Opuscula Selecta Neerlandicorum Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde

Part 8

Chapter 8 3,648 words Public domain Markdown

Doch welke belooning is dan ten slotte niet gering te noemen, betaald aan den redder van een leven, voor welks behoud zooveel duizenden soldaten voortdurend streden? Waartoe nog te noemen de Cassii, Carpitani, Aruncii en Albutii, van wie Plinius vertelt, dat zij te Rome zoowel aan het keizerlijk hof als onder de burgers ontzaglijk veel geld verdienden? Doch waarom behoeven wij nog die voorbeelden uit het grijze verleden weder op te halen, alsof niet ieder uit zijn eigen tijd verscheidenen voor den geest staan, die door dit beroep ware Croesussen zijn geworden.

Rhetorica aut Poetica non alit nisi insignem. Musicus ni praecellat, esurit. Iureconsulto tenuis proventus est, ni sit eximius. Sola medicina quomodocunque doctum alit ac tuetur. Innumeris disciplinis, infinita rerum cognitione constat res medica, et tamen frequenter unum aut alterum remedium alit idiotam. Tantum abest, ut haec ars sterilitatis damnari possit.

Van de rhetoriek en de dichtkunst kan slechts hij leven, die er in uitmunt. Een musicus, die het niet tot een groote hoogte in zijn kunst gebracht heeft, lijdt honger. Een rechtsgeleerde heeft maar een mager inkomen, als hij niet voortreffelijk is. Slechts de geneeskunde onderhoudt en beschermt haren beoefenaar, hoe weinig bedreven hij er ook in moge zijn. De medische wetenschap berust wel is waar op ontelbare kundigheden en de kennis van een oneindig aantal zaken; toch helpt dikwijls één enkel geneesmiddel een stumper in het vak aan den kost. Het is er dus verre vandaan, dat dit beroep als onwinstgevend kan veroordeeld worden.

Adde quod caeterarum artium non ubique paratus est quaestus. Rhetor frigebit apud Sarmatas, juris Caesarei peritus apud Britannos. Medicum quoquo terrarum sese contulerit suus comitatur honos, suum sequitur viaticum, ut in nullam disciplinam verius competat vulgatissimum illud Graecorum proverbium, +to technion hê pasa gê trephei+.

Daar komt nog bij, dat met de overige beroepen niet overal geld te verdienen is. Een rhetor zal een koele ontvangst vinden bij de Sarmaten, een kenner van het keizerlijk recht bij de Britten. De medicus is overal, waar ter wereld hij zich ook heen begeve, vergezeld door zijn waardigheid en van reisgeld voorzien, zoodat op geen beroep meer van toepassing is het alom bekende Grieksche spreekwoord: "de geheele aarde voedt het ambacht."

[_Confutatio._]

Sed hoc ipsum indignatur Plinius, aut certe apud hunc alii, quaestum esse medicinae professionem. Maior est, fateor, haec facultas quam ut quaestui lucroque serviat, sordidarum id est artium. Sed nimis ingratum est, eam solam sua fraudare gratia, cui nulla par gratia rependitur.

Maar juist daarover spreekt Plinius (ik weet niet zeker of hij hier zelf aan het woord is of de meening van anderen weergeeft) zijn verontwaardiging uit, dat het uitoefenen der geneeskunde een broodwinning is. Ik stem toe, dat deze wetenschap te hoog staat, om tot kostwinning te dienen of tot middel om zich te verrijken. Dit hoort thuis bij de alledaagsche beroepen. Maar het ware al te ondankbaar, haar alleen van den haar toekomenden dank te berooven, aan welke nooit genoeg dank vergolden kan worden.

Egregius medicus ceu numen quoddam, servat gratis, servat et invitos. Sed impietas est, non agnoscere numinis beneficium. Nihil ille moratur mercedem, tu tamen dignus qui legibus mulcteris ob insignem ingratitudinem.

Een uitstekend geneesheer helpt als een god kosteloos, desnoods tegen den wil van den patiënt. Maar het is goddeloosheid, voor de weldaad van een god niet erkentelijk te zijn. Hij geeft wel niet om loon, maar gij behoort volgens de wet gestraft te worden wegens uw buitengewone ondankbaarheid, als gij het hem niet voldoet.

Iam haudquaquam me fugit, hanc egregiam artem et olim apud veteres audisse male, et hodie apud indoctos quosdam male audire. Catoni non placuit, non quod rem damnaret, sed quod ambitiosam Graecorum professionem non ferret homo mere Romanus.

Het is mij volstrekt niet onbekend, dat deze uitmuntende wetenschap zoowel voorheen bij de ouden in een kwaden roep stond, als ook tegenwoordig door sommige onwetende lieden gehoond wordt. Cato beviel de geneeskunde niet, niet omdat hij haar op zich zelve veroordeelde, maar omdat een onvervalscht Romein als hij de aanmatigende wijze, waarop de Grieken haar in zijn dagen uitoefenden, niet kon verdragen.

Isque tantum tribuit experientiae, ut artem esse noluerit, sed idem universam Graecorum philosophiam ex urbe pellendam censuit. Existimabat homo durus, ad purgandum hominis corpus sufficere brassicam et crebros vomitus, et tamen ille ipse medicorum hostis observatione medicinae, in extremam usque senectutem robur infractum tutatus scribitur.

Hij kende aan de ervaring op dat gebied zulk een hooge waarde toe, dat hij der geneeskunde den naam van wetenschap ontzegde. Dat kan ons van hem te minder verwonderen, daar hij het ook was, die in den Romeinschen senaat het voorstel deed, de geheele Grieksche philosophie uit Rome te verbannen. De stoere man meende, dat tot zuivering van het menschelijk lichaam kool en menigvuldige brakingen voldoende waren. En toch lezen wij van dien vijand der artsen, dat hij door inachtneming der medische voorschriften tot het einde van zijn lang leven zijn krachten onverzwakt behouden heeft.

Solis, inquiunt, medicis summa occidendi impunitas est. At hoc nomine magis suspiciendi boni medici, quibus cum in manu sit, non solum impune, verum etiam mercede occidere, tamen servare malunt. Quod possunt facultatis est, quod nolunt probitatis. Decantatur iam passim inter pocula temulentorum adagium, Qui medice vivit, misere vivit.

Alleen de geneesheeren, zegt men, hebben het onbeperkte recht van straffeloos te dooden. Maar juist uit dien hoofde moeten goede geneesheeren geëerd worden, daar zij, terwijl het hun vrijstaat, niet alleen ongestraft maar zelfs tegen belooning te dooden, toch liever de menschen willen redden. Dat zij kunnen dooden, bewijst hun groote macht, dat zij het niet willen, getuigt voor hun rechtschapenheid. Tot vervelens toe hoort men overal in dronken gezelschappen het spreekwoord: "wie medisch leeft, leeft ellendig".

Quasi vero felicitas sit, distendi crapula, rumpi Venere, turgescere cervisia, sepeliri somno. Sed istos Sycophantas quid opus est oratione refellere, cum ipsi petulantiae suae satis magnas poenas dant arti, mox podagra contorti, paralysi stupidi, desipiscentes ante tempus, caecutientes ante senectutem, iamque prius vituperatae medicinae, exemplo Stesichori, seram canunt palinodiam miseri.

Alsof het een groot geluk is, door een wijnroes geradbraakt te worden, zich uit te putten door ontucht, op te zwellen van onmatig biergebruik of ten gevolge van uitspattingen door den slaap overmand te worden. Wat behoeven wij nog deze lasteraars met woorden te bestrijden, die zelf door het verzaken van de voorschriften der geneeskunde voldoende gestraft worden, daar zij weldra door podagra worden gekweld, door verlamming getroffen, vroegtijdig het verstand verliezen, vóór den ouderdom zwak van gezicht worden en dan eindelijk, maar te laat, in hunne ellende op de wijze van Stesichorus hunnen laster herroepen[6].

[Voetnoot 6: De lyrische dichter Stesichorus zou namelijk, doordien hij Helena gesmaad had, van het gezicht beroofd zijn en later doorhet dichten van een palinodie het weer teruggekregen hebben. (Vert).]

Et tamen his licet indignissimis, artis bonitas non gravatur esse praesidio, quantum licet. Sunt qui, mutuato ex vetere comoedia scommate, vocent medicos +skatophagous+. Quasi vero non isto nomine vel praecipue laudari mereantur, qui quo subveniant hominum calamitatibus, ex illa sua sublimitate sese ad haec sordida dejiciant. Quod si medicis tantum esset supercilii, quantum istis est procacitatis, liceret passim impune mori. Verum habet hoc ars nostra cum bonis regibus commune, ut bene faciat ac male audiat.

En toch maakt die goede wetenschap geen bezwaar ook dezen, ofschoon zij het volstrekt niet waard zijn, zooveel mogelijk te helpen. Sommigen noemen, met een scheldwoord aan de oude comedie ontleend, de geneesheeren "dreketers". Verdienen zij dan niet juist daarom geprezen te worden, dat zij, om de wonden der menschheid te heelen, zich verwaardigen, uit hun verheven sfeer tot het vuil af te dalen? Als de hoogmoed van de geneeskundigen eens zoo groot was als de onbeschoftheid, waarmee die lieden hen vervolgen, dan zouden zij, zoo maar straffeloos, de menschen kunnen laten omkomen. Doch ons beroep heeft dit met goede vorsten gemeen, dat het goed handelt, maar een slechten naam heeft.

Quod si maxime sunt, ut sunt in hoc ordine, qui se pro medicis gerunt, cum nihil minus sint quam medici. Si sunt qui pro remediis venena ministrant, si sunt qui ob quaestum et ambitionem aegrotis male consulunt, quid iniquius est, quam hominum vitia in artis calumniam detorquere?

Al zijn er nu ook lieden, zooals zij er inderdaad zijn, die zich voor geneeskundigen uitgeven, terwijl zij niets minder dan dat zijn; als er zijn, die vergiften voor geneesmiddelen toedienen; als er zijn, die uit gewin- of eerzucht zieken slechten raad geven, wat is onbillijker dan op grond van fouten van enkele individuen het geheele beroep te lasteren?

Sunt et inter sacerdotes adulteri, inter monachos homicidae ac piratae, sed quid hoc ad religionem per se optimam? Nulla tam sancta professio est, quae non alat sceleratos aliquot. Votis quidem omnibus optandum, omnes principes eiusmodi esse, cuiusmodi decet esse, qui censeantur hoc digni nomine. Nec tamen ideo damnandus est principatus, quod nonnulli sub eo titulo praedones reique publicae hostes agant.

Ook onder de priesters zijn echtbrekers, onder de monniken moordenaars en roovers; maar wat heeft dit te maken met den godsdienst, die op zich zelf zoo voortreffelijk is? Geen beroep is zoo heilig, of er zijn eenige misdadigers die het uitoefenen. Het is zeker dringend te wenschen, dat alle vorsten van dien aard zijn, dat zij dien naam ook ten volle verdienen. Maar toch moet daarom de monarchie niet veroordeeld worden, omdat er onder den vorstelijken titel eenige plunderaars en vijanden van den staat rondloopen.

Optarim et ipse medicos omnes vere medicos esse, nec in his locum dari Graecorum proverbio, +polloi boukentai pauroi de te gês arotêres+. Optarim ab omnibus eam praestari sanctimoniam, quam Hippocrates sacramento verbis solennibus concepto a professoribus exigit. Neque tamen huc non enitendum est nobis, si id a plerisque negligi conspicimus.

Ook ik wenschte, dat alle geneesheeren met recht dien naam konden dragen en dat onder hen geen toepassing kon vinden de Grieksche spreuk: "velen zijn ossendrijvers, maar weinigen landbeploegers". Ik wenschte, dat allen die angstvallige nauwgezetheid in de uitoefening van hun beroep vertoonden, tot welke Hippocrates de artsen door een in plechtige woorden vervatten eed verplichtte. Toch is er voor ons geen reden, om niet met alle macht naar de bereiking van deze hoogte te streven, al zien wij ook, dat dit door zeer velen wordt nagelaten.

Sed quoniam huius argumenti tanta est ubertas, viri praestantissimi, ut difficillimum sit in eo dicendi finem invenire, ne non praestem quod initio sum pollicitus, tempestivum arbitror, universas eius laudes summatim complecti.

Maar daar dit onderwerp, hoogaanzienlijke vergadering, van zulk een grooten omvang is, dat het moeilijk zou zijn, hierover ooit uitgeput te raken, acht ik, om de belofte, in den aanhef mijner rede gedaan, gestand te doen, nu den tijd gekomen, om den geheelen lof der geneeskunde in het kort samen te vatten.

[_Epilogus._]

Etenim si permultas res sola commendat antiquitas, hanc artem primam omnium reperit necessitas. Si scientiam autores illustrant, huius inventio semper diis attributa est. Si quid autoritatis addit honos, non alia tam passim ac tam diu divinos honores meruit.

Immers, terwijl zeer vele zaken zich alleen door hare oudheid aanbevelen, is deze wetenschap het allereerst ontdekt door de noodwendigheid. Als eene wetenschap door haar grondleggers roem erlangt, de uitvinding van deze is altijd aan de goden toegeschreven. Als de eer, die een zaak te beurt valt, haar aanzien verhoogt, aan geene andere is zoo algemeen en zoo lang goddelijke eer bewezen.

Si magni fiunt, quae summis viris probantur, haec summos reges, haec primates non solum delectavit, verum etiam illustravit. Si difficilia quae sunt, ea sunt et pulchra, nihil hac operosius, quae tot disciplinis, tantarum rerum pervestigatione usuque constat. Si dignitate rem aestimamus, quid excellentius, quam ad dei benignitatem proxime accedere?

Indien die dingen op hoogen prijs gesteld worden, die de goedkeuring van aanzienlijke mannen wegdragen, het bestudeeren dezer wetenschap strekte den machtigsten vorsten, den voornaamsten personen niet alleen tot genoegen maar ook tot roem. Als de moeilijkheid, welke iets oplevert, maatstaf is voor de schoonheid ervan, niets gaat met meer moeite gepaard dan de beoefening der geneeskunde, die op zooveel kennis, op het onderzoek van en ervaring in zoovele zaken berust. Als wij een zaak naar hare waarde beoordeelen, wat staat hooger dan de goddelijke genade het dichtst nabij te komen?

Si facultate, quid potentius aut efficacius quam totum hominem certo exitio periturum sibi posse restituere? Si necessitate, quid aeque necessarium atque id sine quo nec vivere, nec nasci licet? Si virtute, quid honestius, quam servare genus humanum? Si utilitate, nullius usus neque maior est, neque latius patet. Si compendio, aut haec in primis frugifera sit oportet, aut ingratissimi mortales.

Naar haar vermogen, wat is machtiger of rijker aan resultaten dan een geheelen mensch, wien een zekere dood te wachten staat, aan zich zelf terug te geven? Naar hare noodwendigheid, wat is zoo onmisbaar als de wetenschap, zonder welke noch leven, noch geboorte mogelijk is? Indien wij een zaak naar hare zedelijke deugd beoordeelen, wat staat moreel hooger dan het menschelijk geslacht in het leven te houden? Naar haar nut, geen zaak sticht grooter nut en in wijder kring. Indien wij eindelijk het financiëel voordeel tot maatstaf nemen, dan is zij wel het allermeest winstgevend, indien de menschheid niet alle dankbaarheid verloren heeft.

Vobis igitur magnopere gratulor, eximii viri, quibus contingit in hoc pulcherrimo genere professionis excellere.

U wensch ik dus ten zeerste geluk, voortreffelijke mannen, die het voorrecht hebt, in dat allerschoonste vak uit te munten.

Vos adhortor, optimi juvenes, hanc toto pectore complectimini, in hanc nervis omnibus incumbite, quae vobis decus, gloriam, autoritatem, opes est conciliatura, per quam vos vicissim amicis, patriae, atque adeo mortalium generi non mediocrem utilitatem estis allaturi.

U, beste jongelingen, geef ik den raad: legt u hierop met volle borst toe, wijdt U met al uwe krachten aan deze wetenschap, die U eer, roem, aanzien en vermogen zal doen verwerven en door welke gij op Uw beurt uwen vrienden, uw vaderland, ja, het geheele menschelijke geslacht op meer dan gewone wijze ten heil zult strekken.

Dixi.

Ik heb gezegd.

[Errata in Latin text noted by Transcriber:

[Sidenote] Laudandi ratio _text reads "Laudandiratio"_ propter arctissimam amborum inter se cognationem _text reads "intet se"_ [Sidenote] Honora medicum. _text reads "Honara"_ [Sidenote] +iatros gar anêr pollôn antaxios allôn+ _spelling "iatros" as in original_ Timetheo suo _spelling as in original_ qui mutatis aedificiis _text reads "aedifiiciis"_]

* * * * * * * * * * * * * *

[Illustratie:

ANTONI VAN LEEUWENHOEK

LID VAN DE KONINGHLYKE SOCIETEIT IN LONDON

_GEBOREN TOT DELFT. A. 1632_

_Daer leeft een aerdigh Man een wardigh Man en gauw Die wisse wondren teelt en heeft Natur in 't nauw Doorkruypt all haer geheim en opent all haer Sloten

Syn Glase Sleuteltiens en isser geen ontschoten Noch kan ontschieten dit's die dappre man niet maer Siet scherp toe die hem soeckt 't gelyckt hem of hy 't waer_

_J. Verkolje pinx. fec. et exc. A. 1686_]

Den Waaragtigen

Omloop des Bloeds,

_Als mede dat_

DE ARTERIEN EN VENÆ

Gecontinueerde BLOED-VATEN zijn,

_Klaar voor de oogen gestelt._

Verhandelt in een BRIEF, geschreven aan de Koninglijke Societeit tot Londen.

door

ANTONI VAN LEEUWENHOEK, Lid van deselve SOCIETEYT.

Antony van Leeuwenhoeks

65. MISSIVE,

Vanden 7. September 1688.

HANDELENDE

_Van tweederley soort van Kikvorsschen. Uyt wat deelen der selver eyeren bestaan. Dat uyt die eyeren Wormen komen. Van wat maakzel die Wormen zyn. De circulatie van het bloed op ses distincte plaatsen aan het hooft van dese Wormen. Continuele schielyke voortstotinge, die het bloed van het hert ontfangt. Ommeloop van het bloed op veel plaatsen in de staart van de Kikvors-worm. Hetgene men Arterien en Venae noemt, zijn gecontinueerde bloed-vaten. Arterien en Venae die dwers over malkanderen loopen. De ommeloop geschied in de dunste bloed-vaten. De Circulatie van het bloed, in kleyne en groote Kikvorsschen. Hoe in een Arterie het bloed te rug quam loopen, en wat de oorsaak daar van was. De ommeloop van het bloed in een kleyn Visje, en in desselfs staart vier-en-dertig byzondere ommeloopen: Ende in het zelvige mede seer naakt voor de oogen gestelt dat Arterien en Venae gecontinueerde bloedvaten syn. In een nagel grootte van onse huyd geschieden wel duysent ommeloopen van bloed. De deeltjens die het bloed in de Vissen root maken, zyn platte ovale deeltjens. Wat Heeren, onder andere, de waaragtige Circulatie van het bloed hebben gezien._

Hoog-Edele HEEREN, enz.

Myn laatste alder-onderdanigsten aan hare Hoog-Edele is geweest den 24. der voorledene Maand, waar in ik kome te handelen, van de angel van de Mugge, namelijk dat de selve angel uyt de koker genomen zynde, in vier distincte angels bestaat. Dat ik Linde Boomen hebbe geplant, welkers wortels in de lucht tot takken wassen, ende de takken in de aarde tot wortels zyn geworden. Dat in yder welgemaakte Garst of Tarw al een Koorn-air geformeert is.

_Hier nevens gaan weder eenige van mijne geringe Observatien._

Wy hebben hier te lande twederley soort van Kikvorsschen; de eerste soort, die wy seer overvloedig ontrent onse Stad plegen te hebben, werden ordinair Kikvorsschen genoemt. Welke sedert eenige jaren hier seer weynig zyn geweest, uyt oorsaak, beeld ik my in, dat onse stilstaande kleyne water-grachten, na verloop van eenige jaren, met een ongediert van sekere kleyne vis (daar wy voor desen niet van geweten hebben, soo veel my bekent is) die wy Stekel-baarsjens noemen, sijn als vervult geworden, die de Kikvorsschen als die nog wormen waren, hebben verslonden.

De kuyt of eyeren van dese Kikvorsschen heb ik in de kleyne water-gragten, die onse weyden of velden van een separeren, somtyds in soo een groote menigte byeen zien leggen, dat de superfitie van het water voor een groot gedeelte beset was.

De tweede soort van Vorsschen die men hier gemenelijk Worken noemt, die zyn in veel minder getal, ende die zyn grooter, en ook starker in 't voortspringen; welkers achter-lijven of dikste van de achter-pooten by de France Natie voor goede spijs gebruykt werd. Op dese laatste soort heb ik veel-maal mijn gedagten laten gaan, eensdeels om dat ik die noyt en hadde gezien dat die verzameld waren; ende ten anderen, om dat ik noyt haar Eyeren ofte kuyt en hadde gezien.

Maar nu op den 29. Mey kome ik wederom in een Weyde, daar in ik sedert eenige jaren tot mijn vermaak dikmaal hebbe gaan wandelen, en geen gedachten hebbende tot de kuyt of eyeren van de Kikvorschen, om dat de tijd van het eyer-leggen van de eerste Kikvorschen al lang verloopen was, soo gaa ik op het geschreeuw, dat dese Kikvorschen, anders Worken geseit, soo by dag als nacht in groote hitte doen, aan, en ik beelde my in dat ik eenige eyeren aan eenig groen gewas, in 't water sag leggen, gelijk het inderdaat ook was.

Dese eyeren en zijn op verre na soo wel, in 't water leggende, niet te kennen, als die van onse gemene Kikvorschen, om dat de lijmachtige stoffe minder in het water uitsteekt, en ook soo veel niet en is.

Ik liet dan eenig groen gewas daar dese eyeren aan vast saten, aan mijn huys brengen, en ik leide die, in twee besondere aardepotten, in ons gemene gracht-water, en ik examineerde alsdoen de eyeren door het vergrootglas, en sag dat die meest alle aan de eene zijde bruyn waren, ende dat de ander zijde ofte de wederhelft geelachtig was. Doch als ik de geseide eyeren des anderen daags 's morgens wederom besag, bevond ik dat de geelachtigheid meest weg was, ende dat maar een weinig plaats die couleur was behoudende: waar uyt ik een besluit maakte, dat dese eyeren niet lang uit de Kikvorschen geweest waren.

Vorders nam ik verscheide eyeren uit de heldere lijmachtige stoffe, en ik bevond doorgaans dat dese lijmachtige stoffe, die haar noch in twee distincte rontten scheen te separeren, seer stark en taay was, soo dat die niet als met ontstukken-scheuringe van het rechte Ey en konde gescheiden worden; en als ik op het aldersachtst daar mede handelde, soo en behield het ey niet meer zijn rondigheid, maar het berstte en scheurde als noch van malkanderen. Ik hebbe van dese eyeren verscheide achter den anderen (als ik die van haar lijmachtige stoffe daar in deselve lagen, hadde ontbloot) geexamineert, ende gezien dat het dunne omwindsel meest bestond uit zwarte stipjens, over-een-komende met de knobbelagtige deelen die het zegreyn-leer heeft.

Vorders bestont het ey, soo veel my bleek, uit een weinig (in 't oog) waterige vogt, en een onbegrijpelyk groot getal van globulen; welke globulen yder weder bestond uit een groot getal van kleinder globulen, die yder in 't midden een grooter globule hadde, soo dat yder eerste globule wel een ey, met een seer kleine doir verbeelde.

De figuur van veele van dese eyeren veranderden van dag tot dag: want die wierden in plaats van rond, langachtig: daar wierden kleine staarten geformeert. Ook scheent my toe dat ik hoofden zag.

Ik opende van dag tot dag veel van dese eyeren, ja selfs op den sevenden dag dat ik de eyeren in mijn huis hadde gehad, als wanneer eenige wormen of jonge Kikvorschen al soo verre gekomen waren, dat die zig beweegden. Maar al wat ik zag dat waren niet dan globulen, en schoon ik de jonge Kikvorsch-worm opende, op die tijd als hy uit zijn lijmachtige stoffe was gearbeid, en door het water swom, aan de welke ik, geheel zijnde, de rugge-graat ook konde bekennen, soo en konde ik deselve, ontstukken snijdende, geen ingewanden, veel min aderen of zenuwen bekennen.

Het scheen my als doen noch toe dat het het gantsche ligchaam van dat Dier, uit geen andere deelen en was gemaakt dan uit globulen, en wel voornamentlijk de buik die geelachtig was, zijnde gemaakt uit dat gedeelte van het ey dat geel was gebleven, en nu tot de buik was geworden. Dit quam my vreemd voor, dat ik in soo een groot schepsel, dat ik voor mijn gezigt doode, geen vaten of zenuwen en konde bekennen.

Na alle dese mijne Observatien die ik ontrent dese eyeren hebbe gedaan, konde ik geen ander besluit maken, als dat de lijmachtige stofte die om het ey leit, alleen geschapen is, om het inleggende ey te bewaren, ende te beschermen, even gelijk de schillen of schalen van de eyeren van het gevogelte, het wit en doir bewaren en beschermen.