# Opuscula Selecta Neerlandicorum Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde

## Part 32

Book page: https://www.cyberlibrary.org/la/books/opuscula-selecta-neerlandicorum-nederlandsch-tijdschrift-voor-g-6f51527a/index.md

De eeuwigdurende herinnering aan uw mildheid jegens mij zal, in mijn geest gegrift, maken, dat ik alles in het werk zal stellen, opdat ik die niet algeheel onwaardig schijne. Door vlijt zal ik mijn krachten goedmaken, mijn talent door gestadige toewijding, door onvermoeiden arbeid mijn jeugd, met mijn geest ten slotte zal ik mijn lichaam schragen en alle kracht, die in beide is, zal ik geheel eenig en alleen aan het bevorderen der belangen van de Akademie wijden.

Sic, spero, fiet, ut beneficii, a Vobis apud me collocati, Vos non poeniteat, nec me pudeat accepti. Quod agentem juvet bonorum omnium scaturigo inexhausta, Deus! A quo et Vobis, ILLUSTRISSIMI ACADEMIAE PROCERES, perpetuam salutis omnigenae et felicitatis intaminatae abundantiam, toto ex animo, apprecor.

Zoo zal het, hoop ik, geschieden, dat het noch u berouwt mij dien weldaad te hebben bewezen, noch ik mij schaam haar te hebben aangenomen. Moge daarbij God helpen, de onuitputtelijke bron van al het goede. Van Hem bid ik ook u, zeer doorluchte leidslieden der Akademie, een bestendigen overvloed aan alle mogelijke heil en onbevlekt geluk van ganscher harte toe.

Ad vos me converto, CELEBERRIMI PROFESSORES! Vos alloquor, Clarissima hujus Academiae Lumina! Miramini enim, dubio procul, juvenem, plurimis Vestrum incognitum, nonnulis autem, sexennio vix elapso, inter discipulos numeratum, eo procedere temeritatis, haec ut conscendat subsellia, Vestris sacra doctissimis vocibus, Vestris oraculis. At temeritatem ne putate, quae justa tantum aemulatio est, studiorum commodis inservitura.

Tot u wend ik mij, zeer beroemde hoogleeraren, u spreek ik toe, schitterende lichten dezer Akademie! Gij verbaast u toch zonder twijfel, dat een jongeling, den meesten van u onbekend, die voorts van sommigen ternauwernood zes jaar geleden de leerling was, zulk een trap van driestheid heeft bereikt, dat hij dezen zetel bestijgt, die aan uw zeer geleerde stemmen is gewijd, aan uw orakelspreuken. Maar wilt niet voor driestheid houden, wat slechts een geoorloofde wedijver is, welke den studiebelangen ten goede zal komen.

Quid quisque possit, nisi tentando, non didicit. Probabitis itaque ausum huncce meum, meimet ipsius notitiam mihi exhibiturum, nec sane a fastu, a quo merito sum alienissimus, sed a latente in praecordiis honestae gloriae igniculo profectum. Juvat magnorum Virorum ad exempla componi. Vos igitur praeeuntes, a tergo conspicabor, et, dum nunquam dabitur assequi, saltem ex intervallo sequar.

Niemand leert kennen, wat hij vermag, indien hij niet de proef neemt. Gij zult derhalve deze onderneming van mij goedkeuren, die mij de kennis van mijzelf zal verschaffen, en die waarlijk niet haar oorsprong heeft in hooghartigheid, waar ik terecht zeer ver van verwijderd ben, maar in de in mijn hart verborgen vlam van betamelijke roemzucht. Het is mij een genot tegenover de voorbeelden van groote mannen geplaatst te worden. U derhalve zal ik, zooals gij voor mij uitgaat, van achteren aanschouwen, en, terwijl het mij nooit zal gegeven worden u in te halen, zal ik u tenminste met een tusschenruimte volgen.

Quo ipso Vestram non praepediens viam, certa tamen reperero vestigia, quae gressus dirigent meos, nec aberrare sinent. Hujus interim beneficii ea erit apud me vis, ut omni vos honoris et observantiae cultu, pro ea, qua estis, dignitate, venerabundus suspiciam.

Daardoor juist zal ik zonder uw weg te versperren toch zekere voetsporen vinden, die mijn schreden zullen leiden en zullen beletten af te dwalen. Intusschen zal die weldaad zulk een invloed op mij behouden, dat ik u alle mogelijke eer bewijzend en hoogachting betoonend, waarop de verdiensten, die gij hebt, u recht geven, met eerbied tegen u zal blijven opzien.

Vobis praesertim, qui Philosophiae et Medicinae sacra, tanto cum omnium applausu, panditis, VIRI FAMIGERATISSIMI! Vobis, dum et publica me et privata voce formavistis, omnibus et singulis, jubente ita pietate Praeceptoribus debita, sigulari ut reverentia totum me in aeternum devoveam, pertinax faciet acceptorum memoria.

Aan u vooral, die de heiligdommen der Wijsbegeerte en der Geneeskunde onder zulk een algemeene toejuiching ontsluit, zeer beroemde mannen, dat ik aan u, zoowel aan allen als aan ieder afzonderlijk, daar gij mij zoowel door uw openbaar als door uw particulier onderricht hebt gevormd, met bijzonderen eerbied mij geheel voor altijd wijd, zooals de dankbaarheid den leermeesters verschuldigd dat vereischt, daarvoor zal de voortdurende herinnering aan het ontvangene zorgen.

Est hinc, cur Tibi, VIR ACUTISSIME, PERSPICACISSIME 'S GRAVESANDE! publicas hic nunc persolvam grates, quod et privato me labore inconcussis Mathematicae Tuae Philosophiae praeceptis imbuere non sis dedignatus.

Zoo komt het ook, dat ik u, zeer vernuftige en scherpzinnige 's GRAVESANDE, hier nu openlijk den u toekomenden dank breng, omdat gij het niet beneden u hebt geacht mij ook particulier in de vaste regels uwer wiskundige Wijsbegeerte in te wijden.

Tu quoque, ANATOMICORUM DEXTERRIME, SUBTILISSIME ALBINE! Qui, pari opera, necessariam adeo fabricae humani corporis cognitionem per aures mihi et oculos infudisti solertissime, animum Tibi meum longe obstrictissimum nunquam non comperies.

Ook gij, handigste der anatomen, zeer scherpzinnige ALBINUS, die mij met gelijke moeite de absoluut noodzakelijke kennis van den bouw van het menschelijk lichaam met de grootste bekwaamheid door ooren en oogen hebt bijgebracht, steeds zult gij bevinden, dat mijn hart u in de hoogste mate erkentelijk is.

Te vero, CELEBERRIME BOERHAVI! Te cumprimis ni sigillatim hic compellem, mortalium ingratissimus jure habebor: si quid enim est in me ingenii, si qua artis Medicae peritia, si qua in Chemicis exercitatio, Tibi ego id omne soli debeo. Tres alias frequentaveram Tyro Academias, antequam prospera huc advectus fortuna, Tuo ab ore pependerim.

U echter, zeer beroemde BOERHAAVE, als ik u hier niet in de eerste plaats afzonderlijk toespreek, zal men mij terecht voor den ondankbaarsten der stervelingen houden. Indien ik namelijk eenig talent bezit, eenige bedrevenheid in de Geneeskunde, eenige oefening in de Scheikunde, dan ben ik dat alles u alleen verschuldigd. Drie andere Akademies had ik als nieuweling bezocht, voordat ik door een gelukkige lotsbestiering hier aangekomen, aan uw lippen heb gehangen.

Solam Te penes addiscere praxim animus erat, studiisque meis Academicis imponere coronidem: sed vixdum primis gustaveram labiis defoecatissimae Tuae doctrinae nectar, cum summa ejus dulcedo me mox tantopere rapuit, ut quidquid vel publicis vel privatis in lectionibus, ad quamcunque pertinens Medicinae partem, mellifluo ab ore Tuo prodiit, haurire sategerim avidissimus.

Ik was voornemens alleen de praktijk bij u te leeren en mijn Akademische studiën te besluiten. Maar nauwelijks had ik nog met den rand mijner lippen de nectar van uw kristalhelder onderricht geproefd, of de buitengewoon lieflijke smaak daarvan heeft mij dra zoozeer verleid, dat ik voldoende werk had om alwat hetzij in openbare hetzij in besloten voorlezingen als honig uit uw mond te voorschijn vloeide, op welk deel der Geneeskunde het ook betrekking had, met de grootste graagte in te drinken.

Dolens nimirum vidi, fore per temporis mihi relicti angustiam, ut ablactarer citius, quam satiatus a Te recederem. Sive itaque vernam dici speciem, amabilissimis horti divitiis mira suavitate exponendis, dicares, jucundo Botanices studio discipulorum animos tanto redditurus alacriores ad laborum magis arduorum tolerantiam; seu inter furnos desudans, ad secretissimos Chemiae recessus viam monstrares, certo castigatissimae methodi filo tutissimam pariter ac facillimam;

Tot mijn smart zag ik namelijk dat ik wegens de kortheid van den mij nog overgebleven tijd eerder zou gespeend worden, dan ik verzadigd van u heen zou gaan! Hetzij gij derhalve een schoonen lentedag besteeddet aan het verklaren der lieflijke rijkdommen van den Hortus op een bewonderenswaardig aantrekkelijke wijze, om zoo door de aangename studie der Botanie uw leerlingen des te meer lust in te boezemen om zich moeilijker arbeid te getroosten, hetzij gij in het zweet uws aanschijns tusschen de fornuizen tot de meest afgelegen schuilhoeken der Scheikunde den weg weest, die door den zekeren leiddraad van uw zoo eenvoudige methode even veilig als gemakkelijk was;

seu exacta ad normam Mathematicam stabilires Theoriae Medicae fundamenta, quibus mox inaedificares immota Praxeos dogmata, medendi methodum felicissimum; Te ego secutus undique, illam potissimum diei partem optime a me collocatam credidi, quam Tibi consecraveram. Totum ergo Tuum est, si quid isthac mea industria profeci: Tu ejus omnem fructum, jure Tuo, a me repetis: quod dum gratus agnosco, poterat id solum Tibi me mille modis in aeternum devincire.

hetzij gij de grondslagen der theorie der Geneeskunde volgens den wiskundigen regel vaststeldet om weldra de onomstootelijke dogma's der praktijk, de meest vruchtbare geneesmethode daarop te bouwen, u volgde ik overal en meende, dat vooral dat deel van den dag het best door mij was besteed, dat ik aan u had gewijd. Het is derhalve geheel uw verdienste, indien ik met dien ijver van mij iets heb tot stand gebracht. Gij moogt op alle vruchten daarvan met volle recht aanspraak maken en, daar ik dit dankbaar erken, zou dit alleen mij reeds op duizenderlei wijze voor eeuwig aan u hebben kunnen verplichten.

Tu vero, VIR MAXIME! cujus immensa eruditione non minor est singularis humanitas, hocce beneficium majore alio cumulasti: dum eo quoque tempore, quo post exactum vitae Academicae curriculum vel exteras visurus regiones, peregre profectus eram; vel praxeos exercendae gratia, in aliis hujus Belgii urbibus morabar; quoties aut literis, aut praesenti Te colloquio solicitavi audax, miro semper favore mihi vacare, et saluberrima suppeditare consilia non es dedignatus.

Maar gij, o groote man, van wien de bijzondere minzaamheid de onmetelijke geleerdheid evenaart, hebt op dien weldaad nog een anderen grooteren laten volgen, daar gij ook in dien tijd, dat ik, na mijn Akademischen loopbaan volbracht te hebben, hetzij naar het buitenland was vertrokken om vreemde landen te bezoeken, hetzij tot het uitoefenen der praktijk in andere steden hier in de Nederlanden vertoefde, het niet beneden uw waardigheid hebt geacht, zoo dikwijls als ik zoo vermetel was hetzij per brief hetzij persoonlijk in een onderhoud uw hulp in te roepen, steeds met een verbazende goedgunstigheid u ter mijner beschikking te stellen en mij de heilzaamste raadgevingen te schenken.

Imo ne hic quidem substitit summa Tua in me benevolentia: nam Tibi etiam debeo, quo nunc impertior, laboris mei praemium. Tu, quod benignum adeo apud Proceres de me judicium tuleris, effecisti, ut huic admotus muneri, hoc sim honore ornatus.

Ja zelfs daar bleef uw overgroote welwillendheid jegens mij niet staan. Want aan u ben ik ook de belooning van mijn moeite verschuldigd, die thans mijn deel wordt. Gij hebt bewerkt, doordat gij zulk een welwillend oordeel tegenover de leidslieden over mij hebt geveld, dat ik tot dit ambt ben geroepen, die eervolle onderscheiding heb genoten.

Dum igitur pluribus Tibi obstringor nominibus, quam quibus unquam dissolvendis ulla me aetas parem faciet, accipe gratissimam horumce agnitionem, et sempiternum, quam publice hic nunc tanquam in tabella suspendo, memoriam in qualiscunque locum Charisterii; et certus crede, omnibus me nervis eo adnisurum, Tibi ut monstrem, quam procul absim ab ingrati animi crimine! Plura adjicere Tua vetat modestia, meusque pudor.

Daar ik dus te veel verplichting jegens u heb, dan dat ooit eenige tijd het mij mogelijk zal maken mij er van te kwijten, aanvaard daarom de erkenning daarvan, getuigend van de diepste dankbaarheid, en de onvergankelijke herinnering daaraan, die ik hier nu openlijk als in een gedenktafel gegrift ophang, in plaats van elk dankoffer, en wees ervan overtuigd, dat ik met al mijn krachten mij hiertoe zal inspannen, dat ik u toone hoever ik de beschuldiging van ondankbaarheid van mij kan werpen. Meer hieraan toe te voegen verbiedt mij uw bescheidenheid en mijn schaamtegevoel.

Antequam tamen Te dimittam, jubet nota mihi mearum tenuitas virium, et operis, quod suscipio, difficultas, Te ut enixe obtester, velis eodem, quo me huic admovisti, favore, id aggressurum sublevare, et Tuis, quoties imploravero, sapientissimis mihi consiliis adesse. Tibi, at quanto Viro! succedo:

Voordat ik echter u verlaat, noopt mij de mij bekende zwakheid mijner krachten en de moeilijkheid van het werk, dat ik op mij neem, dat ik u dringend bezweer, dat gij met dezelfde gunst, waarmee gij mij tot dit werk hebt geroepen, mij wilt steunen, nu ik op het punt sta het te aanvaarden en, zoo dikwijls als ik er u om bid, met uw wijze raadgevingen mij ter zijde staan. U en welk een man, volg ik op.

Tu viae, quam toties trivisti, peritissimus, nisi praeiveris, omnem despondeo animum: manu igitur me prehende juvenem, haud aequis passibus Te secuturum; dumque, quo Tua Te divino ingenio sociata decumana industria provexit in arte, eo eniti insanientis est, id saltem fac ut laudis consequar, Tuis quod vestigiis reptabundus quidem, at non indecorus tamen, inhaeream.

Als gij met uw groote ervaring omtrent den weg, dien gij zoo vele malen hebt afgelegd, mij niet voorgaat, laat ik allen moed zinken. Vat mij, jongen man, dus bij de hand, hoewel ik u niet met gelijke schreden zal kunnen volgen en wil maken, dat, terwijl het krankzinnig zou zijn te trachten die hoogte te bereiken, waartoe u uw geweldige ijver gepaard aan een goddelijk talent in de wetenschap heeft gebracht, ik tenminste die lof mij verwerf, dat ik uw voetstappen blijf drukken, wel is waar kruipend vorderend maar toch niet geheel roemloos.

Vos denique, PRAESTANTISSIMI JUVENES! Vos, sacrata Philosophiae et Medicinae Pectora, alloquor! Vestris enim usibus totam se dedicat Chemia; vestris arctissime copulata studiis haeret. Si quo igitur ejus amore capti, doluistis, aliquo illam tempore siluisse, erigite nunc animos! Patet rursum officina: ardebunt furni: accedite, et mecum ad hos desudate!

U, tenslotte, voortreffelijke jongelieden, u, die u met hart en ziel aan de Wijsbegeerte en Geneeskunde wijdt, spreek ik toe. Immers de Scheikunde stelt zich geheel en al in dienst van uw belangen, met uw studiën is zij ten nauwste saamgekoppeld en onafscheidelijk verbonden. Indien gij dus soms in liefde voor haar ontstoken, het betreurd hebt, dat zij eenigen tijd gezwegen heeft, weest dan nu weder goedsmoeds. Wederom is de werkplaats geopend, de fornuizen zullen branden: komt, en werkt daarbij met mij samen in het zweet uws aanschijns.

Suprahumano labore, sedulitate indefessa, sexcentis periculis, viam ante difficillimam expedivit Chemicorum Summus BOERHAVIUS, et, quo ipse usus est filo probatissimo, idem bona nobis fide porrigit: hujus ergo tenaces, Illum sequamur ducem, tuti et felices in artis adyta penetraturi.

Door bovenmenschelijken arbeid, door onvermoeide werkzaamheid, onder duizend gevaren heeft BOERHAAVE, de opperste der scheikundigen, den vroeger zoo moeilijken weg begaanbaar gemaakt en diezelfde beproefde methode, waarvan hij zichzelf bediend heeft, geeft hij naar zijn beste weten ons in handen. Laten wij dus daaraan vasthoudend hem als leidsman volgen om zoo in veiligheid en met succes in de heiligdommen der wetenschap binnen te dringen.

Vobis ego me offero comitem, et, si placet, adhortatorem. Si quid in me est virium, officii, aut consilii, utamini eo pro lubitu; Vobis id omne dico: Vestris enim prodesse studiis, ea demum est votorum mihi summa, is laborum finis erit unicus.

Aan u bied ik mijzelf als begeleider aan en, indien gij dat wilt, als raadgever. Indien ik over eenige krachten, dienstvaardigheid of verstand kan beschikken, gebruikt die dan, zooals gij verkiest. Aan u wijd ik dit alles toe. Want uw studiën te bevorderen, dat is vooral het toppunt mijner wenschen, dat is het eenige doel mijner moeiten.

DIXI.

IK HEB GEZEGD.

[Errata:

JOHANNI TRIP ... civitatis Amstelaedamensis senatori _text reads "senatorl"_

utilissimam pariter ac maxime necessariam præstat operam _text reads "utillissimam"_

qua lethalem nonnullorum corporum ferociam _text reads "nonnulorum"_

tuti et felices in artis adyta penetraturi _text reads "penetraruri"_]

* * * * * * * * * * * * * *

DE HARMONIE

van het

DIERLIJKE LEVEN

de openbaring van wetten.

Inwijdingsrede, bij het Aanvaarden van het Hoogleeraarsambt aan de Utrechtsche Hoogeschool

door

Dr. F. C. DONDERS.

Uitgesproken 28 Januarij 1848.

VOORBERICHT.

Wij lezen bij den voortreffelijken Henle, dat, in de physiologie en vooral in de pathologie van het dierlijke leven, de teleologische beschouwingswijze (vragende naar het doel der verschijnselen) zich nog bijna overal krachtig doet gelden--en wie geen vreemdeling is in deze wetenschappen, staat gereed, die uitspraak te beamen.

Immers niet enkel worden de verschijnselen hier met het praedicaat van _doelmatig_ bestempeld: teleologische betoogen ook vindt men als bewijsgronden in het midden gebragt en erkend, ja! in plaats van de _op te sporen oorzaak_, wordt het _onderstelde doel_ tot "_verklaring_" der verschijnselen ingeroepen. Of ziet men niet, zelfs door sommige Coryphaeën in de wetenschap, eene teleologische levenskracht, eene heelkracht der natuur, aan duizenden, _van de meest verschillende oorsaken afhankelijke_, verschijnselen _ten gronde gelegd_?

Reeds vroeger (Gids 1846, bl. 893 e.v.) heb ik de teleologische beschouwingswijze--als ontbloot van absoluten grond, en hierom willekeurig en onwetenschappelijk--met een enkel woord bestreden. Het onderwerp evenwel scheen mij gewigtig genoeg voor eene meer uitvoerige behandeling, en, om deszelfs algemeene strekking, tevens bijzonder geschikt voor eene openlijke rede.

Ik stelde mij hierom voor, hetzelve, bij gelegenheid der aanvaarding van het hoogleeraarsambt, nader te behandelen,--en vooreerst te betoogen, dat, wanneer wij het doel in de verschijnselen der natuur ook geenszins loochenen, eene _leer_ van het doel nimmer _wetenschap_ worden kan, en derhalve op het natuurkundig gebied niet mag worden geduld;--ten anderen te doen zien, dat--waar, bij de prachtvolle en ingewikkelde harmonie van het dierlijke leven, de, als ware het, aangeboren neiging van den mensch tot anthropomorphismus het _doel_ als de _oorzaak_ ons wil opdringen--het opsporen der wetten van wording, naar de oorzakelijke methode, niettemin mogelijk blijft;--en eindelijk had ik willen aantoonen, hoe, schier in elke wetenschap der natuur, dwalingen en bekrompene beschouwingen uit de teleologische zienswijze zijn ontsproten, die ook thans nog, inzonderheid op het gebied der physiologie--bij name die van het ziekelijke leven, de verdere ontwikkeling belemmeren, en met het stellig karakter van wetenschap geenszins strooken.

Voor dit laatste gedeelte echter, waaruit het duidelijkst de noodzakelijkheid zou zijn voortgevloeid, om de teleologie van het natuurkundig terrein te weren, ontbrak mij ditmaal de tijd. Elders hoop ik dien later te vinden.

Mogen ook zij, wier meeningen en begrippen van de hier voorgedragene afwijken, deze bladeren zonder vooroordeel ter hand nemen, en verder ook niemand al te ligtvaardig het vonnis er over uitspreken!

DE SCHRIJVER.

Edelgrootachtbare heeren curatoren der Utrechtsche Hoogeschool!

Weledelgestrenge heer secretaris van het collegie der curatoren!

Hooggeleerde heeren, waarde ambtgenooten! en weledele zeer geleerde heeren lectoren!

Die met het bestuur van dit gewest of deze stad of met de handhaving des regts zijt belast, mannen reeds door stand en werkkring eerwaardig!

Weleerwaarde heeren, bedienaars van de Godsdienst!

Weledele zeer geleerde heeren doctoren der verschillende faculteiten!

Aanzienlijke schaar van jongelingen, die u aan de beoefening der wetenschappen toewijdt!

En voorts gij allen, die ons met uwe tegenwoordigheid vereert, zeer gewenschte toehoorders!

Werwaarts wij in de natuur onze oogen rigten, alom erkennen wij verband, schier overal orde en harmonie. Elk punt op het uitgestrekte veld is een deel van het groote organismus, een schakel der onafzienbare keten, die noch begin noch einde kent, en in wezen ondeelbaar is.

Zóó innig is de band, die al 't bestaande zamenvlecht!

Bewegen wij ons in de onmetelijke ruimte, waarin de verbeelding schier weigert onze woorden te volgen, daar treedt ons, tusschen duizenden van hemelbollen, het zonnestelsel als een geheel van orde en majesteit te gemoet, dat ons dwingt tot eerbiedige bewondering. Niet alleen zien wij de planeten door de zon, als door een hoogere magt, aan hare banen geketend; maar tevens weten wij, dat ook elke stoornis, van den wederkeerigen invloed der planeten afhankelijk, vereffend wordt, vóór zij de bestaande orde zou kunnen bedreigen.

De aarde, met hare duizenden van voortbrengselen, is volmaakt geëvenredigd aan de schitterende vorstin van het stelsel. Haar afstand van de zon beantwoordt aan de vereischte warmte voor eene krachtige ontwikkeling van planten en dieren, aan het vereischte licht, om de Natuur in haren vollen luister ten toon te spreiden, zonder door te hellen gloed onze oogen te verblinden.

De dampkring, die onze planeet omhult, vindt tot bodem _hier_ den vasten grond, welks bergtoppen zich als ondiepten verheffen in die zee van lucht, _daar_ den wijden oceaan, die de diepten der aardkorst vereffent; en elk dier elementen brengt al de voorwaarden mede voor de ontwikkeling en het leven van het heir van voorwerpen, die ze bewonen.

Voortdurend stijgt het water van de oppervlakte der zee in den dampkring op, en valt ginds, als vruchtbare regen, op den dorstenden grond. Dit water behoeven de planten. Maar zij putten ook uit denzelfden bodem de onbewerktuigde stoffen, niet regtstreeks door den regen aangevoerd;--en van de hooge bergen stort zich het water, rijk beladen met de bestanddeelen der verweerde rotsen, naar beneden, en drenkt hiermede het land, waardoor het kronkelend naar den oceaan terugvloeit.

Zoo is er zamenhang tusschen alle verschijnselen der natuur; zoo wordt ten slotte alles dienstbaar aan de ontwikkeling van leven.

Nergens evenwel is het verband treffender dan tusschen de beide rijken der levende natuur. Vereenigd door de dampkringslucht, waaruit beide putten en die in beide haar voedsel vindt, voorzien zij wederkeerig in elkanders behoeften. De dieren ontwikkelen het koolstofzuur, dat de planten als voedsel aan den dampkring ontleenen; de planten staan in de zuurstof de levenslucht af voor het dier,--en zóó is voor beide de dampkring een eeuwige, onuitputtelijke bron.

Nimmer is hij in rust. Van de oppervlakte der aarde, waar de lucht aan gestadige wisseling van bestanddeelen onderworpen is, stijgt zij naar boven, om op hetzelfde oogenblik te worden aangevuld; en door onophoudelijke stroomen wordt hare zamenstelling alom gelijkmatig bewaard, beantwoordt alom aan de voorwaarden tot leven en ontwikkeling van planten en dieren.

