1812: Historische roman

Part 12

Chapter 123,925 wordsPublic domain

„Waarlijk, ik weet niets,” hervatte Bernard. „Wel deed ik moeite om iets te ontdekken, maar mijne proef liep vrij ongelukkig uit, hoe? zal ik u dadelijk vertellen. De zachte verhevenheid van dit gelaat, de onbeschrijfelijk roerende droefheid daarop geteekend—want op mijn woord, ik heb er slechts eene caricatuur van geleverd,—bracht mij,—waarom zou ik 't niet bekennen?—op mijne plaats in het parterre niet weinig aan 't dwepen. Ik moest het gezicht hebben, daar zwoer ik een duren eed op, maar hoe het te schetsen zonder dat zulks in het oog viel? Naast mij zat een koopman, die lang in Konstantinopel gewoond en zich daar de oostersche wijze van spreken aangewend had. Ik kende hem eenigszins. Deze bemerkte wel, dat ik staag naar de loge en niet naar het tooneel zag, schoon Julia zoo even van Romeo haar roerend afscheid nam. Hij fluisterde mij toe: „Niet waar, sir, een gezicht om uit te schilderen, ofschoon uit den helder blauwen hemel der oogen vochtige dauwdroppen op de rozen der wangen parelen.” Zij weende namelijk de schoonste tranen, die ik immer gezien heb. „Bij den hemel, dat is het!” antwoordde ik, „maar waar en hoe?”—„Daar boven is eene loge onbezet,” fluisterde hij mij in 't oor; „wanneer gij daar gaat zitten en de deur van den dwarsgang een weinig openlaat, valt u juist zooveel licht op het blad als gij noodig hebt, terwijl gij zelf in de schaduw zit.”—Ik verzuimde geen oogenblik dien raad te volgen. Mijn standpunt was allergunstigst; op de achterste bank der loge zat ik geheel onbemerkt en zag het hemelsche wezen vlak in het gezicht, terwijl zij het vochtig oog onafgewend op het tooneel gericht hield. De onschatbare roof gelukte mij zoo volkomen, als het maar zijn kon. In mijn arbeid verdiept, had ik echter niet bemerkt, dat iemand de loge was binnengetreden. Plotseling beet mij eene ruwe, onaangename stem een fluisterend „Sir!” in het oor. Verschrikt sprong ik op. „Een woord, sir!” sprak de stem, die een man van omstreeks dertig jaren toebehoorde, die mij wenkte in den gang te komen. De norsche onbekende gaat met mij op straat en begint mij daar vrij onbeschoft te vragen, met welk recht ik mij veroorloofde eene dame te teekenen zonder hare toestemming. Ik antwoordde kortaf; het gesprek werd wat driftig en het gevolg was de afspraak tot eene ontmoeting in Hydepark tegen den volgenden morgen te acht uur. De vreemde verliet mij hierop zonder in den schouwburg terug te gaan; ik stapte intusschen weer naar mijne loge, om nog het een en ander nauwkeuriger uit te werken. Maar nog heden zou ik razend kunnen worden van spijt; toen ik binnentrad, was de andere loge geheel ledig en de dame met haar gezelschap spoorloos verdwenen. Ik ondervraag den deurwachter: „Zij zijn zoo even weggereden,” is het antwoord, „maar ik ken ze niet.” Ik vlieg naar mijn koopman in het parterre. Ook deze is vertrokken. Thans bleef mij geen andere troost over dan de ontmoeting in Hydepark, waar ik althans hoopte te vernemen, wie mijne tegenpartij was. Stipt te half acht ben ik op de plaats, maar indien ik er nog stond, ware er misschien nog niemand gekomen. Kortom, ik had elk spoor verloren, want ook de Turk was geheel onverwachts weder naar de Levant afgereisd, zonder dat ik hem gesproken had. Naderhand heb ik menigmalen mijne beeltenis aan vertrouwde vrienden vertoond, maar niemand kende het oorspronkelijke; te vergeefs heb ik drie maanden lang alle schouwburgen van Londen bezocht en geene enkele vertooning van Romeo en Julia verzuimd, nooit is het mij gelukt, ook zelfs het geringste spoor van mijne onbekende te ontdekken.”

HOOFDSTUK VII.

Bernards verhaal had zoozeer aller aandacht geboeid, dat niemand bemerkte, hoe de regen allengs heviger werd en de duisternis meer en meer begon toe te nemen. Thans eerst werd Maria daarop opmerkzaam en niet weinig verontrust door de gedachte, dat de toestand van haar en hare jonge vriendinnen nu inderdaad bedenkelijk begon te worden. Zij beproefde of zij in staat was te gaan en wilde dan stoutmoedig het weder trotseeren, maar het was haar niet mogelijk; de voet scheen sterk opgezwollen en veroorzaakte haar bij de minste beweging de hevigste pijnen. Lodewijk had door de ontroering, die in zijn binnenste heerschte, de bezwaren van het oogenblik geheel vergeten en zag stil en peinzend voor zich neder. Maria greep zijne hand en vroeg hem fluisterend: „Wat moeten wij nu aanvangen, broeder? Ik begin werkelijk angstig te worden, want gaan kan ik niet, al zag ik ook niet tegen den regen op.”

Lodewijk bedacht zich een oogenblik en antwoordde vervolgens: „Nu, daar de bui aanhoudt, is de zaak licht gevonden. Ik ga alleen naar beneden en kom u met de rijtuigen van hier afhalen.”

„En gij zoudt u aan den regen blootstellen?” sprak Maria.

„Het zal mij goed doen,” hernam hij; „hier is het zoo drukkend, dat ik naar eenige koele verfrissching smacht. Maar het is hoog tijd, anders overvalt ons de avond, eer de wagens aankomen.”

De mannen boden thans om strijd aan, Lodewijk te verzellen. Deze had Bernard gaarne tot geleider meêgenomen, om zoo mogelijk nog iets anders uit te vorschen; maar het scheen hem welvoegelijker, dat de schilder, als een ouder huisvriend, de drie meisjes gezelschap hield, dan dat deze zoo alleen met de drie vreemde officieren achterbleven. Hij wees dus aller aanbod vriendelijk van de hand, hoe dringend Rasinski en de jongere Polen er ook op bleven aandringen het bezwaar met hem te deelen. „Het is volstrekt onnoodig,” gaf hij op hunne gulle aanbiedingen ten antwoord. „Eén is volkomen genoeg; waarom er dan twee mede te belasten?” Zonder verdere aanzoeken af te wachten, begaf hij zich ijlings op weg en beloofde binnen een groot uur met de wagens terug te zijn.

Deze tijd scheen de meisjes eindeloos lang te duren, daar zij, door haren natuurlijken beschermer en bloedverwant verlaten, het onaangename van haren toestand dubbel beseften. De regen ruischte en kletterde immer heviger, een grauwe nevel trok zich om den berg samen, de duisternis nam gestadig toe. Thans was er een uur verstreken. Van minuut tot minuut hoopte Maria de rijtuigen te zien aankomen. Angstvallig luisterde zij naar elk geruisch en beeldde zich telkens in, het klappen eener zweep in de verte te vernemen. Hare ongerustheid wies aan; want er verliep een half uur boven den bepaalden tijd, zonder dat de vurig verlangde hulp kwam opdagen.

Het was buiten stikdonker geworden. Schoon men dit gedeeltelijk aan den regen en den donkeren, bewolkten hemel wijten kon, moest het toch reeds zeer laat zijn. Maria vroeg Bernard eenige malen naar den tijd; deze antwoordde haar aanvankelijk niet geheel naar waarheid en verklaarde vervolgens, het niet meer te kunnen zien.

Het was nu niet slechts de verlegenheid, waarin zij zelve verkeerde, die Maria kwelde; maar ook andere bekommeringen begonnen gedurig levendiger in haar op te rijzen. Zou Lodewijk ook eenig letsel bekomen, zou de angst over het uitblijven harer kinderen de zwakke moeder ook kwaad gedaan hebben? Hiermede paarde zich de lichamelijke pijn, die langzamerhand zoozeer was toegenomen, dat zij in een bijna koortsachtigen toestand verkeerde.

Noch Bernard, noch de overige mannen konden het zich thans langer ontveinzen, dat er iets buitengewoons moest hebben plaats gegrepen, want twee groote uren waren er reeds verloopen sinds Lodewijk hen verlaten had. Zij begonnen dus heimelijk te beraadslagen wat hun te doen stond, en of de plicht jegens den vriend, wien toch licht eenig ongeval kon bejegend zijn, niet vorderde dat men onverwijld ernstige navorschingen naar hem in 't werk stelde. Bernard achtte het thans ook 't best, rond voor de zaak uit te komen, ten einde de nu reeds zoo angstige meisjes door een welgemeend, maar vruchteloos ontwijken en bemantelen niet nog meer te verontrusten. Allen waren van hetzelfde gevoelen. Zonder omwegen gaf hij dus aan Maria te kennen, dat hij zelf over het uitblijven van haren broeder bezorgd begon te worden en het zijn plicht achtte, onderzoek naar hem te doen.

Maria beantwoordde deze bekentenis met een warmen handdruk, want reeds lang had het haar op het beklemde hart gelegen, aan de heeren den dienst te verzoeken, waartoe zij zich thans vrijwillig aanboden.

Bernard, als het best met de gelegenheid van den berg bekend, en Jaromir begaven zich thans op weg, na beloofd te hebben van wat er ook mocht zijn voorgevallen onmiddellijk bericht te zullen brengen of zenden. Schoon de regen nog als bij stroomen werd nedergegoten en men geen hand voor de oogen zien kon, kostte het den beiden wandelaars in den beginne weinig moeite den rechten weg te vinden. Zonder zwarigheid bereikten zij de ruïne en meenden hun doel reeds nabij te zijn, toen zij, meer achteloos geworden, eensklaps van het breede spoor waren afgeweken en zich tusschen het hooge gras bevonden. Zij poogden de straat weder te vinden, maar te vergeefs. Om geen tijd te verliezen, besloten zij op den ongebaanden weg te blijven en door struiken, hoog gras en zaailand zich in eene rechte lijn bergafwaarts te spoeden, daar zij toch van de hoofdrichting bezwaarlijk konden afdwalen. Intusschen was dit niet gemakkelijk; want al spoedig werden zij door eene vrij breede en diepe, door den regen gevulde gracht opgehouden, en toen zij dezen eindelijk achter den rug hadden, stonden zij voor eene ondoordringbare dichte doornheg. Zij moesten langs deze voorttasten, om haar einde of eene opening te vinden; doch plotseling stuitten zij op eene kruisheg, die hen noodzaakte wederom bergopwaarts te klimmen. Gelukkig ontdekte Bernard eene plaats, waar men gemakkelijk kon doorkruipen. Zij deden het en zagen nu in de verte een licht, dat in een der tot het slot behoorende gebouwen scheen te branden. Hadden zij dit maar eerst bereikt, dan was het gemakkelijk de herberg te vinden. Spoedig bespeurden zij echter, dat het schijnsel zich bewoog en nader kwam; het waren lieden met twee lantaarns. Daar Bernard en Jaromir door de dichte duisternis omgeven, gene daarentegen helder verlicht werden, was het niet moeielijk reeds op tamelijken afstand twee fransche gendarmen te onderkennen, die vermoedelijk een gevangene overbrachten. Bernard was door zijne menigvuldige reisontmoetingen voorzichtig gemaakt en aan Jaromir was het als officier bij de lichte cavalerie tot een tweede natuur geworden, bij donker altijd de behoedzaamheid der sluikpatrouilles in acht te nemen. Een wederzijdsche wenk was dus voor beiden het teeken, de mannen met de lantaarns eerst nader te laten komen en hen voorloopig uit een donkeren schuilhoek aan den weg in oogenschouw te nemen. Met verbazing werden zij, toen de kleine troep naderde, gewaar, dat de gendarmen Lodewijk in hun midden hadden, en met nog meer verbazing herkende Bernard in een vierde, met een wijden regenmantel geheel omwikkelde gestalte, die eveneens met eene lantaarn ter zijde ging, den man, wiens gezicht hem dezen middag in den tuin reeds zoo bekend was voorgekomen. Een handdruk strekte ten teeken, dat men zich vooreerst nog stilhouden en zwijgende toeschouwers blijven zoude. Tegen een boomstam gedrukt, den adem inhoudende, wachtten zij de kleine bende af, en toen deze ongeveer vijftig schreden voorbij was, volgden zij met de grootste omzichtigheid, waarbij hun het matte lichtschijnsel, dat de lantaarnen terugwierpen, uitmuntend te stade kwam. Bernard stelde te veel vertrouwen op Lodewijk en kende hem te goed, om niet te vermoeden, dat hier òf eene misvatting, òf, wat in deze tijden, helaas! maar al te menigvuldig plaats greep, eene staatkundige verdenking, òf eindelijk, wat hem door de medewerking van den hatelijken vreemdeling het meest waarschijnlijk toescheen, een schelmstuk in het spel was. De gegrondheid van dit vermoeden was bij hem zoo boven allen twijfel verheven, dat hij besloot om Lodewijk, het kostte wat het wilde, uit zijn toestand te verlossen; want dikwijls kwam het in die dagen slechts dáárop aan, iemand aan zijne geheime rechters of vervolgers in het eerste oogenblik te ontrukken, om hem daarna geheel gered en in veiligheid gesteld te zien. Hij fluisterde dus Jaromir in het oor: „Ik vrees, vriend, dat hier een schurkenstreek volvoerd wordt, en ik heb mijne gegronde redenen tot dien argwaan. Gelukte het ons slechts onzen vriend uit de handen der drie mannen los te krijgen of hem een enkelen wenk te geven, dan zouden wij wel middelen vinden om hem ook verder te helpen. Wilt gij met mij het waagstuk ondernemen?”

Jaromir, wien het bewust was, wat hij op het spel zette, wanneer hij als soldaat eene wacht, en dat wel de geheiligde personen van twee fransche gendarmen, gewelddadig aanrandde, vond de onderneming bedenkelijk; aan de andere zijde koesterde hij evenwel te veel vriendschap voor Lodewijk, om ze van de hand te willen wijzen. Ook was hem de jeugdige lichtzinnigheid eigen, die de gevolgen eener daad slechts oppervlakkig overziet. Misschien ook was het een dieper trek van het poolsche volkskarakter, dat zich zonder den uitslag te berekenen, tot de dolste ondernemingen leent, die hem besluiten deed; althans hij sloeg toe.

„Goed dan,” sprak Bernard, „en wij zelven zullen niet het minste gevaar loopen, als wij het slechts bedachtzaam aanleggen. De weg waarop wij gaan is opgehoogd; hier rechts aan de heuvelzijde loopt, om het regenwater af te leiden, eene smalle gracht, die echter diep genoeg is, om iemand die er intuimelt, eenige minuten te laten omspartelen eer hij er uitkomt; links daalt de weg slechts drie of vier voeten steil naar beneden. Wanneer wij nu de gendarmen zachtjes nasluipen, hen onverhoeds in den rug vallen, den een rechts in de gracht, den ander links van de hoogte doen buitelen en vervolgens met vereende kracht den man in den regenmantel tegen het lijf rennen, vinden wij tijd genoeg om ons met Lodewijk uit de voeten te maken.”

Elk oogenblik was verzuim. Zachtjes, op de teenen, maar toch met rassen spoed volgden de rappe jongelingen het geleide, dat hun vriend verzelde; onbemerkt waren zij tot op tien passen genaderd. Lodewijk ging nog midden tusschen de gendarmen in, van welke de een dicht aan den rand van den weg, de ander in het gras langs den grachtkant rustig voortstapte. Eenige schreden vooruit ging de gemantelde met de lantaarn. „Dien rechts neem ik,” fluisterde Bernard; „nu!”

Als twee wedrenners in volle vaart, stoven de koene aanvallers voorwaarts, terwijl zij tegelijk een woest geschreeuw aanhieven. Nog eer de gendarmen konden omzien, werden zij, de een rechts, de ander links, met zulk eene kracht naar beneden geslingerd, dat zij onmogelijk bemerken konden, door wie en vanwaar de aanval geschiedde. Volgens afspraak wilden beiden thans den vreemdeling overhoop rennen, maar deze bespaarde hun die moeite, want bij den eersten kreet der toesnellenden had hij de lantaarn reeds van zich af geslingerd, zoodat zij uitging, en liep, wat hij loopen konde, den weg af naar beneden. Bernard achtte het niet raadzaam hem te vervolgen, maar beet Lodewijk, die verbaasd en roerloos stond, driftig in het oor: „Wij zijn goede vrienden; vlucht met ons!” Tevens greep hij hem bij den arm en riep: „Mij na!” Lodewijk herkende hem dadelijk en verzuimde niet hem te volgen; daar ook de lantaarns der gendarmen bij den val waren uitgebluscht, begunstigde de diepste duisternis de zeldzame vlucht. Pijlsnel ijlden alle drie in het donker voort, den weg op dien zij gekomen waren. „Mij na!” riep Bernard onder het loopen. „Wij moeten bij elkaâr blijven, dan hebben wij desnoods nog de overmacht.”

Een goed eindweegs hadden zij reeds afgelegd, toen zij achter zich twee schoten hoorden vallen. Het waren de gendarmen, die hunne karabijnen in de richting afvuurden, welke de vrienden genomen hadden.

„Schiet maar!” riep Bernard. „Wij hooren de kogels niet eens fluiten: ons treffen kunt gij niet meer!”

Naar den afstand van het geluid en den tijd vóór de losbranding verstreken, konden de vluchtenden zich tamelijk zeker achten. Echter zetten zij hunne vlucht zoo snel mogelijk voort. Thans liep er een zijweg linksom den berg op, dien Bernard insloeg; eenige honderd schreden verder vertraagde hij zijn tred en zeide: „Nu langzaam, anders verliezen wij kracht en adem! Voorloopig zijn wij in veiligheid; slechts geen woord spreken!”

Onder diep stilzwijgen klauterden zij opwaarts. Van tijd tot tijd luisterde Bernard, of hen ook iemand volgde. Alles bleef stil. Na een vierde uur, toen men rondom door dicht kreupelbosch omringd was, kon men met zekerheid aannemen, dat er geen gevaar meer te duchten bleef.

„Wat nu aan te vangen?” vroeg hij stilstaande.

„Allereerst,” sprak Lodewijk met vuur en greep de handen zijner geleiders, „allereerst u mijn hartelijken dank, gij trouwe vrienden! Maar zegt mij toch, hoe gij mijne aanhouding te weten kwaamt en door welk wonder mijne redding u gelukte?”

Bernard verhaalde hem het toevallige der ontdekking en de beweegredenen tot de welgelukte onderneming.

„Mijn goede engel heeft u geleid,” hernam Lodewijk met aandoening; „want ik was, geloof ik, het verderf nabij.—Maar wat hebt gij gewaagd!” riep hij eensklaps met diepe ontroering en omarmde beiden met broederlijke warmte.

„Gewaagd?” hervatte Bernard; „het zou wat! Ten hoogste was het een studentenstreek, die ons niet aan de galg zou gebracht hebben, al was men ons ook te handig geweest. En hoe zou men ons gesnapt hebben? Wie kent ons, wie heeft achterdocht op ons? Al liepen wij den gendarmen nog ditzelfde oogenblik in den mond, geen haar op hun hoofd zou er aan denken, dat wij het waren, aan wie zij dat lieve modderbad te danken hadden. Maar waarom hebben zij u dan toch bij de lurven gepakt? Of ben ik misschien nieuwsgieriger dan mij betaamt?”

„De geschiedenis is vreemd genoeg en mij zelf nog half een raadsel,” antwoordde Lodewijk. „Ook is het verhaal zoo ingewikkeld, dat ik het liever tot een gelegener tijd wil uitstellen.”

„Ook al goed,” hernam Bernard, „maar de hoofdomstandigheden dienen wij nu toch te weten om er ons gedrag naar in te richten en in de eerste plaats te bepalen, waar gij thans het meest veilig kunt zijn. Zoudt gij naar Dresden durven terugkeeren?”

„Ik vrees neen,” antwoordde Lodewijk. „Maar ik wil u een kort verhaal doen. Gij herinnert u den mensch, die ons in den tuin zoo bekend voorkwam?”

„Voorzeker, en verder?”

„Toen ik van den berg afkwam en de ruïne bereikt had, vond ik daar nog een aantal menschen verzameld, die voor den regen gevlucht waren. Natuurlijk zag ik rond of ik mijne moeder en tante ook ontdekte. Ik vond haar niet; het waren meest lieden, die tot den hofstoet behoorden. Toen ik daarop verder ging en pas honderd schreden van de ruïne verwijderd was, riep mij een fransch gendarm een vrij norsch „_Bon soir, Monsieur!_” na. Ik groette terug en wilde mijn weg vervolgen, toen hij mij te kennen gaf, dat ik hem verzellen moest. Ik vroeg waarom en waarheen? Daarop mocht hij niet antwoorden. Mijzelf bewust niets misdreven te hebben, besloot ik, hoe ongaarne dan ook, te gehoorzamen en hoopte, dat de gansche zaak zich terstond als een misverstand zou oplossen. Toevallig omziende, bemerkte ik een man in een regenmantel en een tweeden gendarm, die ons op den voet volgden. Toen zij nader kwamen, herkende ik den bewusten vreemdeling. Hij trad op mij toe en zeide met een terugstootenden grimlach: „Gij zult zoo goed zijn ons tot een klein verhoor te volgen, mijnheer!”—„Dat heb ik met verwondering gehoord,” antwoordde ik, „en het zou mij hoogst aangenaam zijn de reden te mogen vernemen.” Daar hij zweeg vervolgde ik: „Ik kan hier slechts eene misvatting veronderstellen en verwacht genoegdoening voor deze krenkende beleediging.”

„„Die zal niet uitblijven,” gaf hij droogjes ten antwoord, en wij draaiden naar het slot af.

„Het was mij inderdaad niet onaangenaam, dat de regen nog hevig neerstroomde en wij dus niemand ontmoetten; want het wekte een zeker gevoel van schaamte in mij op, als een galeiboef tusschen twee wachters vervoerd te worden. Aan de poort van het slot gekomen, werd ik in de kleine portierskamer gebracht, waar ik, door beide gendarmen bewaakt, een goed uur wachten moest, terwijl de vreemde zich verwijderd had. Dit tijdsverloop maakte ik mij ten nutte, om een besluit betrekkelijk mijn te houden gedrag te nemen. Ik nam mij voor, mij over niets uit te laten, maar slechts tegen het wederrechtelijke mijner aanhouding te pleiten. Natuurlijk was ik ook dadelijk op middelen bedacht, om mijne moeder den schrik te besparen, dien haar het bericht van mijn wedervaren buiten twijfel veroorzaken moest. Intusschen werden de plannen, die ik te dien einde opvatte, geheel verijdeld, zooals gij terstond hooren zult. Na een groot uur kwam de onbekende terug; het was reeds stikdonker, zoodat ik niet recht wist, waarheen ik vervolgens gebracht werd; denkelijk naar een der zijvleugels van het slot. Nadat ik eene steile trap opgeklommen en een vrij langen gang doorgegaan was, werd ik in eene kamer geleid, waar ik denzelfden man met het legioen van eer aantrof, die ons dezen middag ontmoette. Hij sprak enkel fransch. Ik beklaagde mij over mijne gevangenneming. Hij glimlachte, trok de schouders op en meende, dat de reden mij wel bekend zoude zijn. Hierop ging hij tot een volledig verhoor over en verlangde in de eerste plaats mijn naam te weten. Ik verklaarde dien niet te zullen noemen, alvorens ik wist op welken grond men mij van mijne vrijheid beroofde.

„„Gij zijt beschuldigd van hoogverraad,” antwoordde hij driftig.

„En door wien?” vroeg ik bedaard.

„„Door dien heer dáár”, hernam hij en wees op den vreemdeling.

„Ik ken dien heer niet,” zeide ik vrij gemelijk.

„„Maar hij u des te beter,” antwoordde mijn ondervrager op heftigen toon.

„Wel nu,” sprak ik, „als die heer mij beschuldigt van hoogverraad, zal hij gewis ook in staat zijn u mijn naam te zeggen, dien ik zelf weiger te noemen, daar ik de rechtbank waarvoor ik sta, niet als wettig erken.”

„De vreemdeling wist op deze woorden niets te antwoorden, maar wierp mij een half beschaamden, half grimmigen blik toe. Eindelijk fluisterde hij hem, die zich tot mijn rechter had opgeworpen, eenige woorden in het oor. Deze vervolgde: „Het spreekt van zelf, dat uw naam ons bekend is, mijnheer, maar de vorm van het verhoor vordert, dat gij zelf dien noemt.”

„Ja, de vorm van het als wettelijk erkende verhoor,” hernam ik.

„Mijn ondervrager werd rood van spijt bij deze nieuwe tegenwerping. Eenige malen ging hij de kamer op en neder en verliet toen met mijn aanklager het vertrek. Na verloop van een kwartier kwamen zij weer binnen. De man met het kruis trad met trotschheid op mij toe en zeide: „Men zal u thans naar eene plaats brengen, die misschien eenigen invloed op uw hardnekkigheid kan uitoefenen. Wees zoo goed dezen heer te volgen.”—Thans vielen mij moeder en zuster, hare zorg en bekommering te binnen.

„Gij zult toch veroorlooven, dat ik eenige vrienden, met welke ik op deze plaats gekomen ben, van mijn toestand naricht geef?” zeide ik met drift.

„„Ik kan u zulks niet vergunnen,” was het antwoord.

„Hoe!” riep ik, „schuwt uwe rechtbank zoozeer het daglicht? Dat is de wreedheid eener inquisitie!”

„„Een gevangene, die zich zelf niet noemen wil, kan onmogelijk op eene dergelijke vergunning aanspraak maken.”

„Welaan dan,” riep ik, „ik zal mijn naam noemen, zoodra ik aan de mijnen bericht toegezonden en hen daardoor in staat gesteld heb, om tegen mijne willekeurige en gewelddadige arrestatie op te komen. Ik schrijf twee regels; binnen tien minuten kan ik ze onderteekend terug hebben. Zoodra dit bewijs, dat de mijnen onderricht zijn, in mijne handen is, zal ik op elke billijke vraag van uw verhoor antwoorden.”

„De man scheen eene poos besluiteloos. Eindelijk kreeg ik ten antwoord: „Ik moet uw verlangen onvoorwaardelijk van de hand slaan en mag u geen gemeenschap, hoegenaamd ook, met de uwen vergunnen. Overigens zal ik wel middelen weten te vinden, om van u te vernemen, wat wij weten moeten. Tot wederzien!”