Opuscula Selecta Neerlandicorum Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde
Part 4
Aan onze ouders hebben wij alles te danken, daar wij in zekeren zin van hen het geschenk des levens ontvangen hebben. Veel meer zijn wij, mijns inziens, den geneesheer verplicht, wien wij zoovele malen verschuldigd zijn, wat wij onzen ouders hoogstens éénmaal verschuldigd zijn. Wij behooren met kinderlijke liefde hem aan te hangen, die den vijand van onzen hals weert, maar zijn wij dat dan niet in veel hooger mate verplicht tegenover den geneesheer, die met zoovele doodvijanden van ons leven dagelijks een hardnekkigen strijd voert? Wij zien tot koningen op als tot goden, omdat wij meenen, dat zij willekeurig kunnen beschikken over leven en dood; maar ofschoon zij wel kunnen dooden, kan men toch van hen op geen andere wijze beweren, dat zij het leven schenken, dan in dien zin, dat zij het niet ontnemen, zooals wij ook van roovers zeggen, dat zij iemand het leven geschonken hebben, wanneer zij hem niet hebben vermoord. En zelfs in dien zin kunnen zij toch niet anders schenken dan het leven des lichaams. Hoeveel dichter bij de goddelijke mildheid komt dan niet de weldaad van den geneesheer, die een mensch, reeds voor de onderwereld bestemd, door zijn kunst, vernuft, zorg en trouw als het ware uit den muil des doods terugtrekt? Iemand in andere zaken bijstaan is hulpvaardigheid, maar hem, wanneer hij in dreigend gevaar voor ziel en lichaam verkeert, in het leven houden, is meer dan genade. Voeg daarbij, dat al wat er groots in den mensch is, zijn kennis, deugd, natuurlijke gaven en dergelijke, op rekening der geneeskunde dient geschreven te worden, aangezien zij datgene beschermt, zonder hetwelk de overige dingen zelfs niet kunnen bestaan. Als alles er voor den mensch is en de mensch zelf door den geneesheer behouden blijft, dan moet den geneesheer voor alles dank geweten worden.
Als men van hem, die door ziekten geteisterd wordt, eigenlijk niet kan zeggen, dat hij leeft, en de geneesheer het is, die de gezondheid òf herstelt òf beschut, past het ons dan niet, hem als den oorsprong van ons leven te erkennen? Indien de onsterfelijkheid iets begeerlijks is, zoo wordt zij toch zooveel mogelijk nagestreefd door den ijver der geneeskundigen, die het leven een langen duur verschaft. Want waartoe behoef ik de algemeen bekende voorbeelden te noemen van Pythagoras, Chrysippus, Plato, Cato den Ouden, Antonius, Castor[3] en talloozen met hen, van wie de meesten door hun eerbied voor de geneeskunde zonder eenige ziekte, zonder verzwakking hunner geestvermogens en zonder dat de sterkte van hun geheugen geschokt werd of zij het gebruik hunner zintuigen geheel of gedeeltelijk verloren, meer dan honderd jaar geleefd hebben? Of is dat niet ons nog op deze wereld een beeld vertoonen van de onsterfelijkheid, die wij hiernamaals hopen? Christus zelf, de hoogverheven bewerker en redder van onze onsterfelijkheid, nam een lichamelijk hulsel aan, dat, ofschoon sterfelijk, toch aan geen ziekten was blootgesteld. Het kruis schuwde Hij niet, wel ziekten. Is het nu niet iets heerlijks, onzen Heer ook in dezen, naar vermogen, na te volgen? Van de apostelen, die bijna allen een lang leven gehad hebben, lezen wij wel, dat zij vermoord, gedood zijn, niet dat zij ziek zijn geweest. Hoe hun dat nu ook te beurt gevallen is, de geneeskunde bewerkt voor ons hetzelfde als wat zij door hunne gelukzaligheid bereikt hebben. Want men moet, naar ik meen, naar hen niet luisteren, die ons even dom als onbeschaamd tegenwerpen, dat deugd gewoonlijk in ziekte wordt uitgeoefend, waar zij zonder eenigen grond gelooven, dat Paulus aan zware hoofdpijnen leed, terwijl hij toch juist de ziekte eene beproeving van de ziel of, wat juister is, eene kwelling der boozen noemt. En diezelfde Paulus heeft onder de gaven, die aan de Apostelen geschonken waren, ook de gave der genezing geteld.
[Voetnoot 3: IJverig botanicus uit de eerste eeuw vóór Christus, onder wiens leiding Plinius botanische studiën maakte. (Vert.).]
Ook wordt de roem der geneeskunde in geen geringe mate hierdoor verhoogd, dat het verheven keizerlijk en pontificaal recht zich vrijwillig aan het oordeel der geneeskundigen onderwerpt, zooals in quaesties van manbaarheid, geboorte en vergiftiging, eveneens in eenige huwelijksquaesties. O nieuwe waardigheid der geneeskunde! Een menschenleven staat op het spel en het oordeel des rechters hangt af van de voorafgaande uitspraak van den geneesheer! De pauselijke genade verleent in enkele gevallen slechts kwijtschelding na een geneesheer gehoord te hebben. Zoo besluit de paus, in geval een bisschop beschuldigd wordt, aan eene afschuwelijke en vreeselijke ziekte te lijden, eerst na een geneeskundig advies ingewonnen te hebben, tot verwijdering of handhaving van den bisschop. Eveneens schrijft de goddelijke Augustinus voor, dat de zieke, ook tegen zijn wil, naar den raad van den geneesheer behandeld moet worden. Ook zegt hij terecht, dat het den geneesheer verschuldigde eerbewijs, dat is het loon voor zijn kunst en inspanning, met geweld moet ontnomen worden aan hem, die het weigert te voldoen, daar hij beschouwd moet worden als iemand, die wederrechtelijk eens anders eigendom in bezit houdt. Ja zelfs ook zij, die door tooverformulieren booze duivels uit menschelijke lichamen drijven, raadplegen den geneesheer niet zelden, bij voorbeeld bij die ziekten, die op geheime wijze de werking van het eene of andere zintuig verstoren en zoozeer den schijn wekken van door de aanwezigheid van duivels veroorzaakt te zijn, dat zij slechts door zeer bekwame geneeskundigen kunnen onderscheiden worden, hetzij het duivelen van grover soort zijn (men weet immers, dat er verschillende soorten van duivelen bestaan), die ook door medische behandeling kunnen aangetast worden, of dat de ziekte zich zoo diep in de schuilhoeken der ziel heeft ingedrongen, dat zij op het lichaam geen betrekking schijnt te hebben. Terwijl ik U tot staving dezer bewering uit de tallooze voorbeelden één, dat ik zelf beleefd heb, verhaal, verzoek ik U, mij geduldig te willen aanhooren.
In mijn jeugd heb ik omgang gehad met Panaceus, een wijd en zijd beroemd geneesheer; deze heeft in mijn tegenwoordigheid een man, Phlyarius genaamd, afkomstig uit Spoleto, genezen, die ten gevolge van wormen in een geheel nieuwe soort van waanzin vervallen was, daarin bestaande, dat hij gedurende zijn ziekte goed Duitsch sprak, welke taal hij, naar met zekerheid vaststond, in normalen toestand nooit gekend had. Wie, die onervaren was in de geneeskunde, zou er zelfs niet een eed op hebben durven doen, dat deze man door duivelen bezeten was? En toch gaf deze arts hem door een eenvoudig en gemakkelijk te verkrijgen geneesmiddel weer het verstand terug; tot bezinning gekomen sprak noch verstond de man meer Duitsch. Indien men nu beweert, dat hij inderdaad bezeten was, dan strekt dit geval der geneeskunde tot nog grooter roem, daar het dan bewezen zou zijn, dat ook de booze duivels haar gehoorzaamden en zij derhalve niet alleen in het doen terugkeeren van het leven, maar ook in het uitdrijven van booze geesten zoowel de dienares als de mededingster der goddelijke macht ware. En inderdaad waren er toen ook, die deze daad aan tooverkunsten toeschreven; maar juist dien laster beschouw ik als een roem en eer voor onze wetenschap, welke op resultaten te wijzen heeft, die door het meerendeel der menschheid buiten het bereik der menschelijke krachten geacht worden.
Met het volste recht derhalve lieten zich in den ouden tijd, toen nog niet alles door lage gewinzucht en vuile lusten bezoedeld was, goddelijke en hoogverheven mannen, machtige koningen en doorluchte raadsheeren het meest van alle wetenschappen aan de geneeskunde gelegen liggen en geene andere was den menschen welkomer. Men neemt immers aan, dat de groote Mozes naar geen anderen maatstaf dan naar dien der medische wetenschap de spijzen in geoorloofde en ongeoorloofde heeft ingedeeld. Wij lezen, dat Orpheus, uit de grijze Grieksche oudheid, het een en ander heeft overgeleverd omtrent de geneeskracht der kruiden. Homerus zelf, zonder tegenspraak de voortreffelijkste bron voor alle geesten, maakt herhaaldelijk melding van kruiden en prijst zeer vaak de geneeskunde. Hij heeft ons immers ook het kruid "moly" beschreven, dat volgens Plinius het voortreffelijkste van alle kruiden en een afdoend middel tegen vergiftiging is, welks ontdekking de dichter aan Mercurius toeschrijft en waarmee hij zijn Ulysses beschermt tegen den hem door Circe gereikten tooverdrank. Hij duidt ook aan, dat "nepenthes" (letterl. "smarteloos") bij den maaltijd moet gebruikt worden, dat het vermogen heeft, leed en droefenis te verdrijven. Voorts noemt hij dikwijls met eere Machaon, Paeon, Chiron en Podalirius als uitmuntende in deze kunst, waardoor zij niet alleen de helden maar ook de goden, naar zijn dichterlijke voorstelling, hulp verleenden. Hij wil er dit mee aanduiden, dat ook de grootste vorsten den bijstand der geneesheeren behoeven en dat zelfs het leven van hen, die over leven en dood van alle overigen beschikken, in hunne macht is. Ja, diezelfde dichter heeft in het elfde boek van de Ilias de uitoefening van dit beroep door verreweg de schoonste lofspraak verheerlijkt, waar hij zegt, dat één arts meer waard is dan vele andere menschen tezamen. Elders wederom noemt hij den geneesheer iemand, die in alles onderricht is, hiermede openlijk getuigende, wat ook werkelijk het geval is, dat de geneeskunde niet berust op de eene of andere wetenschap, maar op den geheelen kring van alle wetenschappen en niet alleen op theoretische kennis maar ook op practische ervaring in vele zaken. De beroemde Pythagoras van Samos, wien de oudheid een zekere mate van goddelijkheid toekende, heeft, naar wij vermeld vinden, een bekend boek over den aard der kruiden achtergelaten. Nu wil ik Plato, Aristoteles, Theophrastus, Chrysippus, Cato den Ouden en Varro maar met stilzwijgen voorbijgaan, die allen deze wetenschap ijverig bestudeerd of ook practisch beoefend hebben, doch ik zal slechts spreken over Mithridates, koning van Pontus, die niet zoozeer door zijn, overigens zeer machtige, heerschappij of door zijn wonderbaarlijke kennis van één en twintig talen als wel door zijn geneeskundige bekwaamheid beroemd is geworden, welke hem tot een waarlijk groot man stempelde, daar medische verhandelingen, voorbeelden en beschrijvingen van de werking van verschillende kruiden, naar Plinius ons meedeelt, in zijn geheime nalatenschap gevonden zijn. Nog heden ten dage draagt een bekend tegengift zijn naam. Tegenwoordig beschouwt men algemeen als koninklijke eigenschappen: spelen, jagen en zich met beuzelingen ophouden. Maar oudtijds legden zich de bestuurders van het Romeinsche rijk op niets zoozeer toe als op de bevordering der geneeskunde door het invoeren van kruiden uit ver verwijderde streken, en dit volk, dat toen de wereld beheerschte, was geen geschenk aangenamer.
Ja, Christus zelf, de grondlegger en vorst van alle wetenschappen, geeft zich niet uit voor rechtsgeleerde, noch voor rhetor, noch voor wijsgeer, maar voor geneesheer, daar Hij, van Zichzelf sprekende, zegt, dat "zij geenen medicijnmeester van noode hebben, die zich wel bevinden", terwijl Hij den Samaritaan olie en wijn op wonden laat gieten en met speeksel, met aarde vermengd, de oogen van een blinde bestrijkt. Juist door dit middel won Hij langzamerhand, toen Hij nog aan de wereld onbekend was, de genegenheid en de liefde der menschen; niet door goud, noch door heerschappij, maar door het genezen van ziekten. Wat Hij door Zijnen wil deed, immers een God, volgt de geneesheer naar vermogen na. Bovendien bezitten ook zij eene goddelijke macht, namelijk die van genezing aan te brengen door middel van krachten, die tot dit doel door God den dingen ingeschapen zijn. In hoofdzaak bestond ook daarin het reisgeld, waarmede Hij de apostelen voorzag, hun opdragend, terstond door dezen liefdedienst hunne gastheeren aan zich te verplichten "door", zoo luiden Zijne woorden, "hunne ziekten te genezen en hen met olie te zalven". Als de groote Paulus zijnen Timotheus een matig gebruik van wijn voorschrijft, om zijn zwakke maag te versterken, is dat geen openlijke uitoefening van de geneeskunde? Maar waarom zouden wij ons daarover verwonderen bij een apostel, als volgens de beoefenaars der mystiek de engel Raphael zijn naam ontleend heeft aan het genezen van de blindheid van Tobias?[4] O hemelsche en in waarheid gewijde wetenschap, naar welke goddelijke geesten genoemd worden!
[Voetnoot 4: De Hebreeuwsche naam Raphael bestaat uit twee woorden, waarvan het eerste rapha, "genezen" en het tweede el, "goddelijk wezen" beteekent. (Vert.)]
De eene mensen leert dit, de ander dat vak of oefent het uit; deze wetenschap diende door allen gekend te worden, daar zij voor ieder onmisbaar is. Maar ach! allerverkeerdst oordeel der stervelingen!
Er is niemand, die het niet vreeselijk zou vinden, als hij geen valsche van echte munt kon onderscheiden, terwijl hij in dit geval toch slechts in iets zeer minderwaardigs zou kunnen bedrogen worden; hij streeft er echter niet naar, te weten te komen, hoe hij het beste, wat hij heeft, kan beschermen. Bij het beoordeelen van geldstukken vertrouwt hij anderer oogen niet, doch waar het om leven en gezondheid gaat, volgt hij, zooals men dat noemt, blindelings het oordeel van anderen. En ofschoon nu de volmaakte kennis van die geheele wetenschap slechts aan de weinigen kan ten deel vallen, die daaraan alleen hun geheele leven gewijd hebben, zoo behoorde toch ten minste dat gedeelte, hetwelk over het behoud der gezondheid handelt, door iedereen gekend te worden. Hoewel het niet te ontkennen valt, dat de moeielijkheid hierbij voor een groot deel voortspruit, niet uit de kunst zelve maar uit de onwetendheid of eerzucht van slechte geneesheeren.
Te allen tijde, zelfs bij wilde en barbaarsche volken, werd de vriendschap voor iets verhevens en eerbiedwaardigs gehouden. En diegene wordt als een uitstekend vriend beschouwd, die evenmin in tegen- als in voorspoed zijn vrienden in den steek laat, terwijl het gros der vrienden in gelukkige omstandigheden trouw blijft, in ongelukkige verdwijnt, evenals de zwaluwen gedurende den zomer in het land zijn, maar bij het invallen van den winter wegvliegen. Een hoe oprechter vriend is echter niet de geneesheer. Evenals de "Seleucides" genaamde vogels, naar verhaald wordt, door de bewoners van het Casische gebergte nooit anders gezien worden, dan wanneer zij hunne hulp noodig hebben tegen de zwermen van sprinkhanen, die hun gewassen vernielen, zoo vertoont ook hij zich nooit in normale en gelukkige omstandigheden, maar in tijden van gevaar, in die gevallen, waarin vrouw en kinderen dikwijls den man verlaten, bij voorbeeld bij waanzin, luizenziekte of pest, staat hij alleen hem voortdurend bij, en niet alleen, zooals de meeste anderen, met onnuttige diensten, maar als redder, om het leven van den in gevaar verkeerende met de ziekte kampend, soms ook met gevaar voor zijn eigen leven. Zijn zij dan niet meer dan ondankbaar, die, door de dienstvaardigheid van zulk een vriend gered, al aanstonds nadat het gevaar geweken is, den geneesheer kunnen haten en hem niet veeleer als een vader vereeren en hoogachten? Een alledaagsch vriend, die hen van tijd tot tijd bij een toevallige ontmoeting groet, noodigen zij ter maaltijd, hem, die hen wel eens vergezelt, overladen zij met hoffelijkheid, maar een zoodanig vriend wordt, zoodra zij hem niet meer noodig hebben, versmaad? Terwijl deze afkeer eigenlijk juist daaruit voortspruit, dat zij inzien, dat geen belooning ooit groot genoeg kan zijn, om tegen hun diensten op te wegen.
Daar hij de voortreffelijkste genoemd kan worden, die den staat het meest ten nutte is, zoo moest deze wetenschap eigenlijk door alle uitstekende mannen geleerd worden.
[5][Het is immers niet de geringste, en misschien wel de voornaamste, plicht der wereldlijke overheid te zorgen, dat de burgers gezond zijn. Wat baat het, den vijand van de muren verdreven te hebben, wanneer de daarbinnen heerschende epidemie meer personen wegmaait dan het zwaard der vijanden zou gedood hebben? Wat geeft het, er voor te zorgen, dat niemand zijn vermogen verliest, als de gezondheid des lichaams gesloopt wordt? De ouden, die een rangorde der goederen hebben vastgesteld, plaatsten bovenaan op de lijst een goede gezondheid. Want wat nut is het, dat het bezit in ongeschonden staat verkeert, als de bezitter niet wel is? Daarom lette de wetgeving bij de ouden, toen heb- en eerzucht nog niet alles bedorven hadden, vooral daarop, dat de lichamen der burgers gezond, krachtig en evenredig ontwikkeld waren. Dit hangt deels af van de aangeboren lichaamsgesteldheid, deels van de opvoeding, lichaamsoefeningen, voedingswijze en ook eenigszins van de inrichting der woningen. De taak van den geneesheer vervulden de wetgevers, die slechts goed gebouwde personen met elkander lieten huwen, die eischten, dat men alleen volkomen gezonde minnen in dienst nam, die openbare baden en turnplaatsen instelden, wetten tegen de weelde maakten, door het doen verbouwen van huizen en het droogleggen van moerassen, epidemieën voorkwamen en er voor waakten, dat geen spijzen of dranken, die voor de gezondheid gevaar opleverden, verkocht werden. Maar heden ten dage meenen de vorsten, dat zij er niet mee te maken hebben, of voor wijnen vergiften verkocht worden, of er door aangestoken graan of bedorven visch zoovele ziekten onder het volk verspreid worden.
Er is letterlijk geen deel van het leven, dat zonder de hulp der geneeskunde behoorlijk kan geregeld worden.]
[Voetnoot 5: De woorden, die nu volgen en tusschen haakjes [] geplaatst zijn, komen niet voor in de uitgave van Frobenius Bazel 1518, noch in die van Mich. Hillenius (Antwerpen 1523), noch ook in die van Joannes Petrejus (Neurenberg 1525), maar wel in de eerste gezamenlijke uitgave van Erasmus' werken van Beatus Rhenanus (Bazel 1540) en in de beste gezamenlijke uitgave van Joannes Clericus (Leiden 1703). (Vert.)]
Indien er eindelijk menschen zijn, die de waarde der dingen liever afmeten naar het voordeel en de winst, die zij opleveren, dan zullen zij bevinden, dat ook in dit opzicht de geneeskunde, ofschoon te verheven om naar dergelijke overwegingen beoordeeld te worden, bij geen der andere wetenschappen ten achter staat. Want geen andere was ooit meer winstgevend en stelde hare beoefenaars zoo snel in staat, zich een vermogen te verwerven. Wij lezen, dat Erasistratus, dien ik reeds vroeger vermeld heb, door koning Ptolemeus, en Critobolus door Alexander den Grooten met buitengewone, nauwelijks te gelooven belooningen begiftigd zijn. Doch welke belooning is dan ten slotte niet gering te noemen, betaald aan den redder van een leven, voor welks behoud zooveel duizenden soldaten voortdurend streden? Waartoe nog te noemen de Cassii, Carpitani, Aruncii en Albutii, van wie Plinius vertelt, dat zij te Rome zoowel aan het keizerlijk hof als onder de burgers ontzaglijk veel geld verdienden? Doch waarom behoeven wij nog die voorbeelden uit het grijze verleden weder op te halen, alsof niet ieder uit zijn eigen tijd verscheidenen voor den geest staan, die door dit beroep ware Croesussen zijn geworden.
Van de rhetoriek en de dichtkunst kan slechts hij leven, die er in uitmunt. Een musicus, die het niet tot een groote hoogte in zijn kunst gebracht heeft, lijdt honger. Een rechtsgeleerde heeft maar een mager inkomen, als hij niet voortreffelijk is. Slechts de geneeskunde onderhoudt en beschermt haren beoefenaar, hoe weinig bedreven hij er ook in moge zijn. De medische wetenschap berust wel is waar op ontelbare kundigheden en de kennis van een oneindig aantal zaken; toch helpt dikwijls één enkel geneesmiddel een stumper in het vak aan den kost. Het is er dus verre vandaan, dat dit beroep als onwinstgevend kan veroordeeld worden.
Daar komt nog bij, dat met de overige beroepen niet overal geld te verdienen is. Een rhetor zal een koele ontvangst vinden bij de Sarmaten, een kenner van het keizerlijk recht bij de Britten. De medicus is overal, waar ter wereld hij zich ook heen begeve, vergezeld door zijn waardigheid en van reisgeld voorzien, zoodat op geen beroep meer van toepassing is het alom bekende Grieksche spreekwoord: "de geheele aarde voedt het ambacht."
Maar juist daarover spreekt Plinius (ik weet niet zeker of hij hier zelf aan het woord is of de meening van anderen weergeeft) zijn verontwaardiging uit, dat het uitoefenen der geneeskunde een broodwinning is. Ik stem toe, dat deze wetenschap te hoog staat, om tot kostwinning te dienen of tot middel om zich te verrijken. Dit hoort thuis bij de alledaagsche beroepen. Maar het ware al te ondankbaar, haar alleen van den haar toekomenden dank te berooven, aan welke nooit genoeg dank vergolden kan worden. Een uitstekend geneesheer helpt als een god kosteloos, desnoods tegen den wil van den patiënt. Maar het is goddeloosheid, voor de weldaad van een god niet erkentelijk te zijn. Hij geeft wel niet om loon, maar gij behoort volgens de wet gestraft te worden wegens uw buitengewone ondankbaarheid, als gij het hem niet voldoet.
Het is mij volstrekt niet onbekend, dat deze uitmuntende wetenschap zoowel voorheen bij de ouden in een kwaden roep stond, als ook tegenwoordig door sommige onwetende lieden gehoond wordt. Cato beviel de geneeskunde niet, niet omdat hij haar op zich zelve veroordeelde, maar omdat een onvervalscht Romein als hij de aanmatigende wijze, waarop de Grieken haar in zijn dagen uitoefenden, niet kon verdragen. Hij kende aan de ervaring op dat gebied zulk een hooge waarde toe, dat hij der geneeskunde den naam van wetenschap ontzegde. Dat kan ons van hem te minder verwonderen, daar hij het ook was, die in den Romeinschen senaat het voorstel deed, de geheele Grieksche philosophie uit Rome te verbannen. De stoere man meende, dat tot zuivering van het menschelijk lichaam kool en menigvuldige brakingen voldoende waren. En toch lezen wij van dien vijand der artsen, dat hij door inachtneming der medische voorschriften tot het einde van zijn lang leven zijn krachten onverzwakt behouden heeft.
Alleen de geneesheeren, zegt men, hebben het onbeperkte recht van straffeloos te dooden. Maar juist uit dien hoofde moeten goede geneesheeren geëerd worden, daar zij, terwijl het hun vrijstaat, niet alleen ongestraft maar zelfs tegen belooning te dooden, toch liever de menschen willen redden. Dat zij kunnen dooden, bewijst hun groote macht, dat zij het niet willen, getuigt voor hun rechtschapenheid. Tot vervelens toe hoort men overal in dronken gezelschappen het spreekwoord: "wie medisch leeft, leeft ellendig". Alsof het een groot geluk is, door een wijnroes geradbraakt te worden, zich uit te putten door ontucht, op te zwellen van onmatig biergebruik of ten gevolge van uitspattingen door den slaap overmand te worden. Wat behoeven wij nog deze lasteraars met woorden te bestrijden, die zelf door het verzaken van de voorschriften der geneeskunde voldoende gestraft worden, daar zij weldra door podagra worden gekweld, door verlamming getroffen, vroegtijdig het verstand verliezen, vóór den ouderdom zwak van gezicht worden en dan eindelijk, maar te laat, in hunne ellende op de wijze van Stesichorus hunnen laster herroepen[6]. En toch maakt die goede wetenschap geen bezwaar ook dezen, ofschoon zij het volstrekt niet waard zijn, zooveel mogelijk te helpen. Sommigen noemen, met een scheldwoord aan de oude comedie ontleend, de geneesheeren "dreketers". Verdienen zij dan niet juist daarom geprezen te worden, dat zij, om de wonden der menschheid te heelen, zich verwaardigen, uit hun verheven sfeer tot het vuil af te dalen? Als de hoogmoed van de geneeskundigen eens zoo groot was als de onbeschoftheid, waarmee die lieden hen vervolgen, dan zouden zij, zoo maar straffeloos, de menschen kunnen laten omkomen. Doch ons beroep heeft dit met goede vorsten gemeen, dat het goed handelt, maar een slechten naam heeft.