Part 16
De avond verstreek in die weemoedige innigheid, welk een vertrouwelijk bijeenzijn in dagen van kommer en rampspoed doet geboren worden. Rasinski vertrok later dan hij zich had voorgesteld. Den volgenden morgen begaf hij zich vroegtijdig naar de woning van den kommandant, om bij een hem bekenden officier van het bureau naar den staat der zaken onderzoek te doen. Tot zijne geruststelling vernam hij, dat de kommandant zich op eene welwillende wijze over Lodewijks moeder en zuster uitgelaten en bepaald had, dat men, in geval er geene overtuigende gronden tot verdenking tegen de beide dames voorhanden waren, van alle verdere vervolging moest afzien. Met dit vertroostend naricht haastte hij zich de bezorgde vrouwen te verrassen. Toen hij in het huis trad, ontmoette hij reeds een fransch beambte, die het huis verlaten wilde. Deze had op bevel van den kommandant zoowel Maria als hare moeder reeds in den vroegen morgen verhoord; beiden konden natuurlijk niets anders opgeven dan hetgeen zij wisten, en zulks was zoo weinig, dat men onmogelijk eenige verdere vervolging tegen haar in het werk kon stellen. Gelukkigerwijze bevonden zich onder de in beslag genomen papieren ook brieven, door Lodewijk uit Italië en Zwitserland, kort vóór en na zijne ontmoeting te Duomo d'Ossola geschreven die daarvan geene de minste melding maakten. Deze omstandigheid hielp het hoogstwaarschijnlijk maken, dat beide vrouwen geenerlei aandeel in of kennis van het voorval hadden, dat Lodewijks vervolging ten gevolge had. Na eenige uren werden haar de gezamenlijke papieren ook werkelijk teruggezonden met de verzekering, dat zij verder geene vervolging, hoegenaamd ook, te duchten hadden.
Deze bezorgdheid was derhalve geweken; intusschen bleef Rasinski nog de moeielijke taak over, de bezorgde moeder en zuster met het eigenlijke lot der beide vluchtelingen bekend te maken. Hij verschoof dit opzettelijk zoo lang mogelijk; middelerwijl kon hij der vrouwen een door Jaromir overgezonden brief van Lodewijk langs een omweg doen toekomen. Zonder opgave van plaats behelsde deze slechts eenige regels waarin Lodewijk het welgelukken zijner vlucht benevens zijn en Bernards welstand berichtte. Rasinski wilde bij de vrouwen niet als medeweter bekend zijn, vóór hij Dresden verlaten kon, om welke reden hij alle nadere verklaringen tot op weinige uren voor zijne afreis uitstelde.
HOOFDSTUK XI.
Met een bezwaard hart ging hij, na alles in gereedheid gebracht te hebben, tegen het vallen der schemering tot haar, om afscheid te nemen; dat hij komen zoude, had hij reeds vooraf laten weten.
Maria opende hem; zij bevond zich alleen. Eene huiselijke aangelegenheid hield de moeder eenige oogenblikken in een ander vertrek bezig.
„Zoo komt dan werkelijk de laatste vriend om afscheid van ons te nemen?” sprak zij, Rasinski in zijne reispels voor zich ziende.
„Binnen weinige uren heb ik deze muren achter mij,” antwoordde hij. Beiden zwegen eenige oogenblikken, deels uit aandoening, deels uit verlegenheid. „Kan de troost mij vergezellen,” vroeg de graaf op een zacht smeekenden toon, „dat gij mij niet zoo ras vergeten wilt, als de tijd onzer verkeering kort was?”
„Kunt gij dat vragen?” hervatte Maria diep geroerd. „U, die ons in de verschrikkelijkste dagen van ons leven alles waart, van wien wij ook thans nog alles verwachten, wat onze smart lenigen kan!”
„O, wanneer ik dat konde, wanneer ik haar slechts nog niet vermeerderen moest!”
„Hoe?” vroeg Maria, in bange verwachting, en staarde hem verschrikt aan.
„Wij willen daarover spreken, als uwe moeder komt; thans....”
„Ik zal haar roepen,” riep zij angstig en wilde voortsnellen.
„Neen, neen, blijf!” bad Rasinski en greep hare hand; „in dit oogenblik heb ik een woord met u _alleen_ te spreken.”
De toon, waarop hij deze woorden sprak, zijn innige, warme handdruk, nog meer echter de geheime wensch van haar kloppend hart hadden Maria alles onthuld wat hij haar bekennen wilde, eer nog een woord aan zijne lippen ontvloeid was. Als een bliksemstraal schoot het haar door de ziel, dat zij beminde en bemind werd. Door een zoeten schrik overweldigd, stond zij bevende, niet in staat een woord uit te brengen, met neergeslagen oogen voor hem.
„Kunt gij mijn levenslot met mij deelen, Maria?” sprak Rasinski, wien de seconden kostbaar werden, met eene ernstige, bevende stem. „Ik pers u geen beslissend _Ja_ af; slechts dan, als gij een beslissend _Neen_ uitspreken moet, slechts dan antwoord mij. Wij staan voor eene toekomst, die niemand zijn aanstaand noodlot laat overzien of zelfs laat vermoeden; het zij verre van mij, u thans mede in den stroom te willen slepen, welks golven mij spoedig zullen voortsleuren. Niets zal u binden, ja, ik zou zelfs het onherroepelijk ja! terugwijzen, wijl mijn geweten mij verbiedt het aan te nemen. Dit echter moogt gij mij zeggen en dit mag ik u vragen, of ik, als de storm uitgewoed en de stroom mij niet verzwolgen heeft, of ik dan mijn oog nog weder naar dezen vriendelijken oever richten mag?”
Maria's ziel werd onder deze woorden door eene onnoembare smart vaneengereten. De eerste bedwelming was voorbij, zij had het oog geopend en zag voor welken afgrond des jammers zij stond. De schuld der dankbaarheid, die haar aan Rasinski boeide, zijn hoogere stand, zijne meer eerbied dan vertrouwelijke neiging inboezemende persoonlijkheid, ja, zelfs zijn op handen zijnd vertrek hadden haar tot hiertoe het ware gevoel, dat haar hart voor den edelen man koesterde, verholen. Eensklaps was zij uit den droom tot het volle bewustzijn ontwaakt en zag nu ook, door welk een wijde kloof het lot haar van hem scheidde, die haar hart gewonnen had en het verlangde. Hij stond in verbond met hen, die zij slechts als de vijanden van haar vaderland beschouwde; zij kon hem als een edelman vereeren, als een grootmoedig vriend liefhebben, doch nimmer kon zij hem toebehooren, nimmer haar gansche lot aan het zijne verbinden, zonder plichten te verzaken, van welker heiligheid hare ziel ten diepste doordrongen was. Daarom stond zij sprakeloos, door den aanblik van het Medusahoofd van haar lot versteend, vóór hem, en kon door geen troostend woord, door geen weldadigen traan aan hare verscheurende smart lucht geven. Rasinski voelde hare bevende hand krampachtig in de zijne samentrekken; eene voorzeggende stem verried hem, wat in haar hijgenden boezem omging, en deed hem de reden van haar stilzwijgen bevroeden. Echter vroeg hij nog eenmaal: „Maria, hebt gij geen antwoord voor mij?”
„O God!” riep zij op een toon der smart, die haar het hart scheen vaneen te scheuren, „nooit, nooit!” Zij rukte zich met geweld los, wankelde eenige schreden voort en zeeg hijgend op een stoel neder.
„Ik versta u,” sprak Rasinski met eene zachte stem; „ik versta u en eerbiedig uwe gezindheid. Wij kunnen echter toch....,” hier overweldigde hem zijn gevoel, hij moest ophouden. „Het lot der volken,” vervolgde hij na eenige oogenblikken met meer vastheid, „gaat vóór het lot des enkelen. Ik beklaag mij zelf niet. Van mijne jeugd af ben ik gewoon, mijn eigen geluk door dat van de wereld verwoest te zien. Deze harde noodzakelijkheid kunnen wij niet ontwijken; het is de plicht des mans zich daarboven te verheffen; ik geloof, dat ik hem weet te vervullen! Maar niet altijd strijden de belangen der wereld tegen die der enkelen; dikwijls gaan zij hand aan hand; de dwaling vordert zoowel hare offers als de waarheid; zijn die niet talrijk genoeg, welke wij aan de laatste brengen?”
Zij zag hem weemoedig aan en hervatte: „O, ik weet, wat gij zeggen wilt! Gij geeft mij ongelijk. Wellicht dwaalt mijn verstand, wellicht bedriegt zich mijn oordeel. Welke de _rechte_ waarheid zij, weet ik niet; de _heilige_ is die, welke ons hart ons voorschrijft—ach, tot zijn eigen verderf!”
Men hoorde de moeder komen. „Laat ons het gebeurde verzwijgen,” sprak Maria; „het zoude mijne moeder misschien nog dieper bedroeven—en blijf mijn vriend.”
Rasinski drukte hare hem toegereikte hand onstuimig, maar stom aan zijne lippen. Niet slechts de smart verscheurde zijne borst, ook eene bange zorg belastte ze met verpletterende zwaarte. Met welk een gevoel toch, moest Maria het lot van Lodewijk, dat hij haar nu ontdekken zoude, vernemen? Hoe zoude zij het denkbeeld verdragen, dat haar eigen broeder tegen de zaak diende, voor welke zij den moed en de verplichting gevoelde, hare liefde op te offeren? Den bloedigsten veldslag was hij met meerdere gerustheid te gemoet gegaan, dan dit pijnlijk uur.
De moeder trad binnen; Maria ging haar te gemoet. „Onze vriend komt reeds afscheid nemen, lieve moeder,” sprak zij nauwelijks hoorbaar.
„Ja,” viel Rasinski haar in de rede en trad op de binnentredende toe, „binnen weinige uren zullen wij elkander wellicht voor altijd moeten vaarwel zeggen!”
„Dat verhoede God!” antwoordde de moeder. „Zijne raadsbesluiten zijn vaak liefderijker dan ze aan onze bezorgdheid toeschijnen, en daarop willen wij ook ditmaal hopen.”
Rasinski liet de laatste woorden onbeantwoord; hij bood de edele vrouw zijn arm, om haar in het aangrenzende vertrek te geleiden, waar men gewoon was zich des avonds te verzamelen. Ten einde hare ontroering te verbergen, verliet Maria de kamer, om licht en de thee te bezorgen, welke Rasinski deze laatste avonden gewoon was met haar te gebruiken. Deze huiselijke bezigheden deden eenige minuten verloopen; eerst nadat alles geordend was en Maria tegenover hem had plaats genomen, nam Rasinski het woord: „Ik moet dit laatste uur tot mededeelingen besteden, welke ik u, hoe treurig ook, niet onthouden mag. Lodewijk heeft zich bij zijne terugreis uit Italië aan een vergrijp schuldig gemaakt, dat onze strenge krijgswetten, die ik door niets verdedigen wil dan door hare noodzakelijkheid, onherroepelijk met den dood straffen. Hij is een persoon, dien ik zelf niet nader ken, maar aan wiens inhechtenisneming de keizer alles gelegen was, daar hij de gewichtigste bewijsstukken en papieren bij zich voerde, in zijne vlucht behulpzaam geweest en wel in een oogenblik, dat men op het punt was zich van dien man meester te maken. Om die reden werd hij, toen men hem toevallig in Pillnitz ontdekte en voor den dader herkende, onverwijld gevangen genomen; met behulp van Bernard gelukte het hem aan zijne geleiders te ontkomen, waarop zulke strenge bevelen gegeven werden om beiden te vervolgen, dat zij in allerijl de vlucht moesten nemen. Daartoe was slechts één middel, dat ééne middel slechts kon hun het leven redden; gelukkigerwijze stond het in mijne macht. De uitweg was ruw, maar onvermijdelijk.” Hier aarzelde hij een oogenblik voort te gaan; de vrouwen staarden hem met angstige verwachting aan. „Onze vrienden,” vervolgde hij op een toon, welks weekheid het harde der mededeeling moest pogen te verzachten, „onze vrienden konden zich slechts dààrdoor tegen de vervolgingen hunner vijanden in zekerheid stellen, dat zij zich ten nauwste aan hen aansloten en zich daarheen begaven, waar niemand hen vermoeden kan—zij dragen thans de kleeding, die ik zelf draag.”
„Almachtige hemel!” snikte Maria; „zij dienen in het leger der Franschen?”
„Ik weet, wat gij zeggen wilt,” hervatte Rasinski; „zij voeren de wapens tegen hun eigen vaderland.”
Met sprakeloozen schrik had de moeder deze jobstijding aangehoord. Zij scheen den zin van Rasinski's woorden nog niet geheel gevat te hebben, zoo angstig vragend hingen hare strakke blikken aan zijne lippen.
Maria kon hare woedende smart niet langer beheerschen; luid weenende wierp zij zich aan de borst der moeder en kermde: „O moeder, moeder! Nu zijn wij rampzalig! Wat kan ons nu nog treffen?” De ontroerde vrouw was niet in staat haar te antwoorden; zij klemde de dochter in hare armen; een hevig, bijna krampachtig snikken dreigde harer zwakke borst den adem te rooven. Rasinski werd door dezen aanblik meer dan smartelijk getroffen; hij werd ten diepste gekrenkt, ja, bijna beleedigd. Na alles toch wat tusschen hem en Maria was voorgevallen, moest hij de zaak welke hij diende, waaraan hij met hart en ziel verkleefd was, voor waarlijk veracht, voor verfoeid houden. Zijn mannelijke trots joeg hem bij dit denkbeeld een donkeren vuurgloed op het gelaat. Maar hij dacht aan de droefheid der moeder, zag Maria's tranen en zijne ziel was verzoend. „Ween uwe smart uit,” sprak hij deelnemend; „ik begrijp, dat zij hevig is; maar weiger toch daarom den vriend, die het oprecht en eerlijk met u meent, geen gehoor. Wat hij tot zijne rechtvaardiging te zeggen heeft, zal tevens ook u tot troost dienen.” De moeder trachtte zich te herstellen; zij wenkte met het hoofd, dat hij spreken zoude; zij zelve was daartoe nog niet in staat.
„Gij beschouwt dien stap voorzeker van eene te donkere zijde,” vervolgde de graaf. „Ik wil gelooven, dat de Duitscher reden heeft om den Franschman te haten; ik vind natuurlijk, dat hij hem haat. Maar is daarom alles wat Frankrijk doet, tegen Duitschlands welzijn gericht? Deelen niet velen der eerbiedwaardigste mannen in het gevoelen, dat eene vrijwillige, oprechte verbintenis tusschen beide volken beiden tot heil moet verstrekken? En is er op dit oogenblik niet een zoodanig verbond gesloten? Strijden niet de legers van het Rijnverbond, van Oostenrijk, van Pruisen, ja zelfs van Saksen, dat uw eigenlijk vaderland is, voor de zaak des franschen keizers? Kunt gij nu wel met billijkheid beweren, dat de enkele, die den volksstroom van het gansche vaderland volgt, zich verraderlijk daaraan vergrijpt? Gij zult misschien antwoorden, dat de volkeren door eene staat- of geschiedkundige noodzakelijkheid gedreven worden, maar dat de afzonderlijke personen daarentegen meesters van hun lot zijn. Dat is echter niet het geval. Een staat, een volk wil zijn aanzijn redden door onderwerping aan den nooddwang der omstandigheden, en wat wil de enkele burger anders? Waarom zou den eenen tot misdaad worden aangerekend, wat den anderen vergund is. En bestaan Pruisens, bestaan Oostenrijks legers niet uit enkelen? Rustte op deze allen, op ieder voor zich zelf niet de verplichting, zich tegen de algemeene noodzakelijkheid te verzetten? Zoo ja, bestond er dan wel een algemeene noodwendigheid? Neen, mijne vriendinnen, een _ongeluk_ hebt gij te beweenen, maar niet eene _misdaad_ der uwen te betreuren of te vergeven. Ik daag ieder uit, op zijn geweten te verklaren, dat hij, in den toestand dezer beide jongelingen verplaatst, anders zoude gehandeld hebben. Waarom zouden zij als nuttelooze slachtoffers gevallen zijn, daar het in hunne macht stond, leven en krachten voor eene betere toekomst te bewaren? Wanneer eens geheel Duitschland zoo diep van het gevoel der schending zijner heiligste rechten doordrongen is, dat het al zijne krachten bijéénraapt en als een eenig man tegen Frankrijk opstaat, dan mag het ook voor enkelen plicht zijn zich onder de vanen des vaderlands te scharen en elke gemeenschap met den ouden vijand af te breken; dan echter zullen ook onze vrienden niet achterblijven. En waarlijk, niet ik zal de man zijn, die hen veroordeelt, wanneer zij dan eene boei verbreken, die slechts door de ijzeren hand der noodzakelijkheid werd vastgesmeed, evenmin als ik thans kan veroordeelen, dat zij zich onder die zware hand gebogen hebben.”
Maria had den graaf sprakeloos aangehoord; schoon zijne woorden tot haar oor doordrongen, op haar hart gleden ze als matte pijlen af. Zij zweeg echter, deels wijl zij niets wist te antwoorden en tegen Rasinski's verstandsgronden slechts door de zwakke stem harer innerlijke overtuiging gewapend was, deels, daar zij vreesde hem te zullen krenken, deels ook uit geheele uitputting. Te duidelijk gevoelde zij toch, dat hier geen tegenstand baten konde, dat haar niets overbleef, dan zich geduldig onder het verpletterend rad des noodlots te krommen. De moeder, minder onstuimig in haar gevoel, minder vast aan hare meeningen gehecht, was voor Rasinski's troost toegankelijker. „Het is liefderijk van u,” sprak zij, „dat gij ons door eene zoete hoop wilt opbeuren, schoon die ook nog slechts in de donkere toekomst schemert. Maar bedenk, hoe moeielijk het is een moederhart gerust te stellen, en vergeef het dus, zoo uwe edelmoedige poging door de gewaarwordingen verijdeld wordt, die mijne borst doorkruisen. Hoevele bange zorgen verontrusten eene moeder reeds, wanneer zij haren zoon voor eene zaak ziet ten strijde strekken, die zij zelve voor heilig houdt en voor welke ieder zoon des vaderlands gewillig bloed en leven moet opofferen! Hoe angstig weegt zij de gevaren die hem dreigen, hoe telt zij de minuten, gedurende welke zij omtrent zijn lot in onzekerheid is! En dan nu, daar zij weet, dat zijn hart niet voor de zaak slaat, welke hij dienen moet, dat hij de wapens torscht als eene keten, dat het leger hem eene gevangenis, de dag des gevechts een dag des bloedgerichts is: hoe kunnen troost en hoop nu in het beangste hart eener moeder ingang vinden?”
Na deze woorden, met de grootste inspanning uitgesproken, liet zij het matte hoofd aan de wang der dochter rusten en vergoot bittere tranen. Hoe koelbloedig Rasinski ook aan alle stormen des levens het hoofd wist te bieden, door zulke aanvallen op zijn hart voelde hij zich hevig geschokt. Met teedere deelneming greep hij de hand der lijdende en zeide: „Wie zou willen loochenen, dat gij reden hebt om diep bedroefd te zijn? Geloof mij, ik zelf lijd in dit oogenblik meer dan gij wellicht vermoeden zult.” Dit zeggende wierp hij een zwaarmoedigen blik op Maria, die, als een weenende heilige, bleek en zwijgend tegenover hem over zat. Een stille zucht ontglipte hare borst, toen Rasinski's oog het hare ontmoette; echter wendde zij het niet af, maar zag hem zacht en weemoedig aan. „Intusschen is er iets in de ziel van den man,” ging hij voort, „waardoor hem het lot, dat onze vrienden getroffen heeft, verlicht en dragelijk gemaakt wordt. Ik bedoel het aan alle mannen eigene eergevoel van den moed, dat in het gevaar reeds eene veredeling der daad ziet en voor elke koene onderneming, juist wijl zij koen is, in geestdrift kan ontstoken worden, zonder zich om het doel te bekommeren. Niet alleen bij den soldaat wordt dit gevoel gevonden, het is het eigendom der mannen in het algemeen. En ware dit ook niet het geval, zoo verbindt zich toch zelfs met de gedwongene keus van een stand terstond het plichtbesef, dat die ons inboezemt. De teerling, die over ons lot beslissen moest, is nu eenmaal geworpen, gebeurtenissen weten even weinig van omkeeren op de baan die vóór ons ligt, als de vliegende pijlen van den tijd; en hebben keus, toeval, geluk of noodzakelijkheid ons nu eenmaal op een zeker standpunt geplaatst, wij willen ons ook waardig en door de vrije kracht van onzen wil daarop handhaven. Het verledene is afgesloten, zijne deuren vallen achter ons toe; slechts vóórwaarts staat de baan nog open; hoe wij daarop ook tegen wil en dank zijn voortgeslingerd, thans is het onze taak, staande te blijven. Daarin vinden wij troost, versterking, opbeuring, en nimmer zal ons de kracht ontbreken, om het noodwendige uit vrije wil te vervullen.” Rasinski had, terwijl hij op deze wijze aan zijne denkbeelden een geregelden vorm gaf, zich die ook zelf levendiger voor zijn eigen geest gebracht en zoo in dit oogenblik, waarop hij zelf haar zoozeer behoefde, de kracht gevonden, waarvan hij sprak. Hoe vruchteloos alle schijngronden van vertroosting zijn mogen, de ware troostredenen vinden ook tot het meest benepen hart een gereeden toegang. Zoo ook hier; wat Rasinski uit de volste overtuiging zijner mannelijke ziel gesproken had, was ook tot de vrouwelijke doorgedrongen. Hij had den eenigen vasten grond, waarin troost en hoop met zekerheid het anker konden uitwerpen, aangewezen; de boot werd niet meer zoo doelloos op de onstuimige golven heen en weder geslingerd. Doch een nieuwe, wondende doorn drong Maria in het hart; want hoeveel te zwaarder moest het haar thans vallen, zich van een man los te rukken, bij wien de zachte, teedere bloesem der liefde in de ongeveinsde hoogachting, die hij haar inboezemde, een zoo hechten steun vond.
De sombere beklemdheid, die tot hiertoe zoo drukkend op allen gerust had, was verdwenen; de verdooving der smart had opgehouden; kalmte en bedaardheid keerden in de geschokte gemoederen terug.
„Gij zijt een trouw, een edel vriend,” sprak de moeder en drukte den graaf de hand; „hoe dankbaar erken ik het als eene onuitsprekelijke weldaad van God, dat juist gij in deze gevaarvolle dagen de geleider en beschermer van mijn zoon worden zult! Ik zie daarin een onderpand zijner ontferming, dat ons eene gelukkige ontknooping voorspelt van alles, wat ons nu nog verward en duister toeschijnt. In dat vertrouwen onderwerp ik mij met gelatenheid aan zijne vaderlijke beschikking.”
„Dus zullen wij niet oneenig, maar als vrienden scheiden?” vroeg Rasinski.
„En dat kunt gij nog vragen?” riep de moeder met levendigheid uit. „Met welken grond zouden wij misnoegen koesteren tegen hem, die ons het dierbaarste gered heeft en het thans nog onder zijne liefderijke bescherming wil nemen?” Rasinski kuste de moederlijke hand met eerbied en innigheid; hij scheen diep getroffen. Het was hem te moede, alsof de dagen zijner jeugd terugkeerden, uit welke de herinnering hem het beeld zijner eigene, eerwaardige moeder, die reeds zoo lang in den koelen schoot der aarde rustte, trouw en levendig voor den geest deed treden. Het gevoel, zoon te zijn, dat de jaren sinds lang in zijn hart hadden uitgewischt, drong eensklaps met de oude warmte en eerbied door zijne ziel. O, hoe gaarne had hij haar, voor wie zijn hart de gevoelens van een zoon koesterde, ook met den naam moeder begroet!—Een heilige stilte heerschte in het vertrek; de late nachtegaal, wiens tonen men door het opene venster in de luwe Meilucht hoorde wegsmelten, vervulden de harten met eene zoete, weemoedige beklemdheid. Maria rees op, trad aan het venster en verborg het door tranen bevochtigd gelaat in de verkoelende bladen van een loofrijken rozestruik. Het maanlicht bescheen haar met zijne zachte stralen; zij hief het schoone hoofd uit het bloemenhulsel omhoog en sloeg een blik vol kinderlijk vertrouwen ten hemel, als wilde zij zeggen: „Aan U, algoede Vader daarboven, vertrouw ik de heeling van dit bloedende hart, waaraan gij in hetzelfde uur den broeder ontrooft en den geliefde.” Rasinski sloeg haar onbemerkt gade; hij gevoelde, dat dit beeld hem voor eeuwig door het leven zou verzellen.
Een posthoorn liet zich op straat hooren. Maria wendde zich verschrikt om: „Moet gij vertrekken?” vroeg zij angstig en zacht.
„Het geldt niet mij,” antwoordde Rasinski. Dit toeval vormde den overgang tot een nieuw gesprek. Hoeveel toch moest nog besproken worden, hoevele groeten hadden moeder en zuster aan Lodewijk te zenden!—Zoo vervloog een uur; nu was het oogenblik der scheiding gekomen.
Maria verdween in een zijvertrek; na eenige minuten keerde zij met een klein zakje in de hand terug. Zij reikte het aan Rasinski over en fluisterde nauwelijks hoorbaar: „Wilt gij de overbrenger van dit aandenken voor mijn broeder zijn?”
Hij knikte een zwijgend ja.
„Maar moeder moet er nog eerst iets bijvoegen,” vervolgde zij blozend en trad op deze toe. „Eene haarlok!” sprak zij, en maakte zich gereed die af te knippen, wat de moeder gewillig toeliet. Maria bond het haar met een zijden strikje bijeen en legde toen der moeder een blad papier voor: „Een woord, lieve moeder; ik wil de lok daarin wikkelen.”
De moeder nam de pen, welke het meisje haar aanbood, en schreef met door tranen verdonkerde oogen: „Gods oog wake over u! Uwe Moeder.”——„Meer vermag ik thans niet,” sprak zij geheel uitgeput.
Maria vouwde het moederlijk aandenken zorgvuldig in het kleine blad, nam de brieventasch nog eenmaal uit Rasinski's hand, opende ze en legde er het haar in. Bij het teruggeven, fluisterde zij hem zachtjes toe: „Open haar, als gij alleen zijt.”