Part 11
Met angstvallige verlegenheid zagen de meisjes elkander aan; het onweder dreigde hevig te worden en was reeds zoo nabij dat men het niet meer ontvlieden kon. De toestand waarin zij verkeerden was dus inderdaad bedenkelijk, en toch werd het schouwspel zoo verheven, dat de aanblik daarvan alle bezorgdheid en vrees eenigermate op den achtergrond deed treden. In dichte massa's pakten de zware, met vuur en sulfer bezwangerde donderkruinen zich aan den oostelijken gezichteinder opeen en hulden het gebergte in een steeds dichteren sluier. Een nachtelijk duister breidde zich over het gansche landschap uit; slechts eenige ten deele met witte pleistergebouwen bekroonde hoogten, waarop de zon van tusschen de scheuren der wolken hare schuine lichtstralen nederschoot, glansden in lichte omtrekken op den donkeren grond. In het westen was het helder lichtblauw nog niet geheel door de zwarte wolken omsluierd, die, somber en dreigend voor de zonneschijf gelegerd, met vurige, getakte goudboorden door haar omzoomd werden. Herhaalde malen verhief zich de storm met woeste vlagen, schudde de kruinen der eiken en dennen en joeg het stof in dwarlende zuilen naar boven; gedurende de tusschenpoozen was de stilte daardoor des te doodscher en beklemde eene zwoele drukking de borst. Geen vogel liet zich hooren; slechts hier en daar zag men er nog een angstig fladderend zijn nest zoeken. Op eenmaal zetten roode vuurstralen den ganschen westelijken hemel in vlam en kronkelend schoot de bliksem in den breeden stroom neder. De zwangere wolken waren intusschen nog tamelijk ver verwijderd; want er verliep een halve minuut eer het doffe rollen van den donder door de lucht dreunde en ratelend van berg- tot bergkruin voortliep.
„Heerlijk!” juichte Bernard. „Een dozijn schooner dagen geef ik voor zulk een onweer! Hoe prachtig vallen die lichttinten op het landschap! Dag en nacht in scherpe toetsen naast elkaar gelegerd! Zie den Sonnestein daar boven den Pirna nog glanzen en fonkelen tegen de blauwzwarte wolken, die zich achter hem opeenstapelen; en de witte zeilen daar op de Elbe, die als meeuwen over den grijzen stroom schieten!”
De meisjes waren van de verheven schoonheid van dit tooneel zoo doordrongen, dat zij zich wel wachtten, voor de kleeding en hoeden eenige bezorgdheid te doen blijken. Echter trok het onweder met zulk eene vreeselijke majesteit boven hare hoofden samen, dat het een vrouwelijk hart wel met eenigen angst vervullen kon.
„Daar ginder begint het al sterk te regenen,” merkte Lodewijk op, terwijl hij met den vinger de richting aanwees.
„Waar?” vroeg Maria.
„Daar, rechts van den Königstein, waar die dichte, grauwe en purperkleurige strepen uit den schoot der wolk tot de aarde afdalen; men kan duidelijk zien, dat de regen meer en meer naar het westen trekt.”
„Zou het mogelijk zijn,” vervolgde Maria, „dat wij Pillnitz bereikten eer de bui geheel losbreekt?”
„Bezwaarlijk,” hernam Lodewijk; „ook durf ik niet aanraden er de proef van te nemen; daar wij hier boven in het kleine gewelf van den toren, dat men ons gewis gaarne zal openen, eene veilige schuilplaats hebben. Wellicht trekt ook het onweder nog geheel voorbij, want de storm schijnt hevig genoeg te zullen worden om het over onze hoofden weg te drijven.”
Inderdaad togen de wolkgevaarten thans zoo gebroken over de bergkruin heen en pakten zich aan de overzijde van den stroom zoo dicht samen, dat Lodewijks gissing eenige waarschijnlijkheid bekwam. Terwijl men nog overleide, welke partij te kiezen, kwam een ruiter in vollen galop den berg opstuiven en bracht den hoftuinier het bericht, dat de fakkelrit plotseling was uitgesteld, zoodat de toebereidsels ter ontvangst der hooge gasten tot morgen konden worden opgeschort. De arbeiders, die van alle zijden door het bosch omgeven, de nadering van het onweder eerst door den donderslag bemerkt hadden, haastten zich nu hunne afgelegde kleedingstukken en gereedschappen bijeen te rapen, ten einde zoo spoedig mogelijk onder dak te komen. De meisjes wierpen hare doeken over het hoofd en vluchtten ijlings langs het bergpad naar beneden. Van de mannen bleef nog een klein aantal op last van den opzichter terug, om de tent af te breken, die bezwaarlijk tegen de regenvlagen zou bestand geweest zijn.
Deze aanstalten en vooral de haastige vlucht der tuinmeisjes vermeerderden de bezorgdheid der vrouwen, die nog op de hoogte van den toren stonden en hare in den wind fladderende, lichte kleeding met moeite in bedwang hielden. Maria was van oordeel, dat men nog even goed als deze eene schuilplaats zoeken en eene woning bereiken konde, die meer beschutting tegen het weer aanbood. Lodewijk snelde dus in allerijl de trappen af om bij den hoftuinier naar het een en ander te vernemen. Deze liet juist de tent en de tot het opslaan gebezigde gereedschappen in de enge ruimte brengen, welke de toren aanbood. Op Lodewijks vraag verzekerde hij niet te twijfelen, of men zou Pillnitz nog gelukkig kunnen bereiken, daar de weg bergaf spoedig was afgelegd en de onweders hier boven op de hoogte, waar men door niets tegen den storm beschut was en den ganschen gezichteinder overzag, steeds nader en dreigender schenen dan zij inderdaad waren, zoodat er wellicht nog een uur verloopen kon eer het begon te regenen. Verkoos echter het gezelschap hier boven te blijven, zoo wilde hij gaarne den sleutel tot de kleine bergplaats in den toren geven, schoon ze met gereedschappen, stoelen en tafels reeds grootendeels opgevuld, slechts een klein getal personen bevatten kon.
Lodewijk nam dit aanbod met dankbaarheid aan en beloofde de deuren zorgvuldig te zullen sluiten en den sleutel in Pillnitz af te geven. Ofschoon de tuinier de ondervinding voor zich had, scheen hij zich toch ditmaal in de nabijheid van het onweder te bedriegen; althans Lodewijk wilde der vrouwen nog eerst de keus laten of zij den terugweg boven het hem verkieslijker schijnend schoon ook al niet zeer aangenaam oponthoud de voorkeur gaven. Hij nam dus den sleutel aan en spoedde de trappen weder op om zijne berichten over te brengen. De stemmen waren verdeeld. De mannen, vooral Bernard, stemden eenparig om te blijven, daar men klaarblijkelijk geen dak meer bereiken konde eer de onweersvlaag in volle woede losbarstte; de meisjes daarentegen, voor de ongerustheid bekommerd waarin de moeders bij langer uitblijven natuurlijk verkeeren moesten, drongen er op aan den gevaarlijken tocht te wagen en dadelijk op weg te gaan. Daar hare wenschen het meest in aanmerking kwamen en er geen eigenlijk gevaar te duchten was, besloot men dan te vertrekken. Toen Maria echter, door Rasinski geleid, den voet op de eerste trede der smalle, steile trappen zette, lichtte het zoo sterk, dat de gansche hemel in vlammen stond en men het oog, door het schijnsel verblind, onwillekeurig sluiten moest. Verschrikt en bevende deinsde Maria terug en drong zich angstig aan haren geleider; maar bij de haastige beweging gleed haar voet uit, en zij zoude, had Rasinski haar niet spoedig in zijne armen opgevangen, onvermijdelijk naar beneden zijn gestort; althans het gevaar scheen zoo dreigend, dat Emma en Julie een luiden gil gaven en sidderend toesprongen. Spoedig echter had zij zich weder opgericht en antwoordde op de, haar van alle zijden overstelpende vragen, of zij zich ook bezeerd had, met een geruststellend lachje op het verbleekte gelaat: „O neen, ik ben slechts een weinig geschrikt, 't zal niets te beteekenen hebben.”
Rasinski ondersteunde haar zorgvuldig en leidde haar behoedzaam naar beneden. Eerst toen zij den vlakken grond bereikt hadden, bemerkte hij dat het gaan haar bezwaarlijk viel. „Ik voel wat pijn aan den voet,” gaf zij op zijne vraag ten antwoord; „maar die zal wel spoedig verdwijnen.” Blijkbaar spande zij alle krachten in om de smart meester te worden en een vasten tred te houden. Zulks was haar nochtans onmogelijk, de voet zwikte en zij moest zich aan Rasinski vasthouden om niet neder te zijgen.
„Nu zal ik toch wel moeten blijven,” zeide zij, „want het snelle afstijgen is mij niet mogelijk.”
„Ook niet, als ik u aan de andere zijde ondersteun, lieve Maria?” vroeg Lodewijk en vatte haar bij den rechterarm.
Het meisje deed eenige schreden voorwaarts, maar moest zich bedwingen om de hevige pijn niet door een luiden schreeuw te verraden. „Ik geloof ook zóó niet,” zuchtte zij.
„Wij dragen haar naar beneden,” riep Bernard haastig.
„Neen, neen,” hervatte Maria met een vriendelijk lachje; „ik kan immers hier boven blijven, Lodewijk zal mij wel gezelschap houden.”
„Dan blijven wij allen,” riep Julie met vastheid, en Emma gaf hetzelfde besluit te kennen.
„Het is waarlijk ook beter,” sprak Lodewijk, „want er vallen al droppels en de al te groote spoed bij het afklimmen kon, wanneer wij door den regen verrast werden, licht nog erger gevolgen hebben. Daar de vlaag zoo hevig schijnt te worden, zal zij ook wel schielijk voorbij zijn.”
HOOFDSTUK VI.
De laatste werklieden verlieten juist de plaats,—de opzichter was reeds vroeger vertrokken, zoodat Lodewijk door niets verhinderd werd, zich in het volle bezit van den toren te stellen. Hij opende het kleine vertrek, dat, met opeengestapelde tafels, stoelen en tentstangen onordelijk opgevuld, aan zoovele personen te nauwernood den toegang, veel minder eenige gemakken aanbood. De mannen gingen intusschen moedig aan het werk en trachtten, door een zorgvuldiger bijeenpakken en op elkander schuiven der verwarde huishouding, eenige ruimte te veroveren. Dit gelukte eindelijk in zoo verre, dat men voor de acht aanwezigen acht stoelen ontledigde; de deuren moesten natuurlijk, om lucht en licht door te laten, geopend blijven; want aan het ontsluiten der verschanste vensterluiken was niet te denken. Juist te rechter tijde was men met deze voorbereidselen in gereedheid, daar de groote regendroppels steeds dichter en dichter nedervielen en de storm zich nederlegde. Een hevige donderslag, dicht over de hoofden der verzamelden heenrollende, scheen de wolken eensklaps vaneen te rijten en voor de waterstroomen des hemels de baan te openen. Zware hagelsteenen, met scherpe ijssplinters doormengd, vereenigden zich met den geweldigen stortregen, die kletterend neerplaste, en sloegen het teedere loof der boomen met eene verheerende kracht en snelheid ter neder. De schuilenden moesten zich nu inderdaad gelukkig achten de terugreis niet ondernomen te hebben; want een onweder in die hevigheid was ongetwijfeld met groot gevaar verbonden, wanneer het hen midden op den weg overvallen en hun geen tijd gegund had naar eenige schuilplaats om te zien. Eene duisternis, de laatste schemering evenarende, omgaf de bergkruinen. De donderwolken legerden zich gestadig dichter daarom heen en bliksemstraal volgde op bliksemstraal, zoodat de gansche atmospheer in laaien vuurgloed stond, terwijl het rollen des donders niet meer ophield, maar slechts enkele, verdoovend krakende slagen zijne ontzagwekkende gelijkvormigheid afwisselden.
De aanblik van dit verheven natuurtooneel liet de mannelijke, met het gevaar vertrouwde borst niet geheel onbewogen, en hoeveel te meer moest die der vrouwen daardoor dan niet met bangen angst vervuld worden! Stil en bleek zaten de drie meisjes naast elkander aan die zijde, waar zij tegen het inslaan van den regen het best beschut waren. Maria leed bovendien nog hevige pijnen aan den verzwikten voet; tusschen Julie en Emma zittende, leunde zij het hoofd tegen den schouder der eerste, terwijl de andere de hand der lijdende vriendin deelnemend in de hare sloot. De mannen zochten door eene uiterlijke gerustheid, welke Rasinski door onverschillige aanmerkingen, Bernard zelfs door scherts poogde aan den dag te leggen, den moed der vrouwen staande te houden. Intusschen verried zich het gemaakte dier kalmte te duidelijk, om niet eene tegenovergestelde uitwerking te weeg te brengen. En inderdaad werd de bezorgdheid, welke het schijnbare gevaar aan de vrouwen inboezemde, nog door de vrees overtroffen, die een beter inzicht in het werkelijke bij de mannen verwekte. Niemand hunner kon het zich toch langer ontveinzen, dat het onweder tot de hevigste behoorde, die ooit plegen voor te komen, en dat deze eenzame hoogte, om welke de bezwangerde wolken zich gestadig dichter opeenpakten, de gevaarlijkste plaats was, die men tot een toevluchtsoord had kunnen uitkiezen. Lodewijk inzonderheid was zeer bezorgd, dat de bliksem in den toren mocht neerslaan, daar de afleider hem op verre na geen toereikende zekerheid scheen te verleenen. Een geluk was het overigens, dat niemand de spits daarvan zien konde, anders zouden de lichtkrans, die om de staalpunt vlamde, en de vuurstraal die bij voortduring langs de neerhangende stang afgolfde, de vrees nog aanmerkelijk vermeerderd hebben.
Ongeveer een half uur woedde het onweder met volle hevigheid; daarna nam het af, de donder en bliksem werden minder en de regen stroomde, hoewel nog steeds rijkelijk genoeg, toch min onstuimig naar beneden.
De meisjes haalden weder ruimer adem en genoten het vroolijke gevoel, dat na een doorworsteld gevaar het hart bezielt en waardoor de schuldelooze borst slechts tot zachte, dankbare aandoeningen gestemd wordt. Maria zag haren broeder met een onbeschrijflijk liefderijken blik aan; Lodewijk verstond dien. Hij reikte haar de hand en zeide: „Goede Maria, lijdt gij nog pijn?”
„Neen,” antwoordde zij, niet geheel naar waarheid; „maar het gaan zal mij toch nog bezwaarlijk vallen.”
„Mij wordt het hier te eng in de bedompte kooi, ik moet mij verfrisschen!” riep Bernard en sprong haastig naar buiten, waar de frissche, thans slechts als zilverstof neervallende regen hem de gloeiende wangen afkoelde. Ook Lodewijk trad in de vrije lucht en volgde zijn vriend naar de andere zijde van den toren, waar men den hemel beter overzien kon. „Dat regent nog vier en twintig uren voort,” sprak Bernard. „Maar wat ik zeggen wou, gij hebt eene zuster, die, de hemel weet het, meer deugt dan gij en ik te zaam genomen. Waarachtig, zij kan gelden voor eene vrouw, en bemint u meer dan gij misschien verdient. Van jongs af zijn tranen mij een gruwel geweest, te weten in mijn eigen oogen, anders wil ik er niet voor instaan, of, toen zij u zoo vriendelijk aanzag...”
„Gij hebt een traan in het oog,” sprak Lodewijk, en zag hem met vriendelijken ernst aan, „o, schaam u daarover niet.”
„Mocht de drommel!” riep Bernard gemelijk; „een regendrop is 't, die mij op de wang spatte! Ik zeg u immers, tranen in 't mannenoog zijn mij zoo hatelijk als een matrozenvloek op meisjeslippen, zelfs vrouwen zie ik niet gaarne weenen, want het steekt aan. In de werkelijkheid namelijk; want dat ik gaarne treurende vrouwenbeelden schilder, wil ik niet loochenen en kan ik u terstond bewijzen.” Tegelijk kreeg hij het schetsenboek met perkamentbladen te voorschijn, dat hij gestadig bij zich droeg.
„In dit boekje,” zeide hij, „staat menig gezicht dat het aanzien waard is, schoon niet altijd een blauwe hemel uit de blauwe oogen lacht. Waarlijk, uwe zuster kwam er thans ook in, als die verdrietige regen mij het werken maar niet belette. De geheele groep zou ik willen afteekenen, met Mars Rasinski aan 't hoofd, die de drie duiven als een arend onder zijne vleugels neemt, schoon ik den kerel van ganscher harte naar de maan begin te wenschen.”
„Het doet mij genoegen,” antwoordde Lodewijk, „dat gij die schetsen bij u hebt, want de regen kan aanhouden en in die statige verwachting schijnen de uren zich te verdubbelen. Konden wij de vrouwen een uur misleiden, het zou mij hoogst aangenaam zijn. Kom dan meê naar binnen en laat de meisjes uw boek zien.”
„Ik heb er vrede meê,” hervatte Bernard, „schoon het eigenlijk voor de kunst, die ons in kalme, rustige uren als eene goddelijke leidsvrouw verzellen moest, wat smadelijk is, dat wij haar tot vogelverschrikker tegen een paar rondfladderende zorgen, of liever tot verguldsel op de pil gebruiken, die het lieve noodlot ons te slikken geeft.” Zij traden binnen.
„Wij hebben de lucht naar alle zijden opgenomen,” sprak Lodewijk, „en hopen dat de regen weldra zal ophouden. Intusschen wil Bernard ons met zijne schetsen den tijd verkorten, zoodat wij aan onzen tegenspoed nog een onverwacht geluk te danken hebben.”
„En is dat gewoonlijk niet het geval?” vroeg Maria glimlachend.
„Voorzeker,” antwoordde Bernard, „en ik vooral hoop mij de ramp ten nutte te maken; want als ik hier mijn teekenboek vertoonen zal, kan het onmogelijk bij elk omslaan van het blad van hand tot hand rondgaan, daar ik als uitlegger en oppermachtig bezitter de beschouwing zelf behoor te besturen. Voor eenige oogenblikken moet ik dus volstrekte gehoorzaamheid vorderen en onderwerping aan de maatregelen, welke ik nemen zal om mij eene benijdenswaardige plaats te verzekeren.”
Men was dadelijk bereid aan dezen eisch te voldoen. Bernard plaatste dus vier stoelen op een rij; aan den rechtervleugel moest Maria plaats nemen, hij zelf zette zich nevens haar en nam Emma en Julie aan zijne linkerzijde. De overige vier mannen moesten zich achter de stoelen scharen; Rasinski trad achter Maria, Lodewijk achter Bernard, de beide jonge officieren achter Julie en Emma.
„Zoo,” begon Bernard, „nu zal ik met strenge onpartijdigheid nu rechts dan links bij de dames beginnen en van alles eene stipte verklaring geven. Één ding verzoek ik echter: vraag mij bij landschappen, bij mannen, kortom bij alles, naar pas, stand en naam; maar de vrouwenbeelden blijven incognito, daar ik het geheime boek van mijn hart waarlijk niet voor ieder durf openleggen.”
Ook aan deze harde wet onderwierp men zich gewillig en ging met gespannen verwachting tot het beschouwen der handteekeningen over. De meeste waren, als Bernards gemoedsaard, stout, levendig, met weinige gespierde trekken eer scherp aangeduid dan uitgewerkt, zelden sierlijk, uitvoerig en zuiver. Bij wijlen echter straalde ook de fijne bevalligheid zijner stift in de behandeling door. De inhoud van het boek bestond uit landschapstukken, als: romantische rotspartijen, boomgroepen, watervallen; soms ook ontmoette men een volledig landschap; hiertusschen waren figuren in verschillende volksdracht, noorweegsche visschers, trotsche jagers, kudden rendieren en dergelijke tafereelen vluchtig neergeworpen. Alles was geheel oorspronkelijk en boeide door de vreemdsoortigheid der onderwerpen.
„Gij zult bespeuren,” merkte de vertooner op, „dat er een zekere plaatselijke samenhang in mijn werk heerscht, daar gij er mijne reisroute uit volgen kunt en kunt zien, waar ik mij in steden en onder menschen, waar in de eenzaamheid ophield. Van den beginne af had ik het mij tot wet gemaakt, niet nu hier dan daar het boek te openen en aan het teekenen te gaan, maar het eene blad na het andere te vullen en daarbij zooveel mogelijk plaats te besparen, daar ik het meesleepen van onnutte dingen haat en gaarne alles bijeenhoud. Vandaar heb ik nog, schoon ik van den eersten dag der reis mijne schetsen begon op te zamelen, eenige groote bladen over, waarop ik dezen toren en ons allen daarin afteekenen kan, als het weer mij slechts een half uur den tijd gunt. Maar zie hier dezen Bergschot met zijne dochter; de partij op den achtergrond behoort bij het meer Kathrin. Wij naderen nu met elk blad de beschaafde wereld en weldra bevinden wij ons in het midden van Londen.—Waarachtig, daar is reeds eene lady, wie ik, zonder dat zij 't wist, haar portret ontkaapte, terwijl zij voor haar landhuis op het terras zat en ik mij in een vlierbosch schuilhield.”
„Hoe lief en onschuldig vlijt zich dat kind aan haren schoot,” zeide Maria. „De bloemkrans, dien het der moeder brengt, is toch wel eigen vinding?”
„Zeker niet,” antwoordde Bernard; „de stoute spring-in-'t-veld had eene gansche handvol madeliefjes, aurikels en andere kleine bloemen verzameld en bestrooide er zijne moeder meê, die hem daarvoor, naar mijn oordeel, eens duchtig had moeten afstraffen, den wilden vernielal, die in eene minuut meer afplukte dan in eene week weer kon aangroeien; maar zij deed het niet en lachte, en kuste den kleinen krulkop; ook daaraan heeft mijne vinding geen deel. Over het geheel is het gansche boek als het ware een zakspiegel, waarin ik slechts de beelden der werkelijkheid opving.”
Men bladerde voort en vond eenige caricaturen, daarop verschillende aardige landmeisjes, pachtersdochters, melkverkoopsters en dergelijke beelden. Eindelijk was men in Londen. Naar hij vooraf gezegd had, liet hij teekeningen van vrouwelijke gestalten en beelden zonder verklaring voorbijgaan, wat Lodewijk zeer lief was. Deze begreep nu toch, dat zijn vriend die voorwaarde opzettelijk gemaakt had om der vrouwen eene verlegenheid te besparen, daar onder de herinneringen uit Londen enkele waren, die het oog der mannen lichtelijk voor de zoodanige herkende, over wie nadere uitlegging onvoegzaam was. Dat de schilder ze als gelaatkundige studiën behandeld had, kon hem niemand ten kwade duiden. Te midden der schalksche, moedwillige gezichten was ook wel hier en daar eene zachte, eerzame engelsche te vinden.
„O hoe schoon!” riep Maria, toen Bernard een nieuw blad omslag; „hoe verrukkelijk schoon!”
Rasinski, door dezen uitroep opmerkzaam gemaakt, boog zich dieper over den schouder van het meisje. Onwillekeurig riep ook hij: „Bij den hemel, dat gelaat is bekoorlijk!”
„Onbeschrijfelijk!” vervolgde Maria. „Maar wie is zij? Deze ééne moet gij ons noemen,” voegde zij er vleiende bij.
„En als ik nu juist om dit portret mijn beding gemaakt had?” begon Bernard. „Maar schoon zulks niet het geval is, ben ik hier toch gedwongen, mij daaraan strikt te houden. Ik ontvreemdde dit gezicht, als Prometheus het goddelijke vuur uit den hemel, in het _Kings theatre_ te Londen, toen de Romeo en Julia gegeven werd en ik in eene loge slechts deze Julia zag, die mij van die op het tooneel niet het minste deed zien of hooren. Daar roofde ik dit gelaat, met zijne zachte, hemelsche uitdrukking.”
„O, welke roerende tranen!” sprak Maria.
Lodewijk, die zich tot hiertoe bescheiden had teruggehouden, om Rasinski niet te hinderen, boog zich nu voorover om de teekening te zien, welke Maria hem vriendelijk voorhield. Nauwelijks echter had hij een blik op het blad geworpen, of tot in het diepst zijner ziel geschokt, beefde hij terug, daar hij Bianca's beeltenis herkende. Een snelle kreet ontsnapte zijne lippen; maar, zonder zich zelf bewust te zijn door welke macht, werd hij zich toch in zoo verre meester, dat hij op het, hem in de eerste hartstochtelijke drift ontvallen: „O hemel!” een meer koel: „Welk een bekoorlijk wezen!” kon laten volgen. Meer vermocht hij niet. Zijn oog werd beneveld; ofschoon het zachte gelaat zijne blikken met onbeschrijfelijke tooverkracht tot zich trok, scheurde hij zich met geweld daarvan los, om zijne aandoening niet nog meer te verraden. In angstvolle spanning verbeidde hij, of hem thans door het zonderlingste toeval een geheim, waarvan het geluk van zijn leven afhing, zoude ontsluierd worden; want Maria, die maar niet kon begrijpen, dat Bernard niet weten zou wie dit bekoorlijke wezen was, vroeg nogmaals: „En gij kondt dan werkelijk niets van haar ontdekken? Een zoo belangwekkend wezen kon immers zelfs in het onmetelijke Londen niet onbekend blijven.”