Opuscula Selecta Neerlandicorum Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde
Part 7
Ja zelfs ook zij, die door tooverformulieren booze duivels uit menschelijke lichamen drijven, raadplegen den geneesheer niet zelden, bij voorbeeld bij die ziekten, die op geheime wijze de werking van het eene of andere zintuig verstoren en zoozeer den schijn wekken van door de aanwezigheid van duivels veroorzaakt te zijn, dat zij slechts door zeer bekwame geneeskundigen kunnen onderscheiden worden, hetzij het duivelen van grover soort zijn (men weet immers, dat er verschillende soorten van duivelen bestaan),
qui medicam etiam opem sentiant, sive morbus adeo penitus intimis animi recessibus insidet, ut a corpore videatur alienus. In cuius rei fidem, dum ex innumeris mihi compertum exemplum refero, quaeso ut me patienter audiatis.
die ook door medische behandeling kunnen aangetast worden, of dat de ziekte zich zoo diep in de schuilhoeken der ziel heeft ingedrongen, dat zij op het lichaam geen betrekking schijnt te hebben. Terwijl ik U tot staving dezer bewering uit de tallooze voorbeelden één, dat ik zelf beleefd heb, verhaal, verzoek ik U, mij geduldig te willen aanhooren.
[_Exemplum._]
Panaceum celeberrimi nominis medicum adolescens colui, is me teste quendam restituit, nomine Phlyarium, patria Spoletanum, qui ex vermibus in novum maniae genus inciderat, ita ut in morbo probe teutonice loqueretur, quod (uti constabat) sanus nunquam potuerat. Quis imperitus rei medicae non hunc daemoniacum vel dejerasset etiam?
In mijn jeugd heb ik omgang gehad met Panaceus, een wijd en zijd beroemd geneesheer; deze heeft in mijn tegenwoordigheid een man, Phlyarius genaamd, afkomstig uit Spoleto, genezen, die ten gevolge van wormen in een geheel nieuwe soort van waanzin vervallen was, daarin bestaande, dat hij gedurende zijn ziekte goed Duitsch sprak, welke taal hij, naar met zekerheid vaststond, in normalen toestand nooit gekend had. Wie, die onervaren was in de geneeskunde, zou er zelfs niet een eed op hebben durven doen, dat deze man door duivelen bezeten was?
At is hominem facili paratoque remedio menti reddidit. Redditus sibi, teutonice nec loquebatur, nec intelligebat. Quod si quis hunc vere daemoniacum fuisse contendat, ea sane res vel maxime medicorum illustrat artem, cui compertum est et daemones impios parere, quemadmodum in restituenda vita, ita et in exigendis spiritibus divinae virtutis tum ministrae, tum aemulae.
En toch gaf deze arts hem door een eenvoudig en gemakkelijk te verkrijgen geneesmiddel weer het verstand terug; tot bezinning gekomen sprak noch verstond de man meer Duitsch. Indien men nu beweert, dat hij inderdaad bezeten was, dan strekt dit geval der geneeskunde tot nog grooter roem, daar het dan bewezen zou zijn, dat ook de booze duivels haar gehoorzaamden en zij derhalve niet alleen in het doen terugkeeren van het leven, maar ook in het uitdrijven van booze geesten zoowel de dienares als de mededingster der goddelijke macht ware.
Neque vero deerant, qui factum hoc magicis artibus tribuebant, quorum ego calumniam arti nostrae gloriae laudique verto, per quam ea praestantur, quae vulgus hominum humanis viribus praestari posse non credit.
En inderdaad waren er toen ook, die deze daad aan tooverkunsten toeschreven; maar juist dien laster beschouw ik als een roem en eer voor onze wetenschap, welke op resultaten te wijzen heeft, die door het meerendeel der menschheid buiten het bereik der menschelijke krachten geacht worden.
[_Quibus culta medicina._]
Optimo igitur jure priscis seculis, cum nondum sordidi quaestus et spurcae voluptates vitiassent omnia, medendi ars inter omnes una divinis ac summatibus viris, opulentissimis regibus, clarissimis senatoribus praecipue cordi fuit, nec alia mortalium generi gratior. Siquidem Moses ille magnus, non alia ratione quam artis medicae, cibos suos distinxisse creditur. Orpheus, Graecorum vetustissimus, de viribus herbarum nonnulla prodidisse legitur.
Met het volste recht derhalve lieten zich in den ouden tijd, toen nog niet alles door lage gewinzucht en vuile lusten bezoedeld was, goddelijke en hoogverheven mannen, machtige koningen en doorluchte raadsheeren het meest van alle wetenschappen aan de geneeskunde gelegen liggen en geene andere was den menschen welkomer. Men neemt immers aan, dat de groote Mozes naar geen anderen maatstaf dan naar dien der medische wetenschap de spijzen in geoorloofde en ongeoorloofde heeft ingedeeld. Wij lezen, dat Orpheus, uit de grijze Grieksche oudheid, het een en ander heeft overgeleverd omtrent de geneeskracht der kruiden.
Homerus ipse, citra controversiam, unicus ingeniorum fons, plurimus est et in herbarum commemoratione, et in laude medicorum. Is et Moly nobis depinxit, herbarum omnium (teste Plinio) laudatissimam, efficacem adversus veneficia, cuius inventionem Mercurio tribuit, hac Ulyssem suum adversus Circes pocula praemuniens. Idem nepenthes indicat in conviviis adhibendum, quod moerorem tristitiamque discutiat.
Homerus zelf, zonder tegenspraak de voortreffelijkste bron voor alle geesten, maakt herhaaldelijk melding van kruiden en prijst zeer vaak de geneeskunde. Hij heeft ons immers ook het kruid "moly" beschreven, dat volgens Plinius het voortreffelijkste van alle kruiden en een afdoend middel tegen vergiftiging is, welks ontdekking de dichter aan Mercurius toeschrijft en waarmee hij zijn Ulysses beschermt tegen den hem door Circe gereikten tooverdrank. Hij duidt ook aan, dat "nepenthes" (letterl. "smarteloos") bij den maaltijd moet gebruikt worden, dat het vermogen heeft, leed en droefenis te verdrijven.
Porro Machaonem, Paeonem, Chironem, Podalirium, ut hac arte praestantes, saepicule non sine honore commemorat, quorum arte non solum heroibus, verum ipsis etiam diis subventum esse fingit, illud videlicet subindicans, summis etiam principibus medicorum praesidiis opus esse, atque horum vitam medicis in manu esse, qui in caeteros omnes jus vitae ac necis habere videntur. Quid quod idem Poeta libro Iliados undecimo, huius artis professionem longe pulcherrimo nobilitavit elogio, cum ait: [Sidenote: +iatros gar anêr pollôn antaxios allôn+] Unum medicum pluris habendum, quam caeterorum hominum permultos.
Voorts noemt hij dikwijls met eere Machaon, Paeon, Chiron en Podalirius als uitmuntende in deze kunst, waardoor zij niet alleen de helden maar ook de goden, naar zijn dichterlijke voorstelling, hulp verleenden. Hij wil er dit mee aanduiden, dat ook de grootste vorsten den bijstand der geneesheeren behoeven en dat zelfs het leven van hen, die over leven en dood van alle overigen beschikken, in hunne macht is. Ja, diezelfde dichter heeft in het elfde boek van de Ilias de uitoefening van dit beroep door verreweg de schoonste lofspraak verheerlijkt, waar hij zegt, dat één arts meer waard is dan vele andere menschen tezamen.
Rursum alibi medicum ita notat, ut dicat eum eruditum in omnibus, palam testans id quod res est, hanc artem non una aut altera disciplina, sed omnium artium cognitione circuloque, tum praeter exactum ingenium, multo etiam rerum usu constare. Pythagoras ille Samius, cui divinitatem quandam tribuebat antiquitas, de naturis herbarum nobile volumen reliquisse legitur.
Elders wederom noemt hij den geneesheer iemand, die in alles onderricht is, hiermede openlijk getuigende, wat ook werkelijk het geval is, dat de geneeskunde niet berust op de eene of andere wetenschap, maar op den geheelen kring van alle wetenschappen en niet alleen op theoretische kennis maar ook op practische ervaring in vele zaken. De beroemde Pythagoras van Samos, wien de oudheid een zekere mate van goddelijkheid toekende, heeft, naar wij vermeld vinden, een bekend boek over den aard der kruiden achtergelaten.
Atque ut Platonem, Aristotelem, Theophrastum, Chrysippum, Catonem censorium, Varronem praeteream, quibus studio fuit hanc artem suis vel studiis, vel negotiis admiscere, Mithridatem Ponti regem, non perinde regnum, alioqui locupletissimum, non tam unius et viginti linguarum miraculum, quam rei medicae peritia nobilitavit, vereque magnum virum declaravit, qui artis huius commentationes, et exemplaria, effectusque in arcanis reliquit, ut autor est Plinius.
Nu wil ik Plato, Aristoteles, Theophrastus, Chrysippus, Cato den Ouden en Varro maar met stilzwijgen voorbijgaan, die allen deze wetenschap ijverig bestudeerd of ook practisch beoefend hebben, doch ik zal slechts spreken over Mithridates, koning van Pontus, die niet zoozeer door zijn, overigens zeer machtige, heerschappij of door zijn wonderbaarlijke kennis van één en twintig talen als wel door zijn geneeskundige bekwaamheid beroemd is geworden, welke hem tot een waarlijk groot man stempelde, daar medische verhandelingen, voorbeelden en beschrijvingen van de werking van verschillende kruiden, naar Plinius ons meedeelt, in zijn geheime nalatenschap gevonden zijn.
Cuius et hodie nobile theriacae genus nomine celebratur. Nunc fere regium habetur, aleam ludere, venari, nugas agere. At olim populi Romani principibus nihil magis erat curae, quam ut ex longinquo novis importandis herbis, rem medicam adjuvarent, neque populo illi tum orbis domino aliud erat munus gratius.
Nog heden ten dage draagt een bekend tegengift zijn naam. Tegenwoordig beschouwt men algemeen als koninklijke eigenschappen: spelen, jagen en zich met beuzelingen ophouden. Maar oudtijds legden zich de bestuurders van het Romeinsche rijk op niets zoozeer toe als op de bevordering der geneeskunde door het invoeren van kruiden uit ver verwijderde streken, en dit volk, dat toen de wereld beheerschte, was geen geschenk aangenamer.
[_Christus ipse medicus._]
Quid quod Christus ipse, disciplinarum omnium et autor et princeps, sese non Iureconsultum, non Rhetorem, non Philosophum, sed Medicum professus est, dum de se loquens negat opus esse medico iis, qui bene habeant, dum Samaritanus vulneribus oleum ac vinum infundit, dum sputum terrae mixtum illinit oculis caeci. Quid quod idem hac potissimum commendatione, cum adhuc orbi esset ignotus, sese paulatim in animos atque affectus hominum insinuavit, non auro, non imperiis, sed morborum remediis? Quod ille nutu fecit, nempe deus, hoc medicus pro virili sua cura imitatur.
Ja, Christus zelf, de grondlegger en vorst van alle wetenschappen, geeft zich niet uit voor rechtsgeleerde, noch voor rhetor, noch voor wijsgeer, maar voor geneesheer, daar Hij, van Zichzelf sprekende, zegt, dat "zij geenen medicijnmeester van noode hebben, die zich wel bevinden", terwijl Hij den Samaritaan olie en wijn op wonden laat gieten en met speeksel, met aarde vermengd, de oogen van een blinde bestrijkt. Juist door dit middel won Hij langzamerhand, toen Hij nog aan de wereld onbekend was, de genegenheid en de liefde der menschen; niet door goud, noch door heerschappij, maar door het genezen van ziekten. Wat Hij door Zijnen wil deed, immers een God, volgt de geneesheer naar vermogen na.
Neque deest his quoque divina vis, nimirum medendi viribus in hunc usum rebus a deo inditis. Nec alio viatico magis instruxit Apostolos, mandans ut hoc protinus officio sibi devincirent hospitem, medentes inquit, morbis illorum, et ungentes oleo.
Bovendien bezitten ook zij eene goddelijke macht, namelijk die van genezing aan te brengen door middel van krachten, die tot dit doel door God den dingen ingeschapen zijn. In hoofdzaak bestond ook daarin het reisgeld, waarmede Hij de apostelen voorzag, hun opdragend, terstond door dezen liefdedienst hunne gastheeren aan zich te verplichten "door", zoo luiden Zijne woorden, "hunne ziekten te genezen en hen met olie te zalven".
Paulus ille magnus dum Timetheo suo modicum vini praescribit usum, ad fulciendam stomachi imbecillitatem, nonne palam medici partibus utitur? Sed quid hoc mirum in Apostolo, cum Raphael angelus Tobiae caecitati medicans hinc nomen etiam invenerit apud arcanarum rerum studiosos? O coelestem vereque sacram disciplinam, cuius cognomento divinae illae mentes insigniuntur.
Als de groote Paulus zijnen Timotheus een matig gebruik van wijn voorschrijft, om zijn zwakke maag te versterken, is dat geen openlijke uitoefening van de geneeskunde? Maar waarom zouden wij ons daarover verwonderen bij een apostel, als volgens de beoefenaars der mystiek de engel Raphael zijn naam ontleend heeft aan het genezen van de blindheid van Tobias?[4] O hemelsche en in waarheid gewijde wetenschap, naar welke goddelijke geesten genoemd worden!
[Voetnoot 4: De Hebreeuwsche naam Raphael bestaat uit twee woorden, waarvan het eerste rapha, "genezen" en het tweede el, "goddelijkwezen" beteekent. (Vert.)]
Inter mortales alii alias artes vel discunt, vel profitentur, hanc unam oportebat ab omnibus disci, quae nulli non est necessaria. Sed o heu perversissima hominum judicia.
De eene mensen leert dit, de ander dat vak of oefent het uit; deze wetenschap diende door allen gekend te worden, daar zij voor ieder onmisbaar is. Maar ach! allerverkeerdst oordeel der stervelingen!
Nemo nescire sustinet, quis nummus legitimus sit, quis adulterinus, ne quid fallatur in re vilissima, nec scire studio est, quibus modis id quod habet optimum tueatur. In numismate non credit alienis oculis, in negotio vitae ac sanitatis, clausis quod dicitur oculis, sequitur alienum judicium.
Er is niemand, die het niet vreeselijk zou vinden, als hij geen valsche van echte munt kon onderscheiden, terwijl hij in dit geval toch slechts in iets zeer minderwaardigs zou kunnen bedrogen worden; hij streeft er echter niet naar, te weten te komen, hoe hij het beste, wat hij heeft, kan beschermen. Bij het beoordeelen van geldstukken vertrouwt hij anderer oogen niet, doch waar het om leven en gezondheid gaat, volgt hij, zooals men dat noemt, blindelings het oordeel van anderen.
Quod si totius artis absoluta cognitio non potest nisi paucis contingere, qui totam vitam huic uni studio dedicarunt, certe partem eam, quae ad tuendam valetudinem pertinet, non conveniebat quemquam nescire. Etiam si bona pars difficultatis, non ab ipsa arte, sed ab improborum medicorum vel inscitia, vel ambitione proficiscatur.
En ofschoon nu de volmaakte kennis van die geheele wetenschap slechts aan de weinigen kan ten deel vallen, die daaraan alleen hun geheele leven gewijd hebben, zoo behoorde toch ten minste dat gedeelte, hetwelk over het behoud der gezondheid handelt, door iedereen gekend te worden. Hoewel het niet te ontkennen valt, dat de moeielijkheid hierbij voor een groot deel voortspruit, niet uit de kunst zelve maar uit de onwetendheid of eerzucht van slechte geneesheeren.
[_A simili._]
Semper apud efferas etiam ac barbaras nationes sanctum ac venerabile fuit amicitiae nomen. Atque is egregius habetur amicus, qui se fortunae utriusque comitem sociumque praebeat, quod vulgus amicorum velut hirundines aestate, rebus secundis adsunt, rebus adversis, quemadmodum illae ingruente bruma devolant.
Te allen tijde, zelfs bij wilde en barbaarsche volken, werd de vriendschap voor iets verhevens en eerbiedwaardigs gehouden. En diegene wordt als een uitstekend vriend beschouwd, die evenmin in tegen- als in voorspoed zijn vrienden in den steek laat, terwijl het gros der vrienden in gelukkige omstandigheden trouw blijft, in ongelukkige verdwijnt, evenals de zwaluwen gedurende den zomer in het land zijn, maar bij het invallen van den winter wegvliegen. Een hoe oprechter vriend is echter niet de geneesheer.
At quanto sincerior amicus medicus, qui Seleucidum avium exemplo, quas narrant nusquam a Casii montis incolis conspici, nisi cum illarum praesidio est opus, adversus vim locustarum fruges vastantium, rebus integris ac laetis nusquam sese ingerit, in periculis, in his casibus, in quibus uxor ac liberi saepe deserunt hominem, velut in phrenesi, phthiriasi, in peste solus medicus constanter adest, et adest non inutili officio, quemadmodum plerique caeterorum, sed adest opitulaturus, adest pro capite periclitantis cum morbo dimicans, nonnunquam suo quoque periculo.
Evenals de "Seleucides" genaamde vogels, naar verhaald wordt, door de bewoners van het Casische gebergte nooit anders gezien worden, dan wanneer zij hunne hulp noodig hebben tegen de zwermen van sprinkhanen, die hun gewassen vernielen, zoo vertoont ook hij zich nooit in normale en gelukkige omstandigheden, maar in tijden van gevaar, in die gevallen, waarin vrouw en kinderen dikwijls den man verlaten, bij voorbeeld bij waanzin, luizenziekte of pest, staat hij alleen hem voortdurend bij, en niet alleen, zooals de meeste anderen, met onnuttige diensten, maar als redder, om het leven van den in gevaar verkeerende met de ziekte kampend, soms ook met gevaar voor zijn eigen leven.
Et o plus quam ingratos, qui talis amici officio servati, jam depulso periculo medicum odisse possunt, ac non potius parentis vice colunt ac venerantur. Vulgarem amicum, qui subinde salutat obvium, ad coenam rogant, qui latus claudit, officio pensant, et talem amicum ubi desierint egere, aversantur? Et ob hoc ipsum aversantur, quod intelligant illius officio nullam meritis parem gratiam rependi posse.
Zijn zij dan niet meer dan ondankbaar, die, door de dienstvaardigheid van zulk een vriend gered, al aanstonds nadat het gevaar geweken is, den geneesheer kunnen haten en hem niet veeleer als een vader vereeren en hoogachten? Een alledaagsch vriend, die hen van tijd tot tijd bij een toevallige ontmoeting groet, noodigen zij ter maaltijd, hem, die hen wel eens vergezelt, overladen zij met hoffelijkheid, maar een zoodanig vriend wordt, zoodra zij hem niet meer noodig hebben, versmaad? Terwijl deze afkeer eigenlijk juist daaruit voortspruit, dat zij inzien, dat geen belooning ooit groot genoeg kan zijn, om tegen hun diensten op te wegen.
Quod si is optimus vir est, qui maxime prodest Reipublicae, ars haec optimo cuique viro discenda est.
Daar hij de voortreffelijkste genoemd kan worden, die den staat het meest ten nutte is, zoo moest deze wetenschap eigenlijk door alle uitstekende mannen geleerd worden.
[*][Siquidem inter munia profani magistratus non minima portio est, et haud scio an praecipua, dare operam, ut corpora civium bene habeant. Quid prodest depulisse hostem a moenibus, si pestilentia intus grassans, plures tollit quam sublaturus erat gladius? Quid refert curasse ne cui pereat census, si perit prospera corporis valetudo? Prisci qui bonorum ordines digesserunt, primas tribuunt bonae valetudini. Quid enim prodest incolumis possessio, nisi valet possessor?
[5][Het is immers niet de geringste, en misschien wel de voornaamste, plicht der wereldlijke overheid te zorgen, dat de burgers gezond zijn. Wat baat het, den vijand van de muren verdreven te hebben, wanneer de daarbinnen heerschende epidemie meer personen wegmaait dan het zwaard der vijanden zou gedood hebben? Wat geeft het, er voor te zorgen, dat niemand zijn vermogen verliest, als de gezondheid des lichaams gesloopt wordt? De ouden, die een rangorde der goederen hebben vastgesteld, plaatsten bovenaan op de lijst een goede gezondheid. Want wat nut is het, dat het bezit in ongeschonden staat verkeert, als de bezitter niet wel is?
Proinde leges priscorum, cum nondum quaestus et ambitio corrupisset omnia, potissimum huc spectabant, ut corpora civium essent valida, robusta, beneque temperata. Ea res partim pendet a nativitate, partim ab educatione, partim ab exercitamentis, et victus ratione, nonnihil etiam ab aedificiorum modo.
Daarom lette de wetgeving bij de ouden, toen heb- en eerzucht nog niet alles bedorven hadden, vooral daarop, dat de lichamen der burgers gezond, krachtig en evenredig ontwikkeld waren. Dit hangt deels af van de aangeboren lichaamsgesteldheid, deels van de opvoeding, lichaamsoefeningen, voedingswijze en ook eenigszins van de inrichting der woningen.
Nimirum medici fungebantur officio, qui bene temperata corpora jungebant matrimonio, qui nutrices adhibebant integrae valetudinis, qui balnea publica, qui publica gymnasmata instituebant, qui ferebant leges sumptuarias, qui mutatis aedificiis, qui siccatis paludibus pestilentiam excludebant, qui in hoc vigilabant, ne quid esculentum aut poculentum venderetur, quod laederet corporum incolumitatem. Et hodie principes fere nihil ad se pertinere credunt, si pro vinis vendantur venena, si tritico vitiato, si putribus piscibus tot morbi invehantur in publicum.
De taak van den geneesheer vervulden de wetgevers, die slechts goed gebouwde personen met elkander lieten huwen, die eischten, dat men alleen volkomen gezonde minnen in dienst nam, die openbare baden en turnplaatsen instelden, wetten tegen de weelde maakten, door het doen verbouwen van huizen en het droogleggen van moerassen, epidemieën voorkwamen en er voor waakten, dat geen spijzen of dranken, die voor de gezondheid gevaar opleverden, verkocht werden. Maar heden ten dage meenen de vorsten, dat zij er niet mee te maken hebben, of voor wijnen vergiften verkocht worden, of er door aangestoken graan of bedorven visch zoovele ziekten onder het volk verspreid worden.
Adeo nulla vitae pars est, quae citra medicinae praesidia recte possit administrari.]
Er is letterlijk geen deel van het leven, dat zonder de hulp der geneeskunde behoorlijk kan geregeld worden.]
[Footnote to this passage in Dutch translation (paraphrased): The text printed in brackets does not appear in the editions of Frobenius (Basel 1518), Hillenius (Antwerp 1523), or Petrejus (Nuremberg 1525). It does appear in the first collected edition of Erasmus' works by Rhenanus (Basel 1540) and in the best collected edition by Clericus (Leiden 1703).]
[Voetnoot 5: De woorden, die nu volgen en tusschen haakjes [] geplaatst zijn, komen niet voor in de uitgave van Frobenius Bazel 1518, noch in die van Mich. Hillenius (Antwerpen 1523), noch ook in die van Joannes Petrejus (Neurenberg 1525), maar wel in de eerste gezamenlijke uitgave van Erasmus' werken van Beatus Rhenanus (Bazel 1540) en in de beste gezamenlijke uitgave van Joannes Clericus (Leiden 1703). (Vert.)]
[_A quaestu._]
Iam vero si qui sint, qui rerum pretia malint utilitate quaestuque metiri (licet haec ars divinior est, quam ut huiusmodi rationibus sit aestimanda) ne hac quidem parte cuiquam aliarum cedit artium. Neque enim ulla magis fuit frugifera, et ad rem subito parandam aeque praesentanea. Erasistratus cuius ante memini, a rege Ptolemaeo, Critobolus ab Alexandro magno, praemiis ingentibus ac vix credendis donati leguntur.
Indien er eindelijk menschen zijn, die de waarde der dingen liever afmeten naar het voordeel en de winst, die zij opleveren, dan zullen zij bevinden, dat ook in dit opzicht de geneeskunde, ofschoon te verheven om naar dergelijke overwegingen beoordeeld te worden, bij geen der andere wetenschappen ten achter staat. Want geen andere was ooit meer winstgevend en stelde hare beoefenaars zoo snel in staat, zich een vermogen te verwerven. Wij lezen, dat Erasistratus, dien ik reeds vroeger vermeld heb, door koning Ptolemeus, en Critobolus door Alexander den Grooten met buitengewone, nauwelijks te gelooven belooningen begiftigd zijn.
Quamquam quod tandem praemium non exiguum videatur, repensum servatori capitis, pro cuius unius salute tot hominum millia depugnabant? Quid ego nunc commemorem Cassios, Carpitanos, Aruncios, Albutios, quibus Romae tum apud principem, tum apud populum immodicum quaestum fuisse refert Plinius? Quanquam quid nos haec ex priscis aetatibus repetimus, quasi non hodie cuique complures succurrant, quos haec ars ad Croesi opes evexerit?