Part 15
„Jaromir en Boleslaw,” vervolgde Rasinski, „zijn reeds van alles onderricht. Voor den eerste heb ik een koerierspas weten te verkrijgen, onder voorgeven, dat ik hem, ten einde de regeling van mijn regiment te bespoedigen, noodzakelijk moest vooruitzenden. Gij beiden bekomt passen van mij, als uw chef, en verzelt hem. Boleslaw, wiens grootte en figuur met de uwe vrij wel overeenkomt, heeft zich bij een franschen regiments-kleermaker twee volledige monteeringen laten aanmeten, die dezen middag nog afgeleverd worden, zoodat gij bij helderen dag zonder herkend te worden de stad kunt uitrijden. Voor geld en verdere behoeften zal ik zorgdragen, zoodra gij maar eerst in zekerheid zijt, en voorloopig is Jaromir van alles voorzien.”
Deze trad juist binnen en was, naar jongelingsaard, zeer verheugd, dat de avontuurlijke, nog altijd eenigszins gewaagde onderneming aan hem was opgedragen. Met innige hartelijkheid begroette hij zijne nieuwe krijgsmakkers en voorspelde hun de gelukkigste dagen. „Gij weet nog niet, hoe vroolijk de krijg is,” riep hij uit. „Het is hier in Dresden zeer schoon, ja soms verrukkelijk,”—hier kreeg hij een lichten blos: vermoedelijk dewijl hij aan een der schoone meisjes dacht, welke hij gisteren had leeren kennen;—„maar toch mocht ik het zorgelooste verblijf hier niet met paard en sabel verwisselen. Het hoogste geluk zou mij ongelukkig maken, wanneer ik niet meer in den zadel springen en meêvechten kon! En dan zult gij Warschau zien, mijne lieve vaderstad! O, ik ben zeker, dat het u daar bevallen zal.” De beminnelijkheid van den openhartigen jongeling miste, zelfs in deze ernstige oogenblikken, hare uitwerking niet. Weldra keerde ook Boleslaw terug met het bericht, dat de uniformen te zes uur gereed zouden zijn. Deze meer ernstige jonkman besefte, hoe hoog hij zelf ook den krijgsmansstand waardeerde, toch het treurige van den toestand der beide vrienden in zijn geheelen omvang en schonk hun de hartelijkste deelneming.
Zoo verstreek de tijd in gulle hartelijke vertrouwelijkheid. Eindelijk sloeg het uur van scheiden. De uniformen waren gekomen; Bernard en Lodewijk werden gekleed; Jaromir maakte zich reisvaardig; de postiljon blies op den horen; zij stegen in en rolden in hunne glansrijke verkleeding door de, in de stad en voor de poort in bont gewoel opeengedrongen, wandelaars heen, zonder dat iemand van deze vermoedde, wat beklemde, zorgvolle harten onder dat blinkend uiterlijk klopten.
Op korten afstand achter de eerste wisselplaats, welke zij tegen den avond bereikten, lag het huis, waar Lodewijk de zijnen voor het laatst omhelzen zoude. Rasinski had hem wel ingescherpt, zich daar niet in uniform te vertoonen; ook was Jaromir uitdrukkelijk voorgeschreven, de vrienden _niet_ te verzellen, hoe gaarne hij ook van Maria, Emma en Julie afscheid zou genomen hebben. Lodewijk en Bernard legden dus de monteering af, trokken hunne overjassen aan en verlieten heimelijk het posthuis, om het smartelijk zoete vaarwel aan hunne geliefden toe te roepen.
Lodewijk, wien alle wegen nog zeer goed bekend waren, leidde Bernard langs een binnenpad, dat naar eene tuindeur voerde, die voor een bekende gemakkelijk te openen was. Geheel onbemerkt bereikten zij zoo het huis en loerden voorzichtig door de reten der vensterblinden in het reeds verlichte woonvertrek, om verzekerd te zijn dat er geen vreemden aanwezig waren. Slechts de vrouwen zaten, zich met huiselijken arbeid onledig houdende, om de kleine tafel. Sidderend klopte Lodewijk aan de deur; toen hij die opende, was Maria de eerste, die hem te gemoet vloog en snikkend aan zijn hals hing. De moeder poogde zich op te richten, doch vermocht het niet; Lodewijk had zich honderdmaal voorgenomen mannelijk bedaard te blijven, maar thans gevoelde hij, dat zijne kracht onder de woedende smart dreigde te bezwijken. Hij trad op haar toe, greep hare hand en kuste ze met kinderlijke teederheid. Diep geroerd legde zij de rechterhand op het hoofd des zoons en sprak: „O Lodewijk, wist gij, hoe een tweegevecht reeds eenmaal het geluk van mijn leven verwoestte, wellicht hadt gij mij deze zorg bespaard! Doch misschien _moest_ het zijn! Ik wil niet richten; maar mag ik dit hoofd nog zegenen? Behoort het niet aan een ongelukkige, een schuldige toe?”
„Waarlijk, gij moogt het,” sprak Lodewijk, bijna met de uitdrukking van vreugde. „Er rust geen schuld op mij!”
„Dan is alles gelukkig geëindigd?” riep de moeder met flonkerende oogen; „dan behoeft gij niet te vluchten?”
Lodewijk verschrikte over den ijdelen waan der vreugde, dien zijne onvoorzichtige woorden bij de moeder hadden doen oprijzen; hij geraakte in verwarring, niet wetend, hoe zich te redden en voor zijne vlucht thans nog eene geldige reden op te geven. Bernard, die intusschen ook naderbij was getreden, was hem door zijne tegenwoordigheid van geest behulpzaam. „Lodewijk is volkomen onschuldig,” zeide hij, „door een eed zou hij zich van elk vermoeden kunnen zuiveren. Maar niet ieder, dien de onpartijdige goddelijke rechter moet vrijspreken, wordt daarom door den wereldlijken onschuldig verklaard, vooral niet wanneer deze, zooals hier het geval zijn zoude, zijn rechterambt met dat der wraak wil verwisselen. Onze vlucht is voor het oogenblik volstrekt onvermijdelijk, slechts weinige minuten zijn ons tot afscheid vergund. Meer mag ik u niet zeggen, want alleen van uwe geheele onwetendheid verwachten wij, dat gij, en wellicht allen, die hier verzameld zijn, zoo min mogelijk in onzen rampspoed betrokken wordt.”
Maria, in wier oog bij Lodewijks woorden heldere stralen der zoetste hoop geflonkerd hadden, werd thans weer bleek en leunde bevend op den schouder van den boven alles geliefden broeder.
„Wij hebben u jaren lang gemist,” riep zij in tranen uitbarstende, met smartelijke hevigheid uit; „eindelijk omarmen wij u weder, en reeds na weinige uren wordt ge ons opnieuw ontrukt en wie weet voor hoe langen tijd! O, dat is gruwzaam!”
„Bedaar, lieve zuster,” sprak Lodewijk, die in Maria's smart een dubbele opwekking zag, om al zijne krachten als man bijeen te rapen; „gij zijt zoo zacht, zoo goed, gij kunt niemand haten, die u gekrenkt heeft. Draag ook deze smart geduldig, die de algoede Vader daarboven ons toezendt. Zijne donkere wegen zullen eindelijk toch op ons heil uitloopen!”
„Ach Lodewijk!” Meer vermocht de door smart overweldigde niet uit te brengen. De broeder hield haar zacht in zijne armen geklemd, tot hij bespeurde, dat hare hijgende borst zich verruimde. „En nu vaarwel!” snikte hij, „mijne moeder, vaarwel! Gij allen, mijne beminden—gij zult van mij hooren!”
Thans wilde hij, gevoelende dat de overkropte smart hem meester werd, zich ijlings losscheuren en naar buiten snellen, doch Maria liet hem nog niet gaan; zij klemde zich nog eenmaal aan hem vast en bedekte zijn gelaat met kussen en tranen. Eensklaps bedwong zij zich, wischte de tranen uit haar oog en zeide: „Ga nu, broeder! Gij zult ons allen trouw in aandenken houden, dat weet ik! Doch waarheen vlucht gij?”
Lodewijk had alle kracht en bezinning verloren; zijn vriend, die tot hiertoe een stilzwijgend, maar diep getroffen getuige van Maria's roerende liefde voor haren broeder geweest was, antwoordde in zijne plaats: „Ook dat moet nog een geheim blijven; maar wees onbezorgd, gij zult spoedig bericht ontvangen.”
Maria zag Bernard met betraande oogen aan: „Gij zijt zijn vriend, gij zijt zoo getrouw en goed, o verlaat hem niet, blijf zijn trouwe leidsman, zijn broeder, want de zuster kan immers niet meer voor hem waken—ik wil dan ook uwe zuster zijn, en hij zelf zal mij voortaan niet nader aan het hart liggen, dan gij.” Tegelijk reikte zij hem de hand toe, om zijne belofte te ontvangen.
Toen Bernard haar in het schoone, droef smeekende oog zag, waaruit de getrouwste, edelste ziel hem zoo zuiver tegenglansde, verloor hij ook bijna zijne gedwongen bedaardheid. Hare blikken vielen als een zacht maanlicht op de donkere, onstuimige golven zijner ziel. Het was hem als zouden alle stormen van het lot door zulk een zacht woord tot kalmte gebracht worden, als moest zelfs zijn bruisende levensstroom eensklaps helder en klaar tusschen lachende oevers daarheen vloeien, wanneer zij het gebood. Een zachte weemoed, die zijn trotsch, ijzeren hart geheel verteederde, maakte zich van zijne ziel meester; zoete, lang vervlogen tonen uit zijne kindsheid schenen hem opnieuw in het oor te ruischen, liefelijke, lang vergeten droombeelden uit oude schoone tijden opnieuw voor hem op stijgen, en een koele, weldadige traan bedauwde zijn donker brandend oog.
„Het zusterhart kan gerust zijn,” sprak hij met blijkbare aandoening, „een broederhart zal het vervangen. Maar nu wordt het tijd, vaartwel!” Hij greep Lodewijk bij den arm en trok hem ijlings met zich voort.
Toen zij eenige minuten stom en zwijgend, als de nacht die hen omringde, hun weg vervolgd hadden, begon Bernard: „Zonder de vrouwen zou er geen ongeluk bestaan; schoon, aan den anderen kant, ook geen bijzonder geluk; maar hare tranen pekelen en verbitteren alles, wat anders in het ergste geval in het geheel geen smaak heeft. Geen zier gaf ik er om, of wij beiden in Rusland door de wolven werden opgekloven, zoo gij niet moeder en zuster hadt. Maar uwe zuster is een braaf meisje; als kind reeds was zij zacht en goed, en het valt mij nu in, dat zij mij eens recht lief en zacht verbonden heeft, toen ik hier buiten uit een boom was gevallen en aan het voorhoofd bloedde. Zij bemint u sterker, dan gij verdient; want wij mannen deugen over 't geheel niet genoeg om recht bemind te worden. Het moet evenwel toch goed doen. Ik heb 't nog niet ondervonden, ten minste niet van ouders of zusters. Mij heeft het lot zeer spartaansch behandeld, want—'t is mogelijk, dat ik bij mijne geboorte ziekelijk was—dadelijk werd ik in de wildernis te vondeling gelegd. Nu, den koning Agesilaüs ging 't ook niet beter! Wie weet, voor welken troon ik bestemd ben; in onze dagen is zoo iets licht mogelijk. Nu, gij spreekt immers geen woord? Schaam u! Waarom zouden wij thans meer aangedaan zijn dan eene minuut geleden?”
„Gij zijt het immers zelf, Bernard,” antwoordde Lodewijk op een zachtverwijtenden toon. „Schaam u die aandoening niet; zij getuigt van uwe menschelijkheid! Omdat wij menschen gevoelen, buigen wij voor de macht der zinnen en die van het oogenblik!”
„Amen! Gij hebt gelijk, broeder,” riep Bernard en reikte den vriend de hand.
Beiden stonden stil. Een plechtig duister omhulde hen; zwart en dreigend legerde zich het gebergte aan den helderen gezichteinder; de sterren lichtten zacht en troostend; een heilig zwijgen, als in den tempel der Godheid, heerschte in het rond. Geroerd zonken de vrienden in elkanders armen, klemden borst aan borst, en deden een stomme gelofte van onverbrekelijke trouw.
„Dat zal de laatste weekhartige minuut geweest zijn,” sprak Bernard, nadat hij een zachten vriendschapskus op Lodewijks voorhoofd gedrukt had; „laat ons van nu af koud en bezonnen, als oude zeebonken, aan de stormen van het lot het hoofd bieden. Wij zijn soldaten geworden en moeten ten minste voor duitsche manneneer vechten, daar de strijd voor het duitsche vaderland nog niet daar is. Als de roode morgenzon mij weer in de oogen kijkt, zal zij sidderen en verbleeken voor het barsche ijzervretersgezicht, dat ik dezen nacht denk op te zetten. En nu voorwaarts, marsch, kameraad, anders komen wij te laat in dienst.”
Zij verhaastten hunne schreden en bereikten na weinige minuten het posthuis, vanwaar zij hunne duistere toekomst weldra verder te gemoet rolden.
HOOFDSTUK X.
Rasinski was niet zonder grond bezorgd geweest, dat de navorschingen, naar Lodewijk en Bernard in het werk gesteld, zich tot de familie des eerstgenoemden zouden uitstrekken. Weinige uren nadat deze de stad verlaten had, vertoonden zich ook reeds twee fransche gendarmes aan de woning der moeder, om naar den vluchteling onderzoek te doen. Zij vonden die geheel verlaten; want Rasinski had er zeer wijselijk door zijn vertrouwden afgezant op laten aandringen, dat men ook de dienstmeid mede naar het landgoed zoude nemen, ten einde er niemand achterbleef, wiens verklaringen op eenige wijze tegen zijne plannen konden inloopen. Krachtens hunne willekeur geboden dus de gendarmes den huisheer de kamers te openen, doorzochten ze allernauwkeurigst en, daar ze niets verdachts vonden, verzegelden zij niet slechts de kasten, maar ook de buitendeuren, waarop zij hun verslag gingen afleggen. Rasinski werd door zijn getrouwen rijknecht Andreas van alles verwittigd, wat uiterlijk kon waargenomen worden, terwijl zijn onderhandelaar, die met St. Luces bureau in nauwe betrekking stond, hem van alles wat daar geschiedde onverwijld bericht gaf. Zoo vernam hij, dat deze volstrekt niet wist, waar Lodewijks betrekkingen te zoeken, daar niemand hem de plaats, werwaarts deze gereden waren, wist op te geven. Toevallig toch had de tante hare zuster, sinds deze de nieuwe woning, welke zij voor hare, door Lodewijks terugkomst vergroote huishouding huren moest, betrokken had, nog niet bezocht, zoodat niemand in huis deze verwante kende. Gemakkelijk konden de verspieders dus het verblijf van deze niet uitvorschen, en er was alle reden om te vertrouwen, dat St. Luces afreizen zoude, eer hij het had opgespoord. Dit gebeurde werkelijk; want in den vroegen morgen van den derden dag zag Rasinski hem zelven benevens zijn secretaris de poort naar Weenen uitrijden, in welke stad hij waarschijnlijk om gewichtige aangelegenheden een geruimen tijd vertoeven zoude.
Den daarop volgenden avond keerden moeder en dochter terug. Met verbazing vonden zij hare woning verzegeld en vernamen van den huisheer, wat gedurende hare afwezigheid was voorgevallen. Het moederlijk hart begon iets ergers te vermoeden en werd door de hevigste ongerustheid gefolterd; ook had zij raad en ondersteuning noodig, en tot wien kon zij zich dadelijk wenden? Eensklaps trad Rasinski, door den onvermoeid waakzamen Andreas van hare komst verwittigd, als bij toeval, het huis binnen. Niet alleen door zijne betrekkingen, maar ook door zijne mannelijke welberadenheid was hij de meest gewenschte helper in dezen nood, terwijl zijn vriendelijke deelneming de vrouwen verzekerde, dat zij in hem een reddenden en vertroostenden beschermengel zouden vinden. Schoon hij zich om aan zijne rol getrouw te blijven, volstrekt onwetend houden en aan het moederlijke hart de smartelijke taak opleggen moest om een verhaal te doen van het voorgevallene, wist hij toch deze pijnlijke oogenblikken zelfs te doen strekken om den overkropten boezem der beangste lucht te geven in een mededeelend vertrouwen, terwijl hij zijne krachtige medewerking beloofde en zich aanbood, dadelijk naar den kommandant te gaan.
Hij deed zulks. De vrouwen traden intusschen het vertrek van den huiswaard binnen, waar zij een angstig half uur doorbrachten. Vooral Maria was vol smart en bezorgdheid. Ach, hoe was de hoop, welke zij op gelukkige dagen gekoesterd had, eensklaps verijdeld! De tijd, waarin zij zich jaren lang in het vooruitzicht verheugd had, was nu gekomen; maar tot welk eene smartelijke werkelijkheid werd het zusterlijk hart uit de schoonste droomen gewekt! Hoeveel had zij willig ontbeerd, om de toekomst des broeders te helpen grondvesten en opbouwen! Hoe gewillig had zij met de moeder in enge, huiselijke beperking geleefd, opdat hij, dien zij zoo boven alles lief had, zijn rijken, edelen geest vrijer ontwikkelen en al het goede, schoone en edele leeren kennen en genieten zoude. Haar bescheiden, nederig hart verlangde niets, dan zich eens in het geluk van den broeder te kunnen verheugen; zijn uitgebreide kennis, zijne menigvuldige ervaringen zouden hare voldoening zijn; voor zich zelve zou zij zich gaarne vergenoegen met het vriendelijke weerschijnsel van den glans, die zijn leven zoo rijkelijk omstralen moest. De zorgvuldig verpleegde kiemen waren tot volle, zwellende knoppen gedijd, reeds openden zich deze en beloofden het rijke, eindelijke loon van alle bemoeiingen, alle zorgen, alle ontberingen—daar schudt een ruwe storm den jeugdigen stam, eensklaps staat hij ontbladerd, verdord voor hare verlangende blikken, en de gedachte aan hetgeen hij beloofde, wekt diepe, grievende smart!
Uit deze sombere mijmeringen deed Rasinski's terugkomst Maria ontwaken; hij werd door twee gendarmes verzeld, die de zegels afnamen en de woning voor de vrouwen openden.
Door borg te blijven, dat de dames zich niet aan een gerechtelijk verhoor zouden onttrekken, had de graaf deze toelating verkregen; echter moesten de kasten en verdere bergplaatsen voorloopig nog met den keizerlijken arend verzegeld blijven. Eenigen tijd daarop verscheen een hooger beambte der fransche politie, die bescheiden, maar tevens beslissend de uitlevering van alle papieren vorderde. Deze werden hem met het zuiverste geweten overhandigd, waarop hij alle zegels afnam en zich met eene verontschuldiging over de onaangename verplichting, welke zijn ambt hem opleide, beleefd verwijderde.
Nu gaf de beangste moeder eindelijk aan haren boezem lucht. „Om Gods wil, wat beteekent dat?” vroeg zij Rasinski. „Zoo handelt men niet ten gevolge van een duel. Ik bezweer u, zeg mij, wat is er voorgevallen? wat heeft Lodewijk misdaan?”
„Daarover ben ik,” hervatte Rasinski, „bijna evenzeer in het onzekere, als gij zelve, waarde mevrouw. Het duel echter, zooveel weet ik thans, was slechts een voorwendsel van zijne vlucht; hij is van de eene of andere daad aangeklaagd, die gevaarlijke gevolgen kan hebben. Vermoedelijk heeft hij zich met eene verbintenis ingelaten, die....”
„O,” riep Maria, niet zonder een gevoel van trots op den broeder uit, „voorzeker heeft zijn edel, vaderlandsch hart.....” hier brak zij af, hield een oogenblik stil, slaakte een diepen zucht en sprak toen met vastheid, maar met de uitdrukking der diepste smart: „Wij leven in een tijd, waarin vaak de edelste gezindheid voor een misdaad geldt!”
Rasinski stond getroffen; hij, wiens gansche ziel voor het eigen vaderland gloeide, moest Maria's smart in haar vollen omgang gevoelen. Op hare anders zoo teedere, slechts vrouwelijke zachtheid ademende gelaatstrekken werd een edele gramschap zichtbaar, die, een vluchtigen vuurgloed op de bleeke, door tranen bevochtigde wang uitgietende, aan hare droefheid den adel verleende eener trotsche worsteling van innerlijke waarde tegen de onrechtvaardigheid van den uitwendigen nooddwang.
„Matig uw onstuimig gevoel, lieve Maria,” sprak de moeder, met bezorgdheid de hevige gemoedsbeweging harer dochter bemerkende; „bedenk, dat gij zoodoende het lot van uwen broeder verergeren kunt.”
„Waarlijk niet, wanneer _ik_ er slechts de getuige van ben!” riep Rasinski met vuur. „Wat is heiliger dan de liefde voor het vaderland? Ik zelf gloei voor mijn volk, voor het land mijner geboorte; hoe zoude ik dat zelfde gevoel in een ander wraken? Neen, uw geestdrift is schoon, is edel!”
Met deze woorden reikte hij Maria de hand. Een zachter blos kleurde thans de wangen van het meisje, terwijl een bekoorlijke verwarring zich met de smartelijke uitdrukking vermengde, die in hare trekken te lezen was. Eenigszins beschroomd legde zij hare hand in die, welke Rasinski haar aanbood, en zeide: „O, gij zult ons helpen; op u heb ik vertrouwen!”
Gaarne had hij thans den sluier van alle voorvallen en gebeurtenissen der laatste dagen opgeheven, wanneer hij niet, als een ervaren kenner van edele vrouwelijke harten, eene te gegronde bezorgdheid voor de, van elke verbloeming afkeerige oprechtheid had gekoesterd, waarmede zij zich dan aan de macht der vijandelijke vervolgers zouden hebben prijsgegeven. Hij was verzekerd, dat zij noch den broeder, noch hem zelf verraden zouden; maar dan waren ze ook zelve de offers, daar hare bekentenis zou geweest zijn: Ik weet maar ik zwijg. In haar eigen belang liet hij haar dus in deze weldadige onkunde.
De vrouwen verzochten hem haar dezen avond niet weder te verlaten; hij beloofde het en bracht eenige uren bij haar door. De smart opende hem geheel het edele hart van Maria, want niets beweegt de vrouwelijke ziel tot inniger vertrouwen dan eene diep treffende ramp, waarin een man haar met vastheid op zijde treedt; terwijl ook niets het mannelijk hart met sterker banden naar dat der vrouw heentrekt dan het lijden van een zacht, bekoorlijk wezen. Rasinski zou dezen avond een der gelukkigste van zijn leven geacht hebben, wanneer niet een zoo treurig voorval hem dien had doen genieten. Van zijne vroegste jeugd was hij door de gebeurtenissen, die niet slechts zijn vaderland, maar ook het overige Europa geschokt hadden, op de opene zee des levens voortgestuwd. Zelden had het lot hem vergund, in eene rustige haven het anker te werpen; te dieper dus moesten hem de kortstondige oogenblikken eener kalme windstilte treffen, waarin het ook hem eens vergund was van de vruchten te genieten, welke hij anders slechts van verre aan de kusten zag rijpen, die hij in snelle vaart voorbijstevende. Hij had thans den mannelijken leeftijd bereikt; zijn hart dreef hem niet meer zoo onstuimig als voorheen door het leven voort; in oogenblikken, waarin het rusteloos voortwentelen zijner dagen hem een korte verademing liet, was het verlangen om eindelijk eens te rusten dikwijls levendig in zijn boezem ontwaakt. Was het te verwonderen, dat thans, daar eene zoo liefelijke gedaante hem scheen te wenken om aan deze stem in zijne borst gehoor te geven, de wensch bijna tot een besluit rijpte? Een koene zin streeft stoutmoedig naar het verwijderde doelwit, ook als hij het over diepe kloven en afgronden in de schijnbaar ontoegankelijke verte ziet schemeren; het kan dus niet bevreemden, dat bij Rasinski op een tijdstip, toen een gansch werelddeel onder de wapenen stond, de bodem nog onder gansche volken wankelde en niemand wist, of de volgende dag hem redding dan vernietiging zou aanbrengen, het verlangen oprees, om den grondslag te leggen tot eene vreedzame toekomst. Echter was een koen besluit bij hem geen onbezonnen overijling; hij bezat mannelijke vastheid genoeg, om het in zich zelf tot rijpheid te laten komen en niet eer het lot eens vreemden met zijne eigene hoop en verwachtingen dooreen te vlechten, dan wanneer hij de wegen overzag, langs welke hij hare vervulling bereiken konde. Derhalve hield hij thans de in hem ontwaakte, diepere liefde voor Maria nog verborgen en wijdde haar daarvoor een des te warmer vriendschappelijke deelneming, met het vaste besluit evenwel, om ze haar vóór zijn vertrek te ontdekken.