Part 10
Het was nauwelijks twee uur geslagen, toen een der door Bernard bestelde wagens kwam aanrollen; een kwartier uur later volgde de tweede, waarin de drie officieren en Bernard reeds plaats genomen hadden. Lodewijk snelde naar de deur om hen te ontvangen en naar boven te geleiden. Toen de kamerdeur zich thans opende en de rijzige, mannelijk schoone Rasinski met de edelste ongedwongenheid binnentrad, was eene blijde verrassing op de gelaatstrekken der vrouwen onmiskenbaar te lezen, die bij de drie meisjes weldra voor een donkeren blos plaats maakte, bij het alleszins gegronde, ofschoon slechts duistere gevoel, dat de indruk, dien de verschijning van den Pool op haar te weeg bracht, zich door hare trekken verraden had. Bovendien stak het van nature statige en ontzagwekkende voorkomen van Rasinski, door den glans zijner prachtige monteering nog opgeluisterd, op eene in het oog loopende wijze af bij de eenvoudigheid van het burgerlijk ingerichte vertrek en de huiselijke kleeding der vrouwen. Zelfs Lodewijks moeder, die overigens den juisten toon in den omgang met hoogere standen geenszins miste, was een oogenblik verrast, ja bijna verlegen; doch de welwillende vriendelijkheid en de ongekunstelde wellevendheid van den graaf lieten dien toestand ook slechts een oogenblik duren. Daar Lodewijk hem met de woorden: „De graaf Rasinski,” aan zijne moeder had voorgesteld, zeide hij op innemenden toon: „Mijne rechten op het hart van mijnheer uw zoon zijn nog te nieuw, mevrouw, om mij er over te durven beklagen, dat hij mij niet als zijn vriend voorstelt, want anders zouden de eerste woorden die ik met u wissel in eene aanklacht moeten bestaan.”
„En toch,” hervatte de moeder, „moet mijn zoon op zijne rechten als vriend al veel vertrouwen stellen, daar hij slechts op deze steunende u in een kring dorst binnenvoeren, welke u niets kan aanbieden dan gaven, die slechts bij innig bevriende betrekkingen eenige waarde bezitten.”
„Het zijn de eenige, die ik waardeer, maar die mij echter ook boven alles dierbaar zijn,” hernam Rasinski met vuur.
Lodewijk maakte nu ook de overige personen met elkander bekend, eene taak, welke hem door den aangenamen, vrijen gezelschapstoon, zijnen vriend geheel eigen, en de innemende wellevendheid van Maria, die door ongedwongenheid niets aan fijnheid verloor, aanmerkelijk verlicht werd. Slechts Julie en Emma, den steedschen omgang minder gewoon, waren in de eerste oogenblikken een weinig bedeesd en verlegen.
Daar de mannen elke aangebodene verfrissching van de hand wezen, stond niets het afrijden meer in den weg. Rasinski geleidde de gastvrouw, Lodewijk zijne tante naar beneden, waar men het over de verdeeling spoedig eens werd, en de tante, Maria, Bernard, benevens de beide jongere officieren in het eerste, de moeder, Rasinski, Julie, Emma en Lodewijk in het tweede rijtuig plaatsnamen.
HOOFDSTUK IV.
Het besluit tot een rit naar den Porsberg was zoo onverwachts bij het hof opgekomen, dat er in de stad weinig van bekend werd en men Pillnitz dus nog bijna geheel ledig vond. Lodewijk maakte hiervan gebruik, door in de herberg dadelijk eene vrije kamer in beslag te nemen, wijl naderhand de toeloop lichtelijk zoo groot kon worden, dat het aan plaats ontbrak. Nadat de dames aldaar haar toilet een weinig in orde hadden gebracht, besloot men tot eene wandeling in den tuin, waar de schaduwrijke lanen bij de nog tamelijk drukkende hitte eene aangename schuilplaats beloofden. Eerst later, bij de invallende koelte, wilde men den berg beklimmen, daar het hof eerst tegen het ondergaan der zon op den top verwacht werd.
De tijd vlood onder het wandelen hoogst genoeglijk voorbij. Reizigers, vooral soldaten, die een zwervend leven leiden, worden oneindig veel spoediger bekend in de kringen met welke zij vluchtig in aanraking komen, dan zulks met anderen het geval is. De dra op handen zijnde scheiding leert daarbij de waarde van het oogenblik hooger schatten; men beschouwt elk, dien men slechts voor korten tijd zien zal, om hem dan wellicht voor eeuwig vaarwel te zeggen, veel opmerkzamer, dan hem, wiens levensweg met den onzen langer schijnt te zullen samenloopen. Ook vindt onder zulke omstandigheden eene eigenaardige, wederkeerige toenadering en belangstelling plaats. De blijvende beschouwt den vreemdeling, die verre landstreken doorkruist heeft, en nog meer verwijderde te gemoet snelt om er wellicht de zonderlingste ontmoetingen te beleven, met verhoogde deelneming; de omdolende vreemdeling daarentegen wordt door den aanblik van het gelijkmatige, zorgelooze geluk eener stille huishoudelijkheid tot een weemoedig verlangen gestemd, dat ook hem alle voorwerpen in een bekoorlijker daglicht vertoont. Zoo kunnen ook persoonlijke hoedanigheden, die ons in den gewonen omgang misschien onverschillig zouden hebben gelaten, in zulk een geval hoogst aantrekkelijk worden en daar vooral, waar eene inderdaad zeldzame vereeniging van belangwekkende eigenschappen gevonden wordt, vormt zich niet zelden, wanneer een rechtstreeksch verschil van levens- en lotsbestemming de wederzijdsche toenadering versterkt, eene innige verbintenis der harten, die, hoe snel en vluchtig aangeknoopt, dikwijls nimmer weder kan verbroken worden zonder de smartelijkste wonden achter te laten.
Dit was bij de jeugdige gemoederen het geval, die zich thans in argelooze openhartigheid voor elkander ontsloten. Het kon wel niet anders, of twee in de stilte van het landleven opgegroeide meisjes, die een gelukkigen aanleg bezaten, maar wier opvoeding echter door de omstandigheden eenigermate gebrekkig was geweest, moesten worden medegesleept door het onderhoud van twee vurige jongelingen, wier borst in edele geestdrift voor den krijg en het vaderland ontvlamd was, en wier leven van hunne vroegste jeugd af zoo rijk aan merkwaardige ontmoetingen en eervolle daden was geweest. Jaromir bezat daarenboven die, zijn volk eigene, bijna kinderlijk eenvoudige levendigheid, welke, met eene vreemdklinkende uitspraak der duitsche taal en eene daaruit ontstaande geheel eigendommelijke wijze van uitdrukking gepaard, iets zeer innemends had; Boleslaw integendeel was ernstig in zijn voorkomen, doch de adel zijner gelaatstrekken, zijn hoog met donkere lokken overschaduwd voorhoofd, zijne vurige oogen verzekerden hem al dadelijk bij zijne eerste verschijning een warme belangstelling. Daarentegen moesten twee jonge helden, die eerst voor eenige dagen het ruwe legerkamp verlaten hadden en een vertrouwelijken omgang met edele, beschaafde vrouwelijke wezens niet dan uit de herinneringen hunner kindsheid kenden, wellicht nog sneller door de banden geboeid worden, die zich zoo spoedig tusschen de onverbasterde, jeugdige harten laten aanknoopen. Onder zulke omstandigheden pleegt wel is waar niet zoo licht een diep indringende hartstocht te ontstaan, wijl het vluchtige, voorbijgaande en kortstondige der genieting zich telkens aan de ziel voordoet; maar het oogenblik doet daarvoor zijne rechten ook des te levendiger gelden.
Deze beide paren genoten dus een schuldeloos geluk, zonder zich van de oorzaak daarvan rekenschap te geven; het vervulde en verkwikte hun de borst, gelijk een zachte lentedag, welks verrukkende tooverkracht ons ook uit verborgen bronnen in de ziel dringt en slechts een algemeen verlangen doet ontwaken, zonder den blik op bepaalde verwachtingen te doen vestigen.
Beter was Bernard, die, gelijk eene plant van het gloeiende zuiden, door den geweldigen vuurgloed zijner ziel vroeger tot een ongelijk hoogeren wasdom en eene meerdere ontwikkeling van al zijne krachten gerijpt was, zich den aard zijner gewaarwordingen bewust. In zijne borst was het zelden helder dag; hij kende slechts nacht en vlammen, en deze brandden nooit zuiver, maar wierpen, gelijk de vuurkraters der zon, gestadig reusachtige sintelmassa's uit, die zich tot zwarte vlekken vormden op de lichtende schijf. Intusschen werd ook de duistere nacht bij hem verlicht, hetzij door bliksemstralen, hetzij door eenige in de verte fonkelende sterren, op welke hij het oog met smachtend verlangen gericht hield. Deze fantastische beschouwing van zijn binnenste was bij hem opgekomen, toen hij een weinig met Lodewijk was achtergebleven en beiden, stilstaande, met het oog de wentelende golven van den stroom volgden.
„Tusschenbeiden,” begon hij, „komt het mij voor, dat het in het uiterste noorden van den nachtelijken hemel mijner ziel begint te schemeren en de maan zacht en glansrijk moet opkomen. Maar zij stijgt bloedig op, en die gansche schemering was slechts de weerschijn van een brand, die mij, de duivel weet wat vernielt.”
„En mij is het,” antwoordde Lodewijk, wien deze vergelijking bij zijne tegenwoordige gemoedsstemming diep ontroerde, „mij is het alsof die schemerende gloed slechts het ondergaan van eenig schoon gesternte aanduidde, waarna alles spoedig duistere nacht zal zijn.”
„Gij kunt gelijk hebben,” sprak Bernard ruw en kortaf, zooals hij gewoon was; „maar keeren wij tot het gezelschap terug.”
„Ik troost mij daarmede,” vervolgde Lodewijk onder het voortgaan, „dat elk ondergaand gesternte in eene andere wereld opgaat.”
„Ja, ja, recht lief,” merkte Bernard op; „het rad, dat mij lenden en ribben en mijnenthalve het hart daartusschen stuk rijdt, draait aan de as van een triomfwagen voor een ander, die misschien een ezel is; of eene gans en een aap zitten dood op hun gemak in de kales, of rijden naar de kerk in de bruiloftskoets, waarvan de wielen mij verpletteren en radbraken. Dat troost ongemeen!”
„Zoo meende ik het niet, Bernard,” sprak Lodewijk een weinig geraakt; „ook hebt gij mij met opzet misverstaan. Niet eene wereld van anderen, maar die, welke voor ons zelven eene andere, betere zal zijn, bedoelde ik.”
„Goede Lodewijk,” antwoordde Bernard, terwijl hij uit dien bitteren toon in zijne gewone spotachtige luim overging, „het is waarlijk eene zeer aangename geruststelling, die wij in Ariosto lezen, dat dingen, die hier voor ons verloren gaan, in de maan zijn weer te vinden; wat mij nochtans betreft, ik behield liever het weinige dat ik heb; men spaart zijne moeite daarbij. Is de zaak intusschen inderdaad zoo, dan kan ik u verzekeren, dat mijne meeste goederen in de maan liggen en dat ik in het daar berustende register van hypotheken, als het eenigszins goed in orde is, met aanmerkelijke vorderingen moet staan ingeschreven. Maar als wij zoo voortbabbelen en de oogen niet eens opslaan, zullen wij ons gezelschap ook spoedig onder de dingen kunnen tellen, die wij eer in de maan wedervinden dan hier; want had ik niet zoo even de beide moeders daar achter het vlierboschje zien verdwijnen, dan zou ik waarlijk niet weten, of ik de dochters rechts of links zoeken moest, vooral dewijl aan gindschen hoek zooveel wegen door elkander kruisen, dat wed ik, in geheel Duitschland geene betere plaats voor eene duivelsbezwering te vinden is.”
Terwijl beide vrienden haastig voortspoedden en juist de donkere laan wilden inslaan, waarin de overigen verdwenen waren, ontmoetten zij twee vreemde heeren, van welke de een zorgvuldig gekleed was en het roode lint van het legioen van eer in het knoopsgat droeg. De ander hield zich een weinig achter hem en had daardoor het voorkomen van kamerdienaar of misschien wel geheimschrijver te zijn. Op nog verderen afstand volgden twee livreibedienden. Met beleefdheid groetende, snelde de heer met de orde hen voorbij, de andere zag naar de knechts om en stond een oogenblik stil. Toen hij zich daarop omwendde, waren Lodewijk en Bernard hem juist genaderd. Beide schenen zijne aandacht tot zich te trekken; hij groette vluchtig, doch verzuimde niet hen onder het voorbijgaan nauwkeurig op te nemen. Toen Bernard, wien het gelaat des vreemden wellicht nog meer getroffen had dan dezen het zijne, zich omkeerde om hem na te zien, bemerkte hij, dat de ander hetzelfde deed. De bedienden waren zij intusschen achteloos voorbijgegaan.
„Dat gezicht ken ik,” zeide Bernard, „en ik ben verzekerd het meer gezien te hebben; maar liegen moest ik, als ik zeide dat het mij beviel. Verwenscht is het, dat ik als schilder de lijnen en hoeken der schurkachtigste wezenstrekken nauwkeurig onthoud, terwijl de passen, waarop zij door de wereld reizen, met alle overige toevoegsels van het signalement, mij dadelijk door het hoofd gaan; ik bedoel de namen en verdere betrekkingen. Mijn herinneringsvermogen, hoe groot ook, baat mij dus weinig meer dan eene spraak, waarvan ik alle woorden weet, zonder de zaken te kennen die zij beteekenen.”
„Hij viel mij ook in het oog,” antwoordde Lodewijk; „maar ik heb voor gezichten, die mij noch op zich zelf noch door de omstandigheden belang inboezemen, bijna volstrekt geen geheugen.”
„Wanneer hij ons ooit of immer al meer tegen 't lijf is geloopen,” vervolgde Bernard, „zult gij hem aan de noord-, ik hem aan de zuidpool gezien hebben, daar ik van Schotland kom en gij uit Napels in Dresden beland zijt. Mij kwellen dergelijke verloren gezichten, wier bijschrift ik niet vinden kan, dikwijls; maar zóó heeft er mij in lang geen geplaagd.”
„Het scheen, dat hij u of mij kende,” hernam Lodewijk; „ten minste hij zag ons scherp aan.”
„Licht mogelijk, dat hij zich ons beiden herinnert en verwonderd is, wat hij aan deze en de overzij van den aequator gezien heeft, hier in den tuin te Pillnitz op denzelfden graad noorderbreedte weer te vinden.—Verdrietig!—Ik wed, de kerel ontneemt mij voor den ganschen namiddag mijne goede luim, want ik ben zeker, dat hij mij gedurig voor oogen zal staan, juist omdat ik mijn best doe hem uit mijne gedachten te stellen.”
„Bekommer u niet langer over hem, mijn vriend,” sprak Lodewijk. „Bij slot van rekening is het een eenvoudig reiziger, met wien wij ergens in een postwagen of aan een open tafel gezeten hebben en die niet waard is, dat gij uwe goede stemming door hem verliest.”
Intusschen hadden de vrienden hun gezelschap ingehaald, en Bernard voegde zich bij Maria, aan wie Rasinski tot hiertoe de zorgvuldigste oplettendheid gewijd had.
Het was middelerwijl tijd geworden om den berg te bestijgen. Daar hiertoe bijna een uur gevorderd werd, drong Lodewijk er op aan, dat de vrouwen eerst een weinig uitrusten en eene verversching gebruiken zouden. Men begaf zich dus naar de herberg terug.
Hierop begon men de wandeling. Reeds begonnen de verschillende wegen, die naar boven voerden, een zeer levendigen aanblik te vertoonen, en vrouwen en mannen uit alle standen mengden zich in bont gewoel dooreen en beklommen moedig de hoogte. Toen men de ruïne bereikt had, verklaarde de moeder, dat de zwakke borst haar het opstijgen bezwaarlijk maakte en zij dus van het genot van het uitzicht op den top afzien en hier vertoeven wilde, alwaar zij genoeg bekenden uit Dresden ontdekte, aan welke zij zich kon aansluiten. Hare zuster gaf hetzelfde verlangen te kennen. De jongelieden vervolgden dus alleen hunne wandeling, terwijl de moeders voor eene, in het boschje bij den bouwval opgeslagen tent, waar ververschingen werden te koop geboden, plaats namen.
Lodewijk en Bernard, den weg kennende, dienden tot geleiders. Zij weken, waar het mogelijk was, van den breeden rijweg af en kozen de meer eenzame paden, die door het kreupelhout slingerden. Hier omringde hen eene groene, weldadige schemering; het met bloemen bedekte, weelderige grastapijt ademde liefelijke geuren uit; de hemel blonk blauw en helder door de reten van het dichte loofdak; kleine beken murmelden en ruischten onder de struiken ter zijde van het pad en dartelden langs zilveren kronkelpaden naar beneden; het gezang der vogels klonk schel en vroolijk uit elken boom; duizende insecten gonsden door de lucht; de lente leefde en werkte in bosch en bloem, in lucht en water, en wiegde de ziel in zoete droomen. Van tijd tot tijd opende zich het hout en verleende het uitzicht in de diepte en verte! Nu eens zag men Pillnitz zich in den breeden Elbestroom spiegelen, dan weder zweefde het oog over vruchtbare vlakten en zag in het verste verschiet de boheemsche bergen opblauwen. Zoo werd de wandeling door eene gestadige afwisseling der bevalligste tafereelen verkort en had men den top bereikt, zonder eenige vermoeidheid te bespeuren.
Hier waren en werden nog feestelijke aanstalten gemaakt, om de hooge bezoekers te ontvangen. Een groot aantal arbeiders en tuinmeisjes was onder opzicht van den hoftuinier bezig de plaats met bloemenfestoenen en kransen, die van boom tot boom geslingerd werden, te omgeven. Eene prachtige tent was op het grasveld opgeslagen en zelfs de wachttoren, van welks tinnen men een vrij uitzicht had over het naaste woud, werd met bloemen versierd, die zonderling bij den grijzen, bemosten steenklomp afstaken. Bernard overzag met een snellen blik het geheel en zeide: „Recht aardig; juist niet kunstmatig schoon, maar feestelijk; evenals enkele volksdrachten, hoe weinig schoon soms ook, toch vaak eene warme, bevallige levendigheid bezitten en daardoor voor de kunst dienstiger worden dan edele antieke kleedervormen. Maar den armen toren hadt gij met vrede moeten laten, goede lieden! Dat is, alsof gij een tachtigjarigen kaalkop een krans opzettet; bloemen passen der jeugd, kransen voegen in het donkerlokkige haar.”
Dit zeggende nam hij eene der bloemenvlechtsters een juist voltooiden krans van vroege rozen, viooltjes en reseda's uit de hand en drukte dien met eene vlugge beweging op Maria's donkerbruine lokken, zoodat deze verschrikt opzag; spoedig herstelde zij zich echter en vroeg blozende en hem toelachende: „Staat hij mij goed?”
„Eene lentegodin!” riep Bernard. „Allerliefst!” meenden Julie en Emma, haar aandachtig beschouwende. Bernards gedachte had zooveel bijval gevonden, dat Rasinski der vlechtster eenige geldstukken in de hand liet glijden en daarvoor nog twee dergelijke kransen bekwam, welke hij aan Julie en Emma overreikte, met dringende bede, dat ook zij zich daarmede tooien zouden. Wel weigerden zij dit blozende en huiverden bij de gedachte van opzien te zullen verwekken; doch Maria voegde haren aandrang bij dien der overigen en zoo gaven zij eindelijk toe. Vooral bewoog haar daartoe de omstandigheid, die thans eerst met verwondering door allen werd opgemerkt, dat zij zich geheel alleen onder de arbeiders bevonden, daar van de vele toeschouwers nog niemand tot deze hoogte was doorgedrongen. Zonder het te weten, hadden zij dit aan de officieren en wel voornamelijk aan Rasinski te danken; want er was bevel gegeven, alle personen, die niet tot het hof behoorden, slechts tot op eene zekere hoogte van den berg toe te laten, en te dien einde waren op den grooten weg verschillende posten uitgezet. Het kleine zijpad was onopgemerkt gebleven. Op den kruin bevonden zich wel is waar ook wachtposten, doch daar Rasinski de schitterende uniform droeg en door twee jonge officieren begeleid werd, meenden de soldaten, bij wie de monteering in het algemeen voor een vrijpas pleegt te gelden, daarin het onwedersprekelijke bewijs te zien, dat hij met zijn gezelschap het recht had om op den berg te blijven, te meer daar zij veronderstelden, dat men hem ook beneden reeds om dezelfde reden had doorgelaten. Bovendien had zijn geheele voorkomen iets zoo gebiedends en voornaams, dat ondergeschikte lieden hem zelden aan het algemeene verbod onderworpen geloofden, maar hem gewoonlijk met onmiskenbaren eerbied voor zijn persoon als eene volkomen geldige uitzondering op den regel beschouwden.
HOOFDSTUK V.
Thans ging men den toren bestijgen; Rasinski bood Maria den arm om haar de kleine trap op te leiden. Schoon deze het ruime uitzicht van boven thans niet voor de eerste maal genoot, was haar de verrukkelijke schoonheid daarvan toch telkenreize weder nieuw. Van de hooge torenspits over de groene bosschen, die tot hiertoe het uitzicht van alle zijden belemmerden, heenzwevend, zag het oog achter den wiegelenden voorgrond van frissche boomtoppen een onmetelijk verschiet geopend. De landstreek vertoont eene zachte afwisseling van golvende korenvelden en boschrijke heuvels, tusschen welke tallooze dorpen en steden verspreid liggen. Door zijn breeden zilverband deelt de Elbestroom het bekoorlijke landschap in twee regelmatige helften. Gaarne volgt het oog de reeks van schoone beelden, welke de rivier in haar helderen waterspiegel terugkaatst, en zweeft van de blauwe, schemerachtige torens van Dresden op de wijnbergen van Loschwitz, van deze op de steile rotskegels van den König- en Lilienstein over, die, als half ingestorte egyptische piramiden, zich reusachtig boven hunne omgevingen verheffen. In het midden van dit zachte, met duizend bonte, maar door den afstand minder glansrijke verven doorweven tapijt, rijst de groene, frissche berg, met zijne nu langzaam, dan loodrecht afdalende woudhellingen, statig omhoog en vormt als het ware het hart van het uitgestrekte panorama.
Terwijl de mannen met eene zekere onverschilligheid de schoonheden voorbijzagen, die de waarlijk schilderachtige partijen van den berg zelven hun aanboden, en met onzekere blikken de met hun rusteloos voorwaarts strevenden geest meer verwante verte doorkruisten, richtte zich het oog der vrouwen om gelijke reden, op de voorwerpen die haar van meer nabij omringden. Zij beschouwden de ruimte, die zij zoo even doorwandeld hadden, en Maria inzonderheid zag met welgevallen op het groene, feestelijk versierde grasperk neder, dat zij nauwelijks verlaten had en waarop de bezige, meerendeels in het wit gekleede bloemenvlechtsters inderdaad eene aardige vertooning maakten.
Bernards blik zweefde over de aarde heen en verloor zich in de wolkgevaarten, die zich in zonderlinge vormen aan den gezichteinder opeenstapelden en aan zijne verbeelding meer voedsel boden van den bekenden landbouw, die hem, wanneer hij ze met de stout verhevene, grootsche natuur van het noorden vergeleek, waardoor hij nog zoo onlangs omringd was, vrij eentonig en nuchteren voorkwam. Ditmaal echter werd uit den droomer, die zoo gaarne tusschen duistere nevelgestalten en vluchtige wolkenbeelden omdoolde, een zeer dagelijksch, gewoon mensch. „Wij krijgen onweer,” merkte hij zeer bedaard op; „sinds den middag heeft het gebroeid en thans hebben wij het tweede keerpunt, dat van zes uren namelijk, wanneer de balans der weegschaal juist tusschen middag en middernacht in staat en het spoedig blijken moet of zij tot de duisternis dan tot het licht overslaat, dat is, of wij een helderen hemel houden of onweer krijgen. Gij moet weten, dat ik op mijne verre zeetochten een bijster groot weerkundige ben geworden, en dus profeteer ik niets goeds, want de wind kruipt in een anderen hoek en er begint drift in de lucht te komen.”
Werkelijk kwamen donkere wolken van achter het gebergte opzetten; een dof gesuis verhief zich en men kon aan het golven en wiegen der boomstammen bespeuren, dat de luchtstroom over de boschrijke hoogten naderde. De uitbarsting van het onweder scheen door Bernards voorspelling verhaast te zijn, zoo plotseling brak het van alle zijden los. Een hevige windvlaag gierde om den toren en had door haar onverhoedschen aanval de hoeden en doeken der vrouwen bijna medegevoerd. Enkele zware vooruitdrijvende wolken bedekten thans de zon, zoodat reusachtige slagschaduwen zich over het landschap uitstrekten en de lucht meer en meer verduisterd werd.