Part 1
+----------------------------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De illustraties zijn beschikbaar bij de html-versie van dit | | e-boek op | | https://www.gutenberg.org/cache/epub/48216/pg48216-images.html | | | | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, | | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te | | moderniseren. | | | | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als | | _cursief_. Uitgespatieerde tekst is weergegeven als | | ~uitgespatieerd~; vette tekst als #vet#. | | | | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de | | aangebrachte correcties. | | | +----------------------------------------------------------------+
1812
[Illustratie: Een officier drong door de menigte heen, een papier in de hand houdende.]
1812
HISTORISCHE ROMAN
van
L. RELLSTAB
UIT HET HOOGDUITSCH
DOOR
J. J. A. GOEVERNEUR
7e DRUK
MET PLATEN
[drukkersmerk]
ROTTERDAM—D. BOLLE
STOOMDRUKKERIJ KOCH & KNUTTEL—GOUDA
EERSTE BOEK.
HOOFDSTUK I.
Op een zoelen April-avond van het jaar 1812, tegen het ondergaan der zon, naderde Lodewijk Rosen, een jong Duitscher, het kleine, aan de afhelling van den Simplon gelegene stadje Duomo d'Ossola. Te voet van Baveno, aan den Lago Maggiore, gekomen, voelde hij zich vrij vermoeid, ofschoon zijne wandeling door deze bekoorlijke, door den steilen rotsmuur der Alpen tegen de barre winden van het noorden beschutte landstreek verre van bezwaarlijk geweest was, maar hem integendeel bij elke schrede afwisselende genoegens en nieuwe verrassingen aangeboden had.
Zij zouden voorzeker een nog levendiger indruk op hem hebben gemaakt, had hij niet onlangs eerst het zuiden van Italië verlaten, waar hij, gedeeltelijk op Sicilië en te Napels, gedeeltelijk in Rome, den winter had doorgebracht. Gaarne zou hij langer in 't schoone land hebben vertoefd, dat ook nu nog, terwijl het geheele vasteland door vreeselijke krijgsorkanen werd geteisterd, zijn eigendommelijk karakter, als eene bij voorkeur door de Goden begunstigde, vreedzame vrijplaats der kunsten, voor den vreemdeling ten minste, had weten te bewaren; maar juist die geweldige gebeurtenissen, welke de beide helften van het overige Europa tegen elkander in het harnas riepen, waren het, die hem tot eene verhaaste terugreis noodzaakten. Zijne moeder en zuster woonden te Dresden, in stille afzondering, veeleer uit neiging dan door de omstandigheden gedrongen, daar het vermogen der eerste haar eene onbekrompene, zoo al niet luisterrijke wijze van leven veroorloofde. Zijn vader had hij als kind reeds verloren, hoe? was hem onbewust, daar zijne moeder zich wel somwijlen enkele duistere uitdrukkingen over het rampspoedig lot van haren echtgenoot had laten ontvallen, maar steeds zorgvuldig vermeed, zich duidelijker daarover uit te laten.—De laatste vier jaren, hoe noodlottig ook, waren zoo kalm voor Noord-Duitschland voorbijgesneld, dat de beide vrouwen zich, ook zonder mannelijke bescherming, tegen de gebeurtenissen des dagelijkschen levens genoegzaam bestand konden achten; thans echter kwamen de krijgsbenden der fransche legers wederom van alle zijden oprukken, en Duitschland zag zich bij den aanvang der lente opnieuw in een onmetelijk legerkamp herschapen. Daarom keerde de jongeling terug; want zijn hart voelde zich gedrongen, de geliefde moeder, welker gezondheid daarenboven, volgens het laatste bericht zijner zuster, door eene borstziekte aanmerkelijk verzwakt was, in een zoo bedenkelijk tijdsgewricht met raad en daad ter zijde te staan. Hij gehoorzaamde aan de stem van zijn kinderlijken plicht, ofschoon met een beklemd hart; niet omdat Italië hem zoo onweerstaanbaar boeide, maar wijl hij huiverde, zijn ongelukkig, vernederd vaderland te betreden, waarin hij dieper en bezwaarlijker te heelen wonden ontdekte dan die het zwaard der Franken het had toegebracht. Reeds vroegtijdig was zijne ziel tot ernst gestemd geworden; want onder ernstige indrukken waren hare vermogens ontwikkeld en tot rijpheid gekomen. De akademie, voor anderen niet zelden eene plaats der onbezorgdste vroolijkheid, was voor hem eene sombere, strenge oefenschool geweest, want ook de vertroosting, welke de wetenschappen in staat zijn aan te bieden, was toenmaals nauwelijks vermogend genoeg, om ernstig gestemde duitsche jongelingen eenigermate op te beuren, zóó ontmoedigend was de blik op het tegenwoordige, zóó duister het uitzicht in de toekomst. Sinds een jaar had hij nu den vaderlandschen bodem niet betreden, sedert twee jaren moeder en zuster niet gezien; want uit Heidelberg, waar hij het laatste jaar zijner studiën doorbracht, had hij dadelijk de reis aanvaard. Nu stond hij weder voor den met sneeuw bevrachten, reusachtigen grensmuur, die den somberen duitschen grond van de velden van het lachend Italië afscheidt. Ach, hoe verlangend klopte zijn hart naar alles, wat hij aan gindsche zijde der Alpen beminde en vereerde, hoe vurig wenschte hij zich in de armen der zijnen, aan de heilige vaderlandsche haardsteden terug. Maar wat hij beminde, was in rouwfloers gehuld, wat hij vereerde smadelijk ontwijd! Daarom was zijn voet huiverig, het vaderland te betreden, naar hetwelk zijn hart hem toch zoo verlangend voortdreef.
Met deze gevoelens in de borst naderde hij het kleine stadje, de laatste plaats in Italië, die hem een gastvrij dak zou aanbieden. Een heuvel ter zijde van den rijweg lokte hem uit, dien te beklimmen, ten einde nog eenmaal, eer de zon in Italië het laatst voor hem onderging, een afscheidsblik te werpen op het schoone land, dat vaak door zulke zachte en vleiende vertroostingen het lijden zijner ziel had in slaap gewiegd. Door het weelderig opgeschoten gras had hij zich spoedig een pad gebaand en den top bereikt, vanwaar hij midden in het kleine stadje nederzag, dat, gelijk in het zuiden steeds het geval is, tegen den avond eerst recht druk en levendig begon te worden. Op de velden bloeide en tierde alles in den rijksten, niet eens meer eersten tooi der lente, terwijl de natuur aan gindsche zijde der reusachtige, achter de stad oprijzende rotsgevaarten waarschijnlijk nog in doodschen winterslaap lag gedompeld. Hier echter prijkten de olmen en kastanjeboomen in vollen voorjaarsdos; een welriekend tapijt, met ontelbare viooltjes en aurikels bezaaid, spreidde zich over de velden uit; het graan was reeds hoog opgeschoten; ja, zelfs de wijnstok had zich bereids met een breed loof bekleed en veroverde met zijne groene ranken de kleine, sneeuwwitte gevels der zindelijke woningen. Lodewijk kon ter rechterzijde den rijweg in zijne geheele lengte overzien; ter linker lagen Duomo d'Ossola's kleine markt en rechte straten als aan zijne voeten uitgestrekt. Hij zag de vroolijke, levendige Italiaansche meisjes met hare breede stroohoeden zich op het plein in bont gedrang dooreen mengen; duidelijk kon hij de kleine kraam der fruitverkoopster onderscheiden, die hare vijgen en oranje-appelen in volle manden uitstalde, terwijl vlugge knapen den bal behendig in de lucht sloegen en fransche dragonders, van welke een piket in het stadje gelegerd was, vreedzaam op de bank voor het stadhuis nederzaten en in een vertrouwelijk gesprek gewikkeld schenen. Hij hoorde het verwarde gedruisch der onderscheidene, tot een onverstaanbaar gemompel ineensmeltende stemmen van jubelende kinderen, lachende meisjes en gillende warenuitventsters; terwijl nu en dan enkele tonen van het gezang eens citerspelers, die een talrijke schaar van toehoorders om zich vergaderd had, door de stilte van den avond tot zijn oor doordrongen. Dit woelig bont gewemel van menschelijke bedrijvigheid en vreugde stak wonderlijk af bij den verheven ernst en de plechtig zwijgende stilte, die op het steile gebergte heerschten, dat achter de muren van het stadje zijne graniet-klompen opeenhoopte en, aan den voet met een blauwachtigen nevel omhuld, zijne besneeuwde kruinen tot in de wolken opstak.
De jongeling stond in gedachten verzonken, toen eensklaps de schelle toon van een posthoorn en het lustig klappen eener zweep tot zijn oor doordrongen. Een met vier paarden bespannen, open reiswagen kwam, van de zijde van Baveno, den straatweg afrollen en ijlde op het stadje toe. In dien wagen zaten twee vrouwen. De oudste scheen eene dienstbare; de jongere, wier donker kleed een wit, doorschijnend kantboordsel verlevendigde, droeg over den lichten reishoed een groenen sluier, die juist door een luchtig windtochtje werd opgeheven. Dit gezicht wekte eene levendige herinnering in het hart van den wandelaar op. Bij zijne eerste intrede in Italië, toen hij over den hoogen St. Bernard in het dal van Aosta afdaalde, had hij een vrouwelijk wezen ontmoet, welks beeltenis niet uit zijn geheugen was gewischt en aan hetwelk hij in zijne verbeelding een dergelijk uiterlijk herkenningsteeken verbonden had. Toenmaals namelijk ontdekte hij, bij het bestijgen van den berg de herberg naderende, op een geringen afstand voor zich uit eene karavane, naar het scheen van reizende Engelschen, onder welke eene rijzige, op een muildier gezetene vrouwelijke gedaante, die haar gelaat met een groenen sluier bedekt had, om het tegen den verblindenden glans der flikkerende sneeuw te beschutten, zijne aandacht vooral tot zich trok. Schoon de reizigers slechts eenige honderden schreden vooruit waren en hij, door een zonderling gevoel gedrongen, alle krachten inspande om ze in te halen, gelukte hem dit toch niet, daar zij wel door een korten afstand, maar tevens door een bezwaarlijk te betreden rotspad van hem gescheiden bleven. Zoo strekte de groene sluier hem tot wegwijzer door de glinsterende sneeuwvelden, tot ze eindelijk in de donkere poort van de herberg verdween. Nu hoopte hij des avonds, aan tafel, het voorwerp zijner, hemzelven onverklaarbare deelneming te zullen leeren kennen; maar ook in die verwachting werd hij teleurgesteld. Na enkele uitdrukkingen moest hij vermoeden, dat de ongesteldheid eener oudere dame, waarschijnlijk de moeder van het jonge meisje, de reden was, dat beiden op hare kamer bleven. Den volgenden morgen hadden de reizigers zich reeds op een buitengewoon vroeg uur op weg begeven. Nauwelijks had Lodewijk zulks vernomen, of een vurig verlangen naar de onbekende maakte zich van hem meester en, schoon eenigszins over zichzelf glimlachende, besloot hij zoo spoedig mogelijk haar spoor te volgen en zijn vroeger voornemen, om hier een paar dagen te vertoeven, op te geven. Een geoefend, krachtvol wandelaar als hij moest, naar zijne berekening, vooral daar de weg afdaalde, eene karavane met zwaar bepakte lastdieren spoedig inhalen. Inderdaad zag hij ook reeds, na weinig uren, bij eene kromming van het dal, die een onbelemmerd uitzicht in de verte vergunde, den groenen sluier diep onder zich in den helderen zonneschijn blinken, en van toen af bleef hij de banier der hoop, onder welke hij zijn intocht hield in Italië's velden. Met onvermoeide inspanning vervolgde hij zijn weg; maar het kronkelend rotspad onttrok het doelwit van zijn streven dikwijls weder aan zijn zoekend oog. Hoe gelukkig echter was hij, als hij het bij eene volgende wending weder meer in zijne nabijheid ontwaarde! Zoo bereikte hij, onder afwisselende hoop en teleurstelling, de lagere streken van den berg, waar het pad meer effen en gebaand wordt en eindelijk door de smalle bergwagens kan bereden worden.
Thans was hij de vreemden tot zeer nabij genaderd; nog eenmaal kromde zich de weg om een steil vooruitspringend rotsblok; hij verdubbelde zijne schreden om hen daar te bereiken en voor het overige gedeelte der wandeling hun metgezel te zijn. Toen hij echter den hoek omsloeg, ontdekte hij, nauwelijks honderd schreden voor zich uit, eene kleine, geheel met wijnranken omzoomde woning en, voor die woning, twee lichte reiswagens, hoedanige men in deze bergachtige streken bestendig voor vreemdelingen in gereedheid houdt. De gids, die den muilezel der bevallige onbekende bestuurd had, was haar juist in het afstijgen behulpzaam, terwijl een bejaard heer haar dadelijk den arm bood en naar den gereedstaanden char-à-banc geleidde. Zou zij dan voor altijd aan den jongeling ontrukt worden, in hetzelfde oogenblik, waarop hij had gehoopt haar te zullen bereiken. Te lang had zijne verbeelding zich met de liefelijke verschijning bezig gehouden, te prachtige luchtkasteelen daarop gebouwd, dan dat hij deze wreede verstoring van zijn ingebeeld geluk koelbloedig had kunnen verdragen. Geheel buiten adem snelde hij voort; slechts eenmaal wilde hij het gelaat van den liefelijken genius aanschouwen, die hem als aan een zachten tooverband, het land der kunsten en der schoonheid had binnengeleid. En echter zou zijne poging vruchteloos geweest zijn, ware niet een toeval, waarin hij een nieuwen wenk van het noodlot waande te ontdekken, hem gunstig geweest. In weerwil van zijn spoed toch, zag hij eensklaps iets glinsterends voor zich in het stof blinken. Het was een armband met gouden slot. Vol vreugde hief hij dien op, wijl deze vondst hem eene reden aan de hand gaf, om het rijtuig, dat op het punt was van voort te rollen, een luid halt na te roepen. De gidsen, die de vreemdelingen verzeld hadden, keerden zich om en kwamen hem te gemoet; hij echter ijlde hen haastig voorbij en snelde op den wagen der gesluierde dame toe. „Zou ik gelukkig genoeg zijn,” sprak hij, steeds gewoon zijne moedertaal te bezigen, haar in het hoogduitsch aan, ofschoon hij haar tot hiertoe voor eene Engelsche gehouden had, „zou ik gelukkig genoeg zijn, u een verloren eigendom weder ter hand te mogen stellen?” Tegelijk reikte hij haar den armband over. De jonge dame wierp een verwonderden blik op den vinder en vervolgens op de kleine hand, waaraan zij nu eerst de ledige plaats ontdekte. „Het is inderdaad de mijne,” hernam zij; „ik dank u hartelijk.” De toon dezer woorden, die, hoe vleiend en welluidend ook, op eene wijze en met een tongval werden uitgesproken, die dadelijk de uitheemsche verrieden, verraste Lodewijk op eene zeldzame wijze. Hij voelde een blos in zijn gelaat opstijgen en hief niet dan met eene zekere schuwheid zijne oogen tot de spreekster op, die juist, hetgeen zij reeds dadelijk bij zijn naderen had willen doen, den dichten sluier terugsloeg. Toen hij het teeder gelaat zoo eensklaps onthuld zag, bracht de zachte glans harer schoonheid hem in de uiterste verwarring. Het was hem, alsof zich plotseling eene heilige aan zijne blikken vertoonde, zulk een levendig gevoel van eerbied en bewondering doorgloeide zijne borst. Hare blauwe oogen, met lange wimpers overschaduwd, bleven een poos lang met de onmiskenbare uitdrukking van zachtheid en onschuld op hem gevestigd. Een vriendelijke lach speelde om hare lippen, en door de innemende, edele bevalligheid, die in alle hare trekken doorblonk, gevoelde Lodewijk zich onweerstaanbaar getroffen. Te vergeefs poogde hij een antwoord uit te stamelen; met den blos der verrassing paarde zich die der verlegenheid, en alsof de gloed, die zijn gelaat bedekte, op dat der onbekende een weerschijn vond, vertoonde zich een vluchtig rozerood op hare wangen; zij boog zich, hem vriendelijk, schoon eenigszins gedwongen, vaarwel groetende. De heer naast haar nam den hoed af, en 't rijtuig rolde voort. Sprakeloos oogde de jongeling dat na en bemerkte nauwelijks, dat nog eene tweede, oudere dame, eveneens onder mannelijk geleide, in het volgende rijtuig steeg en hem voorbijreed. Zijn oog bleef op den groenen sluier gericht, die door den wind opgeheven, zich meer en meer in de verte verloor. Lang bleef hij zoo aan den grond vastgekluisterd staan, tot eindelijk het laatste spoor der rijtuigen was verdwenen en de achter hen opstijgende stofwolk zich nedergelegd had. Het was hem, alsof hij uit een droom ontwaakte!——Dat aanminnige beeld verliet hem niet weder. Door geheel Italië zocht hij het op te sporen, doch vruchteloos. Trad het ook somtijds door de menigte van nieuwe voorwerpen, die zich voor zijn oog als verdrongen en een levendigen indruk maakten op zijn vurigen geest, voor eenige oogenblikken op den achtergrond, van tijd tot tijd vertoonde het zich nochtans weder in vollen luister, en de geringste aanraking met gelijksoortige verschijningen riep hem telkens in zijne gansche levendigheid voor de verbeelding terug.
En nu, daar hij op den laatsten drempel stond van het romantische land, evenals toenmaals aan den voorhof, nu blonk hem dat eindpunt van zijne hoop, van zijne verwachtingen zoo geheel onverhoeds weder in het oog! Nauwelijks had hij dus de reizigers bespeurd, of met een kloppend hart snelde hij den heuvel af, om de vluchtige verschijning ras te grijpen, eer zij hem weder ontglippen mocht; maar het rijtuig, dat pijlsnel voortrolde, was voorbij eer hij den straatweg bereikt had. In het stadje moesten de paarden verwisseld worden; deze omstandigheid gaf hem hoop, het voertuig dáár nog te zullen inhalen, eer het weder afreed; want het geluk, om met het bekoorlijke wezen (en was hij dan reeds verzekerd, dat zij 't was?) onder één dak te vernachten, was te groot, dan dat hij het zich zou hebben durven voorstellen. Hij verhaastte zijne schreden meer en meer; eindelijk had hij de kleine markt, waarop wachthuis en herberg gelegen waren, bereikt. Hij zag het rijtuig voor de deur staan, maar reeds voerde men versche paarden aan om het verder te brengen. Eene talrijke schaar van nieuwsgierigen had zich om de reizigers verzameld. Een officier, van de wacht toegesneld, drong door de menigte heen en trad, een papier in de hand houdende, op het portier toe, terwijl de jonge dame bij zijne nadering het rijtuig verliet en hem een paar schreden te gemoet ging.—De officier boog zich en sprak haar beleefdelijk aan, terwijl echter zijn herhaald schouderophalen scheen aan te duiden, dat hij aan haar verlangen geen gehoor kon verleenen. Lodewijk voegde zich thans bij de omstanders; daar echter de vreemde, die hem gedurig meer gelijkheid scheen te hebben met het beeld, dat hij in zijne verbeelding omdroeg, zich op dit oogenblik naar de tegenovergestelde zijde wendde en het hem onmogelijk maakte haar gelaat te aanschouwen, sloop hij in allerijl om den kring van verzamelden heen en mengde zich aan de andere zijde onder het gedrang.—Hemel, zij was het zelve! Slechts bleek en angstig waren hare gelaatstrekken en zelfs een traan was in haar helder blauw oog zichtbaar. Door een onwillekeurig gevoel gedreven, trad Lodewijk op haar toe; hoeveel opzien het baren mocht, hij wilde de schoone gestalte, die hem Italië, het land der wonderen, had binnengeleid, bij het verlaten van dien heiligen bodem opnieuw begroeten en haar het ras voorbijgesnelde oogenblik dier eerste ontmoeting in het geheugen terugroepen. Zijn moed daartoe wies aan, daar hij haar zonder geleide zag; want buiten den grijzen dienaar voor op den bok en de bejaarde vrouw in den wagen, die insgelijks in eene dienstbare betrekking tot de reizende scheen te staan, liet zich niemand bespeuren. Haastig trad hij dus uit den zich verwijdenden hoop der burgers vooruit. Dadelijk trof haar blik den zijnen en de schielijke, blijde ontsteltenis, welke zich over haar gelaat verbreidde, liet Lodewijk geen twijfel over, of zij herkende hem. Juist wilde hij zich buigen en zijne lippen tot een groet openen, toen zij, met blijkbare overhaasting, de fransche woorden: „_Voilà mon frère!_” uitriep en op hem toesnelde. Geheel verbijsterd, vermoedde de jongeling een misverstand, doch eer hij zich genoegzaam had kunnen herstellen en in staat was, haar eenige opheldering te vragen, riep zij hem, voor alle omstanders verstaanbaar, in het Italiaansch toe: „God dank, broeder, dat gij daar zijt!” en voegde er fluisterend in het hoogduitsch bij: „Ik ben verloren, als gij mij verloochent.” Even snel wendde zij zich weder tot den officier, nam het papier uit de hand en gaf het aan Lodewijk over, met de fransche woorden: „Deze heer wilde onze pas niet voor geldig houden, daar gij niet bij ons waart. Dat komt van uwe wandeling langs romaneske zijpaden, lieve broeder!—Gij zijt graaf Wallersheim,” lispelde zij hem tevens in het hoogduitsch toe.
Hoe bevreemdend en zonderling dit alles ook aan Lodewijk mocht toeschijnen, zoo begreep hij toch lichtelijk, dat het hier geheel in zijne macht stond, het bekoorlijke wezen, dat angstig, met tranen in de oogen voor hem stond, een gewichtigen dienst te bewijzen. Zonder zich dus lang te beraden, besloot hij haar in hare list te ondersteunen en antwoordde: „Wees gerust, lieve zuster, ik zal met dien heer spreken.” Om tijd te winnen en tevens eenigermate met de toedracht der zaak bekend te worden, wendde hij zich hierop tot den officier met de vraag: „Gij zult dus zoo goed zijn, mijnheer, mij de bezwaren, welke gij tegen onzen pas schijnt te hebben nog eens te herhalen? Gij beseft licht, dat vrouwen in dergelijke zaken minder bedreven zijn.”—„Van dit oogenblik af,” was het antwoord, „koester ik geen de minste bedenking meer. Gij stondt op den pas als de begeleider van de gravin, uwe zuster, vermeld, maar waart niet tegenwoordig. Dat scheen verdacht. Wel is waar verzekerde mij de gravin, dat gij u slechts voor eenige oogenblikken hadt verwijderd en te voet een zijpad waart ingeslagen, om u aan gene zijde der stad weder bij haar te voegen; maar onze bevelen luiden voor grensplaatsen als Duomo d'Ossola zóó stipt, dat ik genoodzaakt zou geweest zijn, de jonge dame te verzoeken, zich zoo lang hier op te houden, tot gij, heer graaf, op wien de pas luidt, weêr zoudt aanwezig zijn. Wees echter verzekerd, dat ik dadelijk een mijner manschappen in de richting van Sempione zou hebben uitgezonden, om u van deze belemmering te onderrichten. Intusschen moet ik u toch waarschuwen, u niet weder van de zijde der gravin te verwijderen, daar de bevelen, voor zoo ver ons gebied reikt, overal van dien aard zijn, dat gij licht weder eene soortgelijke vertraging zoudt kunnen ondervinden. Hebt gij de zwitsersche grenzen achter u, dan houdt ons gezag op, en gij zult met meerdere vrijheid kunnen reizen.”
Lodewijk was stom van verbazing, vooral toen de oude dienaar van den bok steeg, hem zonder omstandigheden van den lichten, over zijne schouders hangenden reiszak onthief, dien in het rijtuig legde en hem nederig vroeg of hij verkoos in te klimmen. Vrij verward duwde hij den officier eenige beleefde woorden toe en reikte hem de hand tot afscheid. De oude rukte de voettrede naar beneden, de beleefde Franschman was der jonge dame, die zich thans geheel in haren sluier gewikkeld had, de bediende Lodewijk tot het opklimmen behulpzaam, het portier werd gesloten, de officier boog zich en herhaalde zijn _bon voyage_. Lodewijk nam, zonder bijna te weten wat hij deed, aan de zijde der raadselachtige onbekende de plaats in, welke de bescheidene duenna hem had overgelaten, en de wagen rolde voort.
HOOFDSTUK II.