1812: Historische roman

Part 14

Chapter 143,939 wordsPublic domain

Bernard bleef met Lodewijk alleen. Beiden gingen zonder een woord te spreken de kamer op en neder, de laatste over zijn zorgelijken toestand ernstig bekommerd, de eerste, wijl het in het diepst van zijn hart sluimerend gevoel weder in zijn volle kracht ontwaakt was. Bijna een uur hadden ze dus in stilzwijgen doorgebracht, toen Bernard daaraan een einde maakte.

„Uw geval is verwenscht leelijk; voor u namelijk, want zoo 't mij overkwam, zou ik er mij geen zier om bekommeren, daar ik toch op een isoleerstoel in de wereld sta en de galeiketen, die mij met de menschen verbindt, kan wegwerpen, zoodra 't mij goeddunkt. Gij zit niet op zulk een glasvoetigen zetel, maar hebt wortels in de vaderlijke aarde geschoten, die zich niet laten uitrukken zonder een lap lands mee te nemen, waarop nog menige lieve bloem kon gebloeid hebben, en ten laatste verdort men zelf. Mijn scheepje heeft geen andere last dan mijzelf; op elke ree ga ik voor anker en met elke frissche koelte zwalp ik weer het ruime sop op. Wordt mijn gebrekkig tuig bij gelegenheid eens in den grond gezeild, dan roepen hoogstens een paar meewarige zieltjes: „O wee, hij verzuipt!” maar niemand maakt zich den vinger nat om mij te redden, en met dien kreet is elk gevoel uit de borst verdwenen; kom ik niet weer opduiken, dan is mijn aandenken zoo ras uitgewischt als een grafschrift, dat mij iemand met een stokje op de golven had geschreven. Gij echter hebt nog goed aan boord dat waarde heeft, en zet koers naar eene gewenschte haven; gij ziet met vreugde den gunstigen wind der hoop in uwe zeilen blazen, gij—nu, voor den drommel, wat babbel ik! nu ja, gij moet wel een weinig bevreesd zijn voor onweerswolken, klippen, zandbanken en dergelijke. En toch houd ik mij overtuigd, Lodewijk, dat gij over de daad, die u en de uwen thans vrij gevaarlijk op 't spel zet, nog geen berouw hebt.—Zie mij in 't gezicht! Ik geloof, al moest gij heden daarvoor aan de galg en gij slechts genade kreegt doordien de strop brak,—morgen ondernaamt gij het stukje voor de tweede maal, al wou men u ook als Simson aan zeven splinternieuwe hennepstrikken opknoopen. Nu spreek dan, galgvogel!”

„De plicht der eer...” antwoordde Lodewijk.

„Haal de duivel den plicht! Als 't een dikke engelsche lord geweest was, die over de grenzen moest gesmokkeld worden, zoudt gij gezegd hebben: uwe genade zij zoo goed den genadigen hals alleen te wagen, ik ben uw whist niet bij de partij, wij konden _schlem_ worden en er in allen gevalle eer een strik dan een trek bij winnen. En gij hadt misschien gelijk gehad. Maar de broeder eener zoo schoone zuster te zijn—spreek vrij uit de borst, Lodewijk, gij tradt niet terug?”

„Ik geloof neen!”

„En wanneer gij den Hellespont onder het kruisvuur der Dardanellen door moest, wanneer de vaart tusschen de Scylla en Charybdis door, wanneer zij over den Acheron, den Phlegethon en de Styx ging, ook dan nog sprongt gij in de boot en riept: Ik ben uw redder, Bianca, ik vaar over—gij deedt het, schoon moeder en zuster kermend aan den oever stonden—spreek op, gij deedt het?”

Lodewijk verwonderde zich over deze zeldzame wending en het vuur in Bernards woorden. „Zeg mij dan, deedt gij het?” herhaalde deze.

„Ik geloof ja,” antwoordde Lodewijk.

„Dat geloof ik ook, _upon honour_!” hernam Bernard op den koelen toon van droge scherts, schoon hij tot hiertoe den climax zijner „wanneers” in het hevigste crescendo had opgedreven. Vervolgens keerde hij zich naar het venster, trommelde met de vingers op de glasruiten en beschouwde aandachtig de daken der tegenover gelegen huizen. Een enkele traan welde in zijn oog op. Verdrietig wischte hij dien af en mompelde, gelijk hij in oogenblikken van hevige gemoedsbeweging gewoon was, half voor zich zelf, half dacht hij ook slechts: „Hij bemint haar! Dat weet ik, en zij hem, dat weet ik ook; want dat zegt mij eene stem in mijn binnenste, die ik meer vertrouw dan mijne eigen oogen. Dwaze droomer, die ik ben! Hoe, zou ik niet eenmaal meer de kracht bezitten, om al die zotte luchtkasteelen te verdelgen? Kinderspel!”

Lodewijk had intusschen zijne brieventasch geopend, kreeg een blad te voorschijn, tikte Bernard zachtjes op den schouder en reikte het hem over met de woorden: „Lees dat, mijn vriend!”

Het was het dagblad, waarin Bianca van haren redder afscheid nam.

Bernard las; de weinige regels maakten zijn vermoeden tot zekerheid. Zijn vast, sterk hart dreigde in heete, gloeiende tranen te smelten, doch hij bedwong zich met ijzeren kracht. „Lief, hartelijk, roerend!” sprak hij, het papier teruggevende, doch gedwongen zich weder tot het venster te wenden. „Zeide ik 't niet?” dacht en mompelde hij als zoo even. „O, deze stem heeft nooit gelogen! Welaan dan, ik wil de kiem met wortels en al uit mijne borst scheuren, al bleef mijn hart er aan hangen!”

Haastig kreeg hij zijn teekenboek te voorschijn, greep eene schaar die op de tafel lag, en knipte het blad met Bianca's beeltenis er uit. „Daar,” riep hij en legde het voor Lodewijk neder. „Tot hiertoe hadt gij slechts noten, hier is de tekst; gij moet mij echter philologisch verstaan, anders geldt het omgekeerd; gij hebt den tekst, de dorre koude woorden, en hier zijn de noten, dat is: de melodie, de hemelmuziek; want wie verstaat dat gedrukte tuig daar, als hij niet weet uit welke borst zulke woorden klonken, aan welke lippen zij ontvloeiden, in welk oog de afscheidstraan fonkelde! Daar, het portret is voor u!”

„Bernard!” riep Lodewijk getroffen; „beste vriend, welk een schat schenkt gij mij....”

„Een schat? Ik zou niet weten waarom een schat. Als ik 't van alle kanten beschouw, denk ik er heel anders over en moet ik ronduit verklaren, dat gij een ezel zijt. Denkt gij, dat ik het beeld weggeef? Geen trek zal er mij van ontgaan, want schilders hebben een goed geheugen, schoon ik geloof, dat ook anderen zulk een gezicht onthouden kunnen, want men ziet het niet dagelijks. Twintig malen op een dag kan ik het teekenen, als ik er maar lust toe heb. Gij ontvangt dus slechts ongeveer 21 duim gemalen vodden of ezelsvel, want het is perkament, item een weinig afzwartsel van zilverkrijt en meer niet. Ik geef niets meer weg, dan wanneer ik u de neergekladde noten van eene melodie schonk, die ik in hemeltonen heb hooren zingen en die mij nimmer meer uit oor en borst verdwijnen kan—nu, gij hebt haar immers zelf gehoord;—doch het is waar, gij verstaat dat alles niet, want ik spreek hier natuurlijk als schilder. Daarin zijt gij intusschen een ezel, dat gij dit smerige dagblad bewaart, als zoudt gij anders de woorden vergeten, die hier zoo kostelijk met roet, zwartsel en olie op morsige lompen gedrukt staan. Hebt gij een plaats, waar zij vaster staan ingegrift dan op een vod, die gij pas driemaal in elkaar kunt vouwen of zij scheurt als een versleten bankbiljet? Niet aanzien kan ik het blad, of ik word bleek van ergernis bij de gedachte, waar de gansche overige oplaag beland is, en in hoevele kaaskelders of komenijswinkels snuif, Frankforter varkensworst of misschien wel stinkende pekelharingen daarin gewikkeld worden! Ik raad u het prul te verbranden en u de asch in den hartkuil te wrijven, Lodewijk,—doch wat babbel ik als een oud wijf? Wij hebben ernstiger dingen te doen. Het beeld is het uwe, dat spreekt van zelf, en bij gelegenheid teeken ik wel een ander; maar wat ik zeggen wou—de graaf blijft lang weg, dunkt mij?”

Lodewijk had Bernards rusteloos voortvloeienden woordenstroom met verwondering aangehoord. Het innerlijk gemoedsbestaan van den vriend was hem nog te nieuw, dan dat hij een vrijen blik in de diepste geheimen daarvan had kunnen werpen. Niet onaangenaam was het hem dus, dat Bernard zelf aan het gesprek eene andere richting gaf.

„Hij is bijna twee uren afwezig,” antwoordde hij op de laatste vraag. „Ik weet niet of ik dit voor een goed dan voor een kwaad voorteeken moet houden.”

„Waarlijk, ik ook niet!” riep Bernard. „Maar het ongeduld brandt mij reeds in handen en voeten. Ik ben hier in zeker opzicht met u ingekerkerd, daar ons samenzijn in den tuin van Pillnitz mij tot uw verrader maakt. Misschien heet het: meê gevangen, meê gehangen. Nu, wees gerust, gij zult een getrouwen Pylades in mij hebben. Maar ik hoor voetstappen op de trap. Waarachtig hij is het!”

HOOFDSTUK IX.

Rasinski trad binnen. Zijn oog was somber, zijn voorhoofd gefronst.

„Vrienden, ik houd u voor mannen,” begon hij, „die tegen een ramp bestand zijn. Maar uwe zaken staan op een hachelijken voet en wel door uw eigen toedoen, mijn vriend,” dus wendde hij zich tot Bernard; „de portier van het huis, waar St. Luces ingekwartierd is, heeft u verraden.”

„Hemel! En hoe was dat mogelijk?” riep Bernard.

„Op de eenvoudigste wijze van de wereld. Nadat gij naar den vreemdeling, dien ik u thans als St. Luces' secretaris, Beaucaire, kan aanduiden, onderzoek had gedaan en het huis verliet, stond deze zelf boven aan het venster. Natuurlijk moest het zijne aandacht trekken, dat gij hem waart gevolgd; ook van zijne zijde won hij bij den portier berichten in en, daar deze u kent, vernam hij alles wat hij wenschte te weten. Tot overmaat van ongeluk wil het toeval, dat juist die zelfde portier gisteren mede naar Pillnitz geweest is en u daar met onzen Lodewijk, die hem helaas! niet minder goed bekend is, gezien heeft, terwijl gij arm in arm St. Luces en Beaucaire voorbij gingt. De eerste is de doortraptste spitsboef van de wereld, de laatste schijnt het te zijn, en dus kan het ons niet verwonderen, dat hun spoedig niets meer bleef uit te vorschen, dan het uitgestrekte komplot, welks bestaan zij vermoeden, daar Lodewijk op zulk eene koene wijze aan hunne klauwen ontrukt is.”

„Een kogel zou ik mij door den kop willen jagen!” riep Bernard.

„En mijne moeder?” vroeg Lodewijk.

„Is reeds van alles onderricht.”

„Heeft men haar reeds verontrust?”

„Nog niet; want gelukkig kent de portier slechts uw naam, niet uwe woonplaats, welke men thans bezig is op te sporen. Daarmede zullen intusschen wel eenige uren verloopen, en van dien tijd moeten wij gebruik maken. Ik heb reeds een plan gevormd, en hoop met mijne aanstalten nog tijdig genoeg in gereedheid te zijn. Stelt u thans met dit naricht tevreden; want ik moet terstond mijne pogingen voortzetten.”

„Nog eene minuut!” riep Lodewijk. „Wanneer ik mij, om allen die in mijne zaak gewikkeld zijn op eenmaal van elke verantwoording te ontheffen, vrijwillig in handen mijner vervolgers stelde?”

„Dan wilde ik geen oogenblik voor uw leven instaan, jonge vriend,” hernam Rasinski. „Gij hebt, naar mij gezegd is, een der gevaarlijkste geheime agenten onzer vijanden in Italië, wien men reeds op het spoor was en bij wien men zich verzekerd hield, de belangrijkste papieren te zullen vinden, doen ontvluchten.”

„Heeft men u den man genoemd?” vroeg Lodewijk driftig en hopende op deze wijze iets van de onbekende, aan wien hij zijn hart gewijd had, te ontdekken.

„Neen,” antwoordde Rasinski; „ik deed onderzoek naar hem, doch men gaf mij te kennen, dat dit een staatkundig geheim was, dat St. Luces vermoedelijk aan niemand openbaren zoude. Weet gij werkelijk volstrekt niets?”

„Niet het geringste,” hernam Lodewijk; „in dat opzicht ben ik althans volkomen onschuldig.”

„Uw weten of niet weten, zelfs wanneer men er geloof aan hechtte,” antwoordde Rasinski, „komt daarbij hoegenaamd niet in aanmerking. Onze krijgswetten spreken het doodvonnis over u uit. Geef intusschen den moed niet verloren! Gij zult u wellicht een smartelijk offer moeten getroosten, maar uw leven hoop ik te redden. En nu vaartwel, spoedig zult gij meer van mij vernemen. Nog iets: aan mijne beide jonge kameraden kunt gij u blindelings toevertrouwen; zij zijn als zoons aan mij gehecht.”

Hij snelde weg.

De vrienden bleven in kommervolle onrust achter; Bernard deed zich zelf de bitterste verwijten.

„Dat ik ook alles zoo lichtzinnig opneem!” riep hij uit. „Mijne dwaasheid stort u in 't verderf en mij zelf daarbij; want, wat ik zou kunnen verdragen, geen gewetenswroeging over zulk eene handelwijs.”

„Uw doel was immers goed, beste Bernard,” sprak Lodewijk, „en kunt gij vergeten, dat ik de hoop die mij nog overblijft, alleen aan u te danken heb? Was ik nu misschien niet reeds veroordeeld, wanneer gij mij niet uit de handen mijner vijanden verlost hadt?”

„Gaf dat mij recht,” viel Bernard hem met onstuimigheid in de rede, „om u thans aan den beul over te leveren? En wel beschouwd, was mijne handelwijze te Pillnitz immers de domheid zelve! Stonden de zaken niet slecht, dan had ik ze slecht gemaakt?”

„Het was toch goed,” antwoordde Lodewijk, terwijl hij moeite deed om te glimlachen, „dat gij daar niet zoo verstandig waart als gij in dit oogenblik hier zijt; anders zat ik wellicht op den Königstein of in eenige andere gevangenis en wachtte op den geestelijke, die mij naar den zandhoop geleiden moest.”

Bernard zag hem met zijn donker, vurig oog eene poos lang weemoedig aan; eensklaps breidde hij de armen uit, drukte den vriend onstuimig aan zijne borst en riep: „Broeder! Mij geeft niemand de absolutie als ik zelf het niet doen kan, en geloof mij, ik ben een streng biechtvader voor mij zelven! Hier kan ik niets dan goedmaken. Ik heb de koeien in de sloot geholpen en wil trouw mijn best doen om ze er weer uit te halen; maar lukt dat niet, dan mogen de kinderen mij op de straat naschreeuwen, als ik niet alles met u doorsta, wat u een haar krenkt. Ja, ik zweer u, knoopt men u aan de galg en laat men mij loopen, ik hang mij zelf met eigen handen naast u op.”

„Getrouwe vriend!” sprak Lodewijk met aandoening en hield hem vast omarmd. „Gij, ruwe diamant, ik weet het, uw binnenste is zuiverder dan kristal!”

De vrienden werden door een gedruisch aan de deur gestoord; het was Rasinski die terugkeerde; met gespannen verwachting staarden zij hem aan.

„Ik wil u,” begon hij zonder verdere inleiding, „met één woord uw lot bekend maken, want gij zijt mannen. Ik kan u redden, wanneer gij in mijn vrijkorps wilt treden; de uniform baant u den weg uit Dresden, anders weet ik er geen, dien de list uwer vijanden niet reeds voor u heeft afgesneden. Bovendien zijt gij dan tegen elke verdere navorsching beveiligd; want eens bij de armee aangekomen, staat gij onder mijne bescherming, onder mijn opzicht. Ik weet de keus, die gij te doen hebt, is bitter, maar zij is de eenige.”

„En konden wij niet onder bescherming dier uniform de stad verlaten en vervolgens een anderen weg inslaan?” vroeg Bernard, in wiens ziel eenig mistrouwen tegen Rasinski opsteeg.

„Ik kan u slechts passen naar Warschau verschaffen; daartoe heb ik vergunning en de noodige middelen. Daar moet gij u bij het divisie-kommando, waartoe ik behoor, aanmelden. Naamt gij een anderen weg dan dien, welke mijn reiswijzer u voorschrijft, zoo zoudt gij als deserteurs behandeld worden, en ik zelf ware niet in staat verder iets voor u te doen. En op welke andere wijze wilt gij uit Dresden ontkomen? Werwaarts wilt gij u begeven? Bij de politie zijt gij reeds uitgeduid en als voortvluchtig of ergens verborgen opgegeven. Alle besturen bekomen de aanschrijving om u aan te houden; op het geheele vasteland bevindt zich geen enkel punt, waar gij voor de fransche politie—want deze is het, die u vervolgt—in zekerheid zijt, uitgenomen bij de armee, waar men u ten eerste niet zoekt, en waar ten tweede door den onmiddellijken invloed van den chef alle navorschingen van dien aard zich laten verijdelen, wanneer men ze slechts verijdelen wil.”

„Ik zal mij aan het onvermijdelijke weten te onderwerpen,” sprak Lodewijk met kalmte. „Maar—mijne moeder, mijne zuster zullen ontroostbaar zijn! Door haar lijd ik onuitsprekelijk! En ook door u, mijn Bernard! Dat ik u in dezen afgrond moet storten!....” Hier wendde hij zich af en legde de hand zwaarmoedig op het voorhoofd.

Bernard hield het oog somber en zwijgend op den grond gericht; na eenige oogenblikken begon hij: „Soldaat of galeislaaf is naar mijn gevoel hetzelfde. Ik althans liet mij in plaats daarvan gaarne aan de galg knoopen. Doch al zat ik niet aan u vast gekoppeld, al kon ik vrij en frank het Kanaal overvliegen naar Engeland—hier is mijne hand er op, ik trek toch den bonten rok aan en word uw kameraad.”

Lodewijk drukte hem sprakeloos de hand; zijne ontroering belette hem een woord uit te brengen.

„Gij zult behagen vinden in uw nieuwen stand, mijne vrienden,” sprak Rasinski, „en den dienst slechts van zijne schoonste en roemrijkste zijde leeren kennen. Als vrijwilligers treedt gij in de gelederen, en door de eene of andere dienstbetrekking zal ik u ten nauwste aan mijn persoon verbinden, zoodat wij als vrienden en tentkameraden leven kunnen. Het stond in mijne macht u dadelijk tot officieren te benoemen; maar zulks ware tegen mijn geweten en tegen uw eigen belang. Als bevelhebbers toch; al ware het ook van weinig manschappen, zou eene verantwoordelijkheid op u rusten, waarvan zelfs de keizer u niet kan ontheffen. Om daarbij geen gevaar te loopen, moet gij den dienst eerst grondig verstaan, den krijg kennen. De eerzucht van den soldaat kan u niet aanvuren; derhalve is de betrekking, waarvoor ik u bestem, verreweg de verkieselijkste voor u. Uwe beschaving verzekert u den omgang met mijne officieren; de vriendschap die ik u toedraag zal u de verdere voordeelen verschaffen, die voor jongelingen van uwen stand waarde hebben. Zoodra er slechts eenige maanden verloopen zijn, doet zich misschien wel een uitweg op, die alles weder terecht brengt. Beschouwt uwe nieuwe betrekking als eene verkleeding, die gij voor korten tijd hebt aangenomen, daar gij toch door de eene of andere vermomming het loerend oog uwer vijanden zoudt hebben moeten ontduiken. Die, welke ik u voorsla, schijnt mij in allen gevalle het meest eervol, het lichtst te verdragen en, wat vooral in aanmerking komt, de eenig zekere toe.”

Rasinski's verstandige en bemoedigende rede boezemde zelfs den hardnekkigen Bernard vertrouwen in en bracht zijne hevige drift eenigszins tot bedaren. Lodewijk erkende dat er geen keus overbleef; zijne terugkeerende wilskracht deed hem het onvermijdelijke met meer kalmte dragen. Maar vriend, zuster en moeder in dit ongeluk te zien deelen, dit smartte hem diep.

„Weet mijne moeder reeds iets van het gebeurde,” vroeg hij met eene bevende stem.

„Zij is genoegzaam voorbereid,” antwoordde Rasinski, „en heeft zich aan de harde noodzakelijkheid onderworpen met eene vastheid, die ik billijkerwijze bewonderen moet. Uwe zuster is veel dieper geschokt.”

„Maria,” riep Lodewijk smartelijk uit. „O, ik weet, wat haar daarbij het grievendst krenkt! Het duitsche, trouwe hart!”

Bernard fronste somber het voorhoofd.

„Zal men echter,” vroeg Lodewijk, „mijne vlucht niet aan moeder en zuster doen ontgelden? Kan de wraak mijner vijanden niet op haar neerkomen? Zoodra ik verneem, dat een van beiden een haar gekrenkt wordt, keer ik terug.”

„Wees gerust,” antwoordde Rasinski; „ik heb alles zoo ingericht, dat de uwen niets te vreezen hebben. Reeds op dit oogenblik bevinden zij zich niet meer in Dresden, maar op het buiten van uwe tante.”

„Hoe?” riep Lodewijk, „dus zou ik haar wellicht niet wederzien?”

„Ik hoop ja,” was het antwoord, „schoon ik het u niet met zekerheid beloven kan.”

„Dat ware het bitterste van allen,” zuchtte Lodewijk. „Zou echter het verblijf op het landgoed haar genoegzame veiligheid aanbieden?”

„Ten minste voor eenige dagen, en dan zal veel een ander aanzien bekomen, daar ik van goederhand onderricht ben, dat St. Luces niet langer dan hoogstens nog twee dagen hier blijven kan. Is hij, de eenige wien ik tot eene dadelijk schurkachtige handelwijs in staat acht, eenmaal vertrokken, dan gaat de zaak haar gewonen gang en zal er, na de voorzorgen die ik genomen heb, niets meer te vreezen zijn. Echter moet ik de stellige belofte van u eischen, dat gij blindelings naar mijne inzichten en voorschriften handelen zult; anders durf ik voor niets instaan.”

„Onvoorwaardelijk,” riep Lodewijk.

Bernard zweeg; in zijne ziel was de vreeselijke argwaan opgerezen, dat Rasinski het niet eerlijk met hen voorhad. Bijna had hij besloten zich door eene koene verklaring zekerheid te verschaffen en te antwoorden, dat hij _niet_ gehoorzamen, _niet_ soldaat worden, maar alléén zijne redding beproeven wilde; doch zijn vast genomen besluit, om in Lodewijks lot, hoe hachelijk het ook worden mocht, te deelen, hield hem van de onbezonnenheid terug, welke hij op het punt was te begaan. „Wat er ook gebeuren mag, ik deel in het lot en de gevoelens van mijn vriend, meer kan ik niet beloven,” sprak hij na eenige seconden, en reikte den graaf zijne hand.

Rasinski vermoedde min of meer, wat er in zijne ziel omging; dat maakte hem een oogenblik verdrietig, doch zijne grootmoedige ziel vergaf de verongelijking, hem door dit mistrouwen aangedaan bijna even spoedig als hij ze ontdekt had.

„Welaan,” antwoordde hij, „hoort dan wat gebeurd is en wat nog gebeuren moet. Ik ken de vrouwen; de nauwgezetheid van haar geweten is dikwijls zoo groot, dat zij zich zelfs tegen de arglistigste boosheid niet met eene onwaarheid, hoe gering ook, wapenen zullen. Mijne gansche poging om u te redden, kon schipbreuk lijden op de waarheidsliefde uwer moeder en zuster, die het haar onmogelijk maakte, bij een gerechtelijk verhoor eenige omstandigheid te verzwijgen of anders op te geven dan zij zich werkelijk had toegedragen. Deze teederheid van het vrouwelijk gevoel welke zij in hare afzondering van de ons mannen maar te dikwijls verpestende samenleving zoo vlekkeloos weten te bewaren, kon hier ons allen in het verderf storten. Daarom koos ik den zekersten weg, dien namelijk, om aan de uwen slechts te doen weten, wat zij mogen bekennen zonder ons te benadeelen. Met de regels van uwe hand, die mij tot volmacht moesten dienen, zond ik een krijgsmakker, dien ik gisterenmorgen toevallig ontmoette en op wiens getrouwheid ik huizen kan bouwen, naar uwe moeder. Hij moest er op aandringen, dat zij dadelijk met hare dochter naar het landgoed uwer tante afreisde, daar gij gisteren te Pillnitz met een franschen officier in een verschil waart gewikkeld, dat dezen morgen met den degen was beslecht geworden en u, benevens uw vriend en secondant Bernard wellicht, noodzaken kon, Dresden ten spoedigste te verlaten. Zoo zulks het geval werd, bleef u geen andere gelegenheid om haar nog te spreken dan buiten bij uwe tante. Dit bericht, door uw handschrift geloofbaar gemaakt, deed haar dadelijk tot een overhaast vertrek besluiten, en zoo men haar thans op de pijnbank ondervroeg, zou zij niets anders kunnen getuigen, dan wat ik u daar zooeven verhaald heb. Gij zelf moet haar nu tot een verblijf van eenige dagen op het buiten bewegen, onder voorwendsel, dat dan eerst de onaangename gevolgen, waarmede ook zij bedreigd wordt, geheel uit den weg geruimd kunnen zijn.”

Met vroolijk berouw zag Bernard thans zijne dwaling in. „Voortreffelijk, slimme Ulysses,” riep hij uit, „gij redt ons waarachtig uit het hol van den Cycloop. Neem daarvoor mijne hand tot onderpand, dat mijn kop u nu altijd ten dienst zal staan.”

„Gij bemerkt wel, lieve vrienden,” vervolgde Rasinski, „dat ik van uwe wederzijdsche toestemming moest verzekerd zijn; want hadt gij geweigerd u in alles naar mijn voorschrift te gedragen, dan was mijn gansche plan uit gemis aan overeenstemming in onze maatregelen vanzelf in duigen gestort.—In geval het landgoed niet te ver van den weg naar Polen, dien gij heden nog moet inslaan, verwijderd ligt, is van het afscheid geen gevaar te duchten. Voor een grooten omweg is de tijd ons te kostbaar.”

„Goddank,” riep Lodewijk en drukte den graaf met vroolijke aandoening de hand, „het ligt geen kwartier bezijden den straatweg.”