verwachten, die beter in staat was een man aan dit huis te boeien, dan de reeds verzamelde dames?”

„Dat blijft, ik hoop nog slechts eenige minuten, mijn geheim; dan zal ik u door de daad kunnen antwoorden. Maar waarlijk, ik kan het nu reeds,” riep de gravin, naar de deur ziende, en zij ijlde de jonge dame te gemoet, die juist binnentrad. „O, hoe vriendelijk,” sprak zij de komende aan, „dat gij op mijne late uitnoodiging zoo bereidwillig ja hebt gezegd. Maar uwe tonen boezemden mij zulk een onwederstaanbaar verlangen naar u zelve in, dat ik niet nalaten kon het onbescheiden verzoek te wagen.”

„Moet gij mij dan altijd beschamen?” hernam Françoise Alisette, want zij was de binnentredende, met eene betooverende welluidendheid in toon en stem, en boog zich, om met kinderlijke teederheid, maar tevens ook met eerbied voor den hoogen rang der rijke gravin, de hand van deze aan hare lippen te drukken. De gravin verhinderde dit echter en kuste het bekoorlijke meisje recht hartelijk op den frisschen rozenmond.

„Gij weet immers maar al te goed,” sprak deze, „dat het mij onuitsprekelijk gelukkig maakt een avond bij u te mogen doorbrengen.”