1812: Historische roman

Part 13

Chapter 133,882 wordsPublic domain

„Hij vertrok. Ik was in eene hevige gemoedsbeweging. De voorstelling, welke ik mij maakte van den angst mijner moeder op het vernemen, dat ik verdwenen was, zonder dat zij het geringste spoor van mijn verblijf ontdekken kon, bewoog mij, den afkeer, mij door den hatelijken onbekende ingeboezemd, in zoo verre te overwinnen, dat ik mijne trotschheid tegen hem ter zijde stelde en hem met vriendelijker woorden aansprak. „Van uwe menschelijkheid verwacht ik, mijnheer,” begon ik, „dat gij mij in de gelegenheid zult stellen, om mijnen vrienden ten minste eenige mondelinge tijding te doen toekomen en hen daardoor van hunne bezorgdheid te ontheffen.”

„„Gij hebt slechts mijne bevelen op te volgen,” antwoordde hij met bitse koelheid.

„En waarin bestaan deze? Ik zal toch mogen weten, werwaarts men mij brengt?”

„„Uwe oogen zullen er u tijdig genoeg van onderrichten.”

„Ik durf u gerust bekennen, dat woede over dezen ellendeling en bezorgdheid wegens moeder en zuster mij de tranen uit de oogen persten. Met moeite bedwong ik de hevige drift, die mij tot uitersten dreigde te vervoeren, die mijn nu reeds hachelijken toestand slechts verergeren konden. Thans trad een der beide gendarmen binnen en fluisterde, doch zóó dat ik het verstaan kon: „De wagen is reeds aan het veer en zal aan de overzij der Elbe wachten. Ook de boot is gereed.”

„Op dit bericht gingen wij,—en van nu af kent gij mijn wedervaren; want op den weg, dien wij thans insloegen, werdt gij mijne redders.”—

„De weinige minuten, die uw verhaal ons heeft opgehouden, zijn niet verloren,” dus nam Bernard het woord op: „want nu eerst kunnen wij een geregeld plan ontwerpen. Het grootste geluk is, dat gij u niet genoemd hebt, ofschoon 't nog altijd een bedenkelijk stuk blijft, u naar Dresden terug te brengen. Maar wat ter wereld kunnen die kerels toch met u voorhebben?”

„In de eerste oogenblikken was ik zelf door de ontmoeting te zeer onthutst, om aan hare aanleiding te kunnen denken; thans heb ik wel is waar eenig vermoeden, maar voor het tegenwoordige kan ik mij daarover niet nader uitlaten. Misschien wordt het geheele voorval nog de onvoorziene grondslag van mijn volgend geluk.”

„Niets zou mij meer verheugen, beste vriend!” hervatte Bernard; „maar nu wordt het tijd, dat wij ook aan de overigen denken. Uwe zuster verkeert daar boven in doodelijken angst, uwe moeder beneden wellicht niet minder. Wij werden afgezonden om u op te zoeken en de wagens te ontbieden; dat moet dus nu ons eerste werk zijn. Wat u betreft, het beste is, dunkt mij, dat gij regelrecht naar boven gaat en daar in alle bedaardheid onze terugkomst afwacht. Uw uitblijven kunt gij bij de meisjes verontschuldigen door te zeggen, dat er iets aan de wagen gebroken was, dat u van minuut tot minuut heeft opgehouden. Zeg ook, dat gij ons ontmoet hebt, en dat wij de verdere bezorging op ons namen, terwijl gij u haasttet haar omtrent u zelf gerust te stellen. Ik zal intusschen beneden alles in orde brengen en voorbereiden; vertel gij echter geen sterveling iets van uwe werkelijke ontmoeting.—Nu, tot wederzien, want wij hebben geen tijd meer te verliezen.”

„O, mijne vrienden!” riep Lodewijk, „hoe kan ik u ooit genoeg danken? Wie weet, aan welk onheil gij mij ontrukt hebt!”

„Ei wat,” hernam Bernard, „dank het toeval, niet ons. Somwijlen spookt mij zoo'n ding, wat men in 't gemeene leven voorgevoel noemt, door de ziel, en dat heeft mij heden tot dat dollemansstuk aangedreven. Verdrietig zoudt gij worden, als gij naar de eerste drijfveer van ons doen, niet naar de gevolgen daarvan richten wildet. Immers, ingeval men niet werkelijk een schurkenstreek met u voor had, ingeval uwe gevangenneming, en dat moest ons toch wel het waarschijnlijkste voorkomen, uit een bloot misverstand of uit eene nietsbeduidende reden was voortgesproten, kon de onnoodige aanval op de gendarmen en uwe gewelddadige bevrijding ons allen verduiveld slecht te staan komen en u zelf tienmaal dieper in den nood brengen. Maar van achteren wordt men wijs. Intusschen, één ding moet ik u zeggen: in den grond komt alle eer er van aan mijne kunst toe. Bezwaarlijk zou ik mijn dolzinnig plan volvoerd hebben, had ik met mijn scherpziend schildersoog niet ettelijke lijnen op uw gezicht ontdekt, die onmogelijk door eene bloote verdrietelijkheid of lichte bezorgdheid op uw voorhoofd konden ingedrukt zijn. In weerwil van het matte lantaarnschijnsel, zou ik er op gezworen hebben, dat de horizontale en vertikale strepen om het centraalpunt uwer gansche physionomie, vooral aan de grenzen tusschen voorhoofd en neusbeen, door de hand van een ernstig ongeluk geteekend waren. Een groot meester herkent men dadelijk aan twee of drie trekken. Dien dus hebt gij alles te danken en het blijft: leve de kunst! Maar nu, vlieg vrij en frank als een arend naar boven, waar de arme jongen uit het nest angstig naar u uitkijken.—Voorspoedige reis!”

Met deze woorden ijlde hij met Jaromir naar beneden, zonder Lodewijks vernieuwden dank af te wachten.

„Mijne beste handteekening wou ik geven,” sprak hij onder het voortgaan tot den jongen Pool, „wanneer de beide gendarmen ons ontmoetten en naar het spoor vroegen der twee verwenschte spitsboeven, die hen zoo onridderlijk uit den zadel gelicht en van hun buit ontheven hebben. Ik zou hen eer naar den berg Sinaï, dan naar den top van den Potsberg zenden.”

Lodewijk klom intusschen opwaarts. In de nabijheid van den toren gekomen, klonk hem een luid „Werda?” tegemoet en hij herkende de stem van Rasinski, die beurtelings met Boleslaw in een geregelden voorpostendienst voorzag en juist eene verkenning deed. „Goed vriend!” riep Lodewijk verheugd. „Eindelijk!” juichte men hem tegen, en Rasinski bood hem vriendelijk de hand. „Wat zal uwe zuster verheugd zijn, die zich reeds zoozeer over u verontrust heeft!” Als in triomf leidde hij den wedergevondene naar den toren, waar de meisjes in sprakeloozen angst neerzaten. „Lodewijk, zijt gij eindelijk daar?” riep Maria, de armen naar hem uitstrekkende; „hoe kondt gij ons ook zoo lang alleen laten?”

Volgens afspraak verontschuldigde Lodewijk zijn uitblijven zoo goed hij konde en kondigde de meisjes eene spoedige verlossing uit de zonderlinge gevangenis aan. „O, nu gij bij ons zijt en moeder niet meer ongerust is, nu willen wij gaarne geduld hebben,” antwoordde Maria. Zij wilde hem verzoeken, zich aan hare zijde neer te zetten, doch onder voorwendsel, dat zijne kleederen doornat waren en hij derhalve liever in beweging wilde blijven, wees hij deze bede van de hand. De hoofdoorzaak echter was eene heimelijke bezorgdheid, of Bernard zoude terugkomen dan niet; en deze hoopte hij, met de mannen buiten rondwandelende, beter te zullen verbergen.

Eindelijk, na een bang half uur, hoorde men zweepgeklap in het bosch en spoedig kon men het gedreun der langzaam aanrollende rijtuigen duidelijk onderscheiden. Thans blonk een lichtschijnsel door de struiken, en na eenige minuten werd men overtuigd, dat men zich niet bedrogen had. Jaromir kwam te voet vooraan en bracht het bericht dat de beide moeders mede naar boven kwamen, om een aanmerkelijken omweg te besparen. Nu was het eene rijtuig genaderd; de koetsier sprong behendig van den bok,—het was Bernard.

„Daar zijn wij,” riep hij, „en wel ik om goede redenen als koetsier. De een der beide Autemedons was zoo smoordronken, dat hij tot niets te gebruiken was. Wij hebben hem rustig en wel op het stroo laten liggen, en ik was zoo vrij mij tot erfgenaam van zijn mantel te verklaren, daar mijn rok zoo doornat is, als ware ik met Leander den Hellespont overgezwommen. Nu ben ik bijna weer droog en kunt gij er u mede verwarmen Lodewijk.” Meteen wierp hij den mantel aan zijn vriend toe en beet hem onbemerkt in het oor: „Dat is uwe vermomming; men kan niet weten wat er voorvalt. Gij moet op den bok en ons naar de stad terugbrengen; de koetsiers zijn reeds onderricht en weten wat zij te doen hebben.”

Met een zwijgenden handdruk dankte Lodewijk den vriend voor dezen schrander overlegden maatregel. Deze had het hierbij niet laten berusten, maar was er ook op bedacht geweest eenige flesschen goeden wijn en een behoorlijken mondvoorraad mede te brengen ten einde men zich hier boven een weinig zou kunnen versterken, om niet genoodzaakt te zijn in den laten avond naar de herberg terug te keeren, wat voor Lodewijk gevaarlijk had kunnen worden. Toen na al deze schikkingen en toebereidsels eindelijk ook de beide moeders verschenen, welke Bernard door het voorwendsel, dat men daardoor een aanzienlijken omweg bespaarde, tot den laten rit, waartegen zij wel een weinig opzagen, overreed had, was de laatste zorg uit het hart der drie meisjes verbannen. Onbekommerd gaven zij zich aan een vroolijker stemming over, ja, begonnen zich zelfs te verheffen op de romantische avonturen van den dag, en waren ook geenszins de laatste, die van de goede gaven, door Bernard medegebracht, een dankbaar gebruik maakten.

Eindelijk schikte men zich tot den terugrit. Zoowel de toestand van Maria, die haren voet steeds uitgestrekt moest houden, als het late uur maakten het voegzamer, dat heeren en dames gescheiden werden. Bernard had bovendien zeer gegronde redenen, om zulks te wenschen, daar het in geval van nood altijd goed was, dat de mannen alleen en bij elkander waren, en ook de wagen, waarin zich enkel vrouwen bevonden, bij mogelijk onderzoek aan de poort geenerlei vertraging te duchten had. Deze laatste reed het eerste af en werd door den wezenlijken koetsier bestuurd. Daar de mannen nu alleen waren, gaf Bernard een zoo beknopt mogelijk verslag van het voorgevallene, ten einde die zonderlinge verkleeding van Lodewijk als koetsier te verklaren. Men beloofde elkander in volkomen overeenstemming te zullen handelen, en Rasinski verzekerde daarenboven, dat zijne uniform toereikend zijn zoude, om ten minste voor het oogenblik elk gevaar af te wenden. Lodewijk drukte de door Bernard meegebrachte koetsiersmuts diep in de oogen, wikkelde zich zorgvuldig in den mantel en sprong op den bok. Onder het rijden gaf Bernard een meer uitvoerig verhaal van het gebeurde, ten einde daardoor het gevaar uit den weg te ruimen.

Ongehinderd bereikte men het veer en de overzijde der Elbe. Nu boog Bernard zich uit het portier en verzocht Lodewijk, stil te houden.

„Het is wel hoogst waarschijnlijk,” zeide hij, „dat men u in het geheel niet kent, doch zeker is het niet. De mogelijkheid bestaat, dat men u in het huis uwer moeder komt opzoeken. In allen gevalle is het voorzichtiger, dat gij er dezen nacht niet doorbrengt en u schuil houdt, tot wij den grond verkend hebben. Een geschikt voorwendsel kunt gij aan mij overlaten. Roep nu uwen collega, den eersten koetsier, slechts toe, dat hij stilhoude, dan vindt zich het overige van zelf.”

Lodewijk gehoorzaamde. Zijn vriend sprong uit den wagen, snelde naar de vrouwen en verzocht deze zich niet te verontrusten, zoo men haar alleen verder liet rijden, daar de paarden van het laatste rijtuig dermate vermoeid waren, dat zij niet meer van de plaats wilden, en men dus genoodzaakt was, hen te voederen en wellicht een uur rust moest houden. Den koetsier wenkte hij ter zijde, gaf hem een drinkgeld en sprak: „Wees onbezorgd, wij blijven u op korten afstand volgen, maar hebben onze redenen, waarom wij niet tegelijk met de dames de stad wenschen binnen te rijden.”

„'t Is wel,” mompelde deze, nam zijne plaats weder in en reed door.

Alsof zulks hem thans eerst inviel, liep Bernard het damesrijtuig na en riep het portier in: „Nog iets! Daar wij waarschijnlijk veel later aankomen dan gij, zal Lodewijk u niet storen, maar den nacht bij mij doorbrengen.”

Zonder antwoord af te wachten, ijlde hij naar zijne vrienden terug. „Nu is alles in orde,” riep hij vroolijk. „Wij zijn vermomd, gemaskerd, geharnast en verschanst; heeft nu iemand lust de vesting te bestormen, te belegeren of te laten uithongeren, hij zal den kop stooten, wees daar gerust op.”

Vijf minuten later dan de vrouwen zetten ook de mannen hun rit voort, zoodat zij genoegzaam in de nabijheid bleven, om ze, wanneer een onverwacht voorval zulks vorderde, dadelijk bij te kunnen springen.

Op den ganschen weg bejegende hun niets verdacht; ongehinderd bereikten zij de poort van Dresden; bij het binnenrijden werden zij echter aangehouden.

Een politiebeambte en een gendarm traden op het rijtuig toe en vroegen vanwaar men kwam en wie men was. Volgens afspraak belastte Rasinski zich met de beantwoording dezer vragen, welke Bernard wel had voorzien. De uniform en de rang van den graaf boezemden den ondervragers onmiskenbaar ontzag in; zij traden eenige schreden terug en schenen met elkander te beraadslagen. Bernard, wien niet het geringste ontging, bespeurde, dat een derde, in een langen mantel gehulde gestalte zich bij hen vervoegde. Zijn geoefend oog had weinig moeite, om daarin den hoofdvijand van Lodewijk te herkennen; men bevond zich dus inderdaad in een gevaarlijken toestand. Rasinski boog zich eindelijk ongeduldig uit het portier en riep: „Waarop hebben wij nog te wachten? Het is laat; men houde ons niet langer op.”

Men talmde nog een poos; eindelijk trad de gendarm met eene lantaarn nader, lichtte in den wagen en zeide beleefd: „Vergeef mij, heer overste; maar wij zijn gelast, een persoon die van Pillnitz komen moet, hier dadelijk aan de poort van eene hoogst gewichtige aangelegenheid bericht te geven. Ik heb dus slechts te onderzoeken, of hij zich misschien ook in uw midden bevindt.”

„Mocht de duivel,” riep de overste driftig. „Deze heeren zijn mijne regimentskameraden, die dáár is mijn vriend, en geen van ons heeft zoo laat in den nacht berichten te wachten. Laat ons met rust! Voorwaarts koetsier!”

De wagen rolde voort, en zonder verdere belemmering bereikte men het Hôtel de Pologne, waar Rasinski en zijne krijgsmakkers hun intrek namen. Daar zou Lodewijk den nacht vertoeven, terwijl Bernard op zich nam het rijtuig naar den stal des eigenaars terug te brengen. Den volgenden morgen wilde men verdere maatregelen nemen.

HOOFDSTUK VIII.

Dien volgenden morgen maakte Bernard zich vroegtijdig gereed om Lodewijk te bezoeken. Hij nam zijn weg door de Slotstraat en overlegde onder het voortwandelen, wat in deze hoogst onaangename zaak wel het raadzaamst was en of het niet voorzichtig zijn zou, dat Lodewijk, ten minste voor eenigen tijd, Dresden verliet, toen hij, in gedachten verzonken en weinig op hem omringende voorwerpen achtgevende, vrij onzacht tegen den elleboog eens voorbijgangers aanstiet. Werktuiglijk grepen beiden naar hunne hoeden en wilden zich beleefdelijk jegens elkander verontschuldigen, toen Bernard zag, dat hij den vreemdeling voor zich had van wien het gansche onheil voortsproot.

Alleen een koelbloedig, nooit zijne tegenwoordigheid van geest verliezend zwerver als Bernard, vermocht daarbij bedaard te blijven. Met de grootste beleefdheid verzocht hij verschooning wegens zijne lompheid; de vluchtige verrassing, die op zijn gelaat zichtbaar werd, kon evengoed aan ontsteltenis over den vrij hevigen stoot, als aan het gevoel worden toegeschreven, dat het zien van den persoon hem inboezemde.

De vreemdeling antwoordde even hoffelijk; met valkenoogen bespiedde Bernard zijne gelaatstrekken, om te ontdekken of hij herkend werd dan niet. De onbekende scheen te twijfelen. Daar rees eensklaps het denkbeeld bij hem op: hoe, indien het u eens gelukte, den schoft vertrouwelijk te maken en u van zijne domheid te bedienen? Columbus kon met de plotselijke gedachte die hem eene nieuwe wereld achter de onbekende zeeën deed vermoeden, niet meer zijn ingenomen dan Bernard met dezen inval was. „Gij zijt mij vreemd, mijnheer,” hervatte hij, „en toch moet ik u reeds ergens anders gezien hebben dan hier, waar het toeval ons zoo onzacht op elkander doet stooten.”

„Mij komt het ook zoo voor,” antwoordde de vreemde, met die pijnlijke onzekerheid op het gelaat, welke het ons veroorzaakt, wanneer wij eene donkere persoonsherinnering niet terstond op de rechte plaats weten te brengen.

„Mijn hemel, daar valt het mij binnen,” riep Bernard; „waart gij gisteren niet in den tuin te Pillnitz? Wij ontmoetten elkaar immers aan het vlierbosch.”

„Juist, juist,” riep de vreemde met een van boosaardige voldoening schitterend gelaat; „te Pillnitz; maar gij waart, dunkt mij, niet alleen?”

„Ik wandelde met een reiskennis, dien ik in de herberg aantrof,” hernam Bernard op onverschilligen toon. „Later beklommen wij den Potsberg, maar het onweer dreef ons uitéén. Zijt gij er misschien ook door verrast geworden?”

„Een weinig; evenwel....”

„Ik ter deeg,” viel Bernard hem opzettelijk in de rede; „geen drogen draad hield ik aan 't lijf en ik had ten overvloede geen gelegenheid om naar de stad terug te komen, daar de schoelje van een koetsier dien ik besteld had, gevlogen was, denkelijk omdat de een of ander hem meer had geboden. Gelukkig vond ik een paar fransche officieren, uitmuntende menschen, die mij naar Dresden meenamen, anders zat ik er misschien nog. Ik was juist van plan hen op te zoeken; daar de heeren gewoonlijk vroeg uitgaan, zult gij vergeven dat ik haast maak.”

Met deze woorden nam hij den schijn aan van zich te willen verwijderen, doch de vreemdeling hield hem terug. „Een woord, als ik u bidden mag. Wie was de heer, die u vergezelde?”

„Inderdaad,” hervatte Bernard, „daarvan kan ik u weinig of niets zeggen. Ik reis veel; voor langen tijd ontmoette ik hem te Mannheim en eenige dagen geleden vond ik hem aan eene table d'hôte te Leipzig weer. Wij dronken samen koffie in Tivoli, gingen naar den schouwburg en soupeerden 's avonds in een oesterkelder. Gisteren zagen wij elkander toevallig in den tuin van Pillnitz, en even toevallig werden wij door het onweder weer gescheiden. Dit is alles, wat ik weet. Naar stand en naam heb ik hem niet gevraagd, want welk reiziger bekommert zich in dat opzicht om den ander? Zoo er u echter iets aan gelegen is, kan ik u gemakkelijk de vereischte inlichting verschaffen, daar wij tegen heden middag eene bijeenkomst bij Hegereuter in den Plauenschen tuin hebben afgesproken.”

„Hoe laat, als ik u vragen mag?”

„Te vier uur. Wilt gij mede van de partij zijn, zoo haal ik u af en wij gaan samen.”

„Gij zoudt mij bij uitstek verplichten; doch vergun mij u de moeite te besparen, mijnheer, en liever u af te halen; mag ik uwe woonplaats weten?”

„Voor geen geld ter wereld zou ik dat van u vergen! Maar om den strijd te vereffenen, zullen wij elkander te drie uur bij den Italiaan Longo aantreffen. Voor het oogenblik moet ik u vaarwel zeggen. Tot het genoegen van u weer te zien.”

Zonder antwoord af te wachten nam Bernard met al de bedrijvigheid van een jongen windbuil een vluchtig afscheid en vloog de straat op, doch slechts om onbemerkt in een der naaste huizen te sluipen en vandaar den verdachten vreemdeling met arendsblikken te volgen. Toen hij waande dit veilig te kunnen doen, volgde hij hem, vast besloten hem niet uit het oog te verliezen. De bespiede trad een aanzienlijk huis in de Slotstraat binnen; Bernard wist dat het een portier had, dien hij eenigermate kende, en besloot dezen uit te vragen. Hij volgde den vreemdeling in huis en vroeg den portier of hij hem kende.

„Niet bij naam,” antwoordde deze; „maar hij woont hier in huis en behoort tot het gevolg van den baron St. Luces; ik geloof dat hij diens secretaris is.”

Bernard wist genoeg. Als een pijl uit den boog vloog hij naar Rasinski, wien hij met Lodewijk en de jonge Polen aan het ontbijt vond. Zijne berichten werden met gretigheid verslonden. Bij den naam St. Luces fronste Rasinski bedenkelijk het voorhoofd. „Dat is geen goede naam voor u, lieve vriend! De man is half raad van legatie, half politiebeambte, half spion; zeer geslepen, maar listig en hebzuchtig, onmisbaar, maar verachtelijk. Eigenlijk heet hij Rumigny, werd wegens zijne schurkendiensten op den kruiwagen genomen, en is op die wijze tot den zoogenaamden adelstand verheven, die sedert het keizerschap in Frankrijk als paddestoelen opschiet. Ik ken hem, helaas! te goed. Maar wat ter wereld kan hij tegen u in 't schild voeren.”

Lodewijk had zijne ontmoeting in Italië, waaraan hij zijne inhechtenisneming zonder bedenking toeschreef, tot hiertoe zorgvuldig verzwegen; thans verhaalde hij ze in haar geheelen omvang, zonder echter het aandeel te verraden, hetwelk zijn hart daarin genomen had. Bernard luisterde met sprakelooze verbazing toe. Dus ook Lodewijk kende het geheimvolle wezen en had tot haar in de vertrouwelijkste betrekking gestaan? O, hoe diep, dacht hij bij zich zelf, moet onder zoo zonderlinge omstandigheden het aanminnige beeld in het hart van den vriend zijn ingeprent! Hem zelf was de schoone gedaante als een droombeeld verschenen en ontvloden; thans echter, daar hij den vriend in zulk eene innige verbinding der werkelijkheid met het ideaal zag, dat hem tot hiertoe slechts als eene schepping van Raphaël voor den geest zweefde, thans werd zijn hart hevig geschokt en voelde hij, dat oude, half gesloten wonden opnieuw bloedden. Naar zijne gewone wijze zette hij echter den ernst, dien hij nooit ernstig uitte, de narrenkap op. „Een avontuur zonder weerga!” riep hij. „En zou men nu nog om uwentwille bezorgd zijn? Voor eene reis over den Simplon, in de luwe Italiaansche nachtlucht, aan de zijde van zulk een engel, die mij broeder noemde, liet ik mij tienmaal hangen: zou men u dan beklagen, zoo men 't u deed?”

„Scherts ter zijde,” vervolgde Rasinski, zich tot Lodewijk wendende. „Ik vrees, dat de zaak nog eene zeer ernstige wending nemen zal; want zonder het te vermoeden hebt gij eene daad begaan, die men u bezwaarlijk zal vergeven. In allen gevalle moet gij vooreerst nog verborgen blijven. Hier ontdekt u niemand, ook uw vriend zou ik raden zich niet naar de afgesproken plaats te begeven, voor ik terug ben. Ik ga dadelijk berichten inwinnen.”

„Voor mij zelf vrees ik niets,” sprak Lodewijk somber, „maar wat moet ik mijne moeder, mijne zuster zeggen?”

„De zuivere waarheid, beste vriend,” hervatte Rasinski; „want zijn de uwen in het geheel niet of verkeerd onderricht, zoo konden zij licht tegen wil en dank uwe verraders worden. Wel is waar schijnt men tot hiertoe slechts uw persoon, niet uw naam te kennen, maar hoe spoedig kan die ook uitgevorscht zijn! Ik zelf wil op mij nemen, uwe moeder op de voorzichtigste wijze van alles kennis te geven en zal vervolgens den stand der zaken onderzoeken, waartoe ik de beste middelen in handen heb.”

Lodewijk reikte den bedachtzamen vriend zwijgend de hand; Bernard stampte ongeduldig met den voet, Jaromir en Boleslaw toonden broederlijke deelneming.

„Wij mogen geen tijd verliezen,” sprak Rasinski en gespte zijn sabel om. „Ik ga op weg; gij doet intusschen het best, u in dit zijvertrek te begeven en voor ieder schuil te houden. Vooreerst lieve vriend, begeef ik mij naar uwe moeder; de omstandigheden zullen mijn vroegtijdig bezoek verontschuldigen. Dan begin ik mijne navorschingen; weldra zult gij bericht van mij hebben.” Hij wilde gaan, doch bleef eensklaps aan de deur staan, alsof hem iets te binnen schoot. „Ja, dat zal het best zijn. Ik moet u iets verzoeken,” dus wendde hij zich tot Lodewijk, „zonder 't welk ik niets vermag, twee regels namelijk van uwe hand, die mij tot volmacht bij uwe moeder kunnen dienen.”

„Zij zal u onbepaald vertrouwen schenken,” hervatte Lodewijk.

„Schenk mij eerst het uwe,” sprak Rasinski; „de regels, die ik verlang, zijn mij misschien volstrekt noodzakelijk.”

„Gaarne,” antwoordde Lodewijk.

„Zet u dus neder en schrijf: Dierbare moeder! Dringend bid ik u, den overbrenger dezer regels een onbepaald vertrouwen te schenken en aan zijn verlangen onvoorwaardelijk te voldoen.”

Lodewijk huiverde, doch schreef wat Rasinski eischte; deze ging en werd spoedig door zijne beide landslieden, die dienstzaken te verrichten hadden, gevolgd.