Opuscula Selecta Neerlandicorum Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde

Part 31

Chapter 31 3,467 words Public domain Markdown

Uit de beide vorige onderdeelen der Geneeskunde wordt voor het grootste deel de leer der kenteekenen afgeleid. Derhalve komen ook haar de voordeden ten goede, die de Scheikunde aan gene bezorgt. Overvloed van voorbeelden zijn bij de hand: verschaft het bloed uit de ader gelaten niet een duidelijke aanwijzing omtrent den inwendigen toestand? Maar in den waren aard daarvan kan niemand een juist inzicht krijgen tenzij door een scheikundig onderzoek.

Latet vera Lactis nutricum natura, quem Chemia latet. At quanti est, exactum de hoc judicium fere posse! Dum toties miseris illud infantibus, veneni instar, infinitorum cruciatuum, mortisque fit causa, dulcem quod vitae fomiteae, sanitatem et incrementum debebat addere.

Hem blijft de ware natuur der voedstermelk verborgen, voor wien de Scheikunde iets verborgens is. Maar hoeveel is het waard, daarover een zuiver oordeel te kunnen vellen! daar dát zoo dikwijls voor de ongelukkige kinderen een vergif gelijk, de oorzaak is van oneindig veel folteringen en den dood, wat aan hun zorgvuldig gekoesterd leven juist de zoete gezondheid en wasdom had moeten geven.

Si solis Medicis Medicus nunc loquerer, plurima hic de Sputis, de Sudore, de Urinis et Alvi excrementis dicenda superessent, quae satius tamen est involvere silentio; ne his audiendis minus adsuetos prehendat nausea.

Als ik als geneeskundige nu alleen voor geneeskundigen sprak, zou hier zeer veel te zeggen overblijven betreffende sputum, zweet, verschillende soorten van urine en ontlasting, die het echter beter is in stilzwijgen te hullen, opdat niet hen, die minder gewoon zijn die dingen te hooren, een walging bevange.

Offerunt se denique posteriores duae Medicinae partes, Hygieine et Therapeutice; quae uti inter alias nobilissimae, propius jam fini accedunt Medico; ita in has prae reliquis benefica Chemia, quidquid fere utilis, quidquid habet boni, sincero adeo affectu, congessit, ut ne sic quidem satisfecisse sibi visa, majora viribus tentaverit, ipsos Naturae, ne dicam Artis limites vanis transgressa pollicitationibus.

Ten slotte vertoonen zich de laatste twee onderdeelen der Geneeskunde, de Hygiëne en de Therapie. Evenals deze, boven de andere in adel uitblinkend, al dichter naderen tot het door de Geneeskunde zich gestelde doel, zoo betoonde zich de Scheikunde jegens haar milddadiger dan jegens de overige en overlaadde haar met nagenoeg al het nuttige, al het goede, dat zij heeft, met zulk een oprechte toeneiging, dat zij zelfs op die manier zich zelf niet scheen te voldoen en dingen beproefde, die haar krachten te boven gingen, waarbij zij met ijdele beloften de grenzen zelf der Natuur, om niet te zeggen der wetenschap overschreed.

Ortum hic error ab artificum duxit ignorantia, qui miram videntes complurium suorum inventorum energiam, incitabantur eousque, finitae ut arti inesse crederent infinita. Hi igitur, quae commisere, sua ipsi delicta luant; nec debita ideo Chemiae laus denegetur, collata quam ad sanitatis tutelam, morborumque propulsionem opera meruit.

Deze dwaling is ontstaan uit de onwetendheid der kunstenaars, die ziende de wonderbare kracht van verscheidene van hun uitvindingen daardoor zóó in vuur geraakten, dat zij meenden, dat in hun begrensde kunst onbegrensde dingen besloten waren. Laten die dus zelf de misgrepen boeten, die zij begingen, en laat daarom niet aan de Scheikunde de haar verschuldigde lof ontzegd worden, dien zij door zich moeite te geven voor de bescherming der gezondheid en het verdrijven van ziekten verdiend heeft.

Quid enim? Nonne ejus artificio esculentorum et potulentorum, aquarum, Vinorum, Cerevisiarum natura, virtutes et vitia cognoscuntur optime? Nonne Thermarum illa, Acidularum, aliorumque fontium, vi Medicata insignium, elementa, compositionem et facultates tam liquido manifestat, ut vel imitetur, et naturalium defectum arte factis suppleat, haud minoris fere efficaciae?

Want wat is het geval? Leert men niet door haar kunst den aard, de goede en slechte eigenschappen van eet- en drinkwaren, van verschillende soorten water, wijn en bier uitstekend kennen? Openbaart zij niet de elementen, samenstelling en eigenschappen van warme, zuurhoudende en andere bronnen, beroemd om haar geneeskracht, zóó duidelijk, dat zij ze zelfs namaakt en het ontbreken van natuurlijke wateren vergoedt door kunstmatig vervaardigde, die bijna geen geringere uitwerking hebben?

Medicamentorum principia, vires, agendi modus, et quidnam in unoquoque id sit, cui maxima insidet potentia, perspicacissimum quemque, sine analysi Chemica, fugiunt. Quid nunc commemorem plurimas illas Mortalium aegritudines, quarum legitimam medendi methodum sola suggerit Chemia? Quid sexcenta enumerem selectissimae virtutis medicamina, quorum inventionis gloriam illa sibi vendicat?

De grondstoffen, krachten, de wijze van werken der geneesmiddelen en, wat toch wel in elk dat is, waarin de grootste macht schuilt, ontgaan den scherpzinnigste zonder scheikundige analyse. Waartoe zou ik nu melding maken van die veelvuldige kwalen der stervelingen, wier behoorlijke geneesmethode alleen de Scheikunde aan de hand doet? Waartoe zou ik de ontelbare geneesmiddelen van een uitgezochte voortreffelijkheid opsommen, welke uitgevonden te hebben zij zich beroemt?

Taceo benignissimam ejus operam, qua lethalem nonnullorum corporum ferociam, laudabili adeo eventu, cicuravit, e venenis ut remedia evaserint tutissima aeque ac efficacissima. Praetereo singularem ejus, in Medicamentorum viribus acuendis, extrahendis, in compendium reducendis, et sub alia et alia gratiori forma exhibendis, dexteritatem:

Ik zwijg nog van haar uiterst weldadige werkzaamheid, waarmee zij de vreeselijke, doodelijke kracht van sommige lichamen heeft weten onschadelijk te maken met zulk een lofwaardige uitkomst, dat zij van vergiften geneesmiddelen zijn geworden, waarvan de volkomen veiligheid de uitwerking evenaart. Ik ga voorbij haar bijzondere geschiktheid om de krachten der geneesmiddelen te verscherpen om ze te voorschijn te brengen, om ze te herleiden tot een beperkten omvang en om ze telkens weer onder een aangenamen vorm te doen verschijnen.

si enim singula, pro dignitate, nunc prosequi susciperem, dies dicentem deficeret. Videte, quae illustris Boylaeus, quae Bellinus, Bohnius, Stahlius, Hoffmannus, aliique laboribus suis Chemicis in Medicina praestitere: verum quid ad exteros provocare opus?

Want als ik op mij nam alles thans een voor een naar verdienste na te gaan, zou de dag voor mijn woorden te kort zijn. Ziet, wat de doorluchte BOYLE, wat BELLINI, BOHN, STAHL, HOFFMAN en anderen door hun scheikundige werken in de Geneeskunde hebben tot stand gebracht. Maar waartoe is het noodig een beroep te doen op buitenlanders?

Immortalia Vestrum omnium in manibus versantur scripta, nunquam periturae credidistis memoriae acta praestantissima Viri vere Magni, quem fortunato coram hic contuemur vivum O diu! sospitemque: volvite haec atque revolvite, dictorum testimonia inventuri omni exceptione majora.

Onsterfelijke geschriften bevinden zich in uw aller handen, onvergankelijk hebt gij in uw geheugen geprent de voortreffelijke daden van den waarlijk grooten man, dien wij gelukkig hier tegenwoordig in leven--o moge hij dat lang blijven!--en in welstand zien. Slaat deze geschriften telkens en telkens weer op en gij zult daarin getuigenissen van het gezegde vinden, die boven elke bedenking verheven zijn.

Ex hisce igitur constat affatim, quanti sint usus, quot probatissima inventa, quam innumera beneficia, quibus Chemia quascunque Medicinae partes cumulat largissime: patuit, quam amplam, quam necessariam ab hac mutuetur Philosophia experimentorum supellectilem. Nec quis jam porro inficiatur minime segregandam illam esse a numero Artium Academicarum, quae binis harum tam arcto vinculo cohaeret.

Hierdoor is dus met voldoende zekerheid bewezen, hoe groot de diensten, hoe talrijk de algemeen gewaardeerde uitvindingen, hoe ontelbaar de weldaden zijn, waarmee de Scheikunde alle mogelijke onderdeelen der Geneeskunde op de meest kwistige wijze overlaadt. Het is duidelijk geworden, welk een omvangrijke, welk een noodzakelijke voorraad proefondervindelijke bewijzen de Wijsbegeerte aan haar ontleent. En wel niemand zal verder meer ontkennen, dat _zij_ allerminst uit het getal der Akademische wetenschappen moet worden afgezonderd, die met twee er van door zulk een nauwen band te zamen hangt.

Ne tamen ullus relinquatur dubitationi locus, addendum aliud adhuc est argumentum, illos convicturum, qui forte oggesserint, alias complures dari artes ministras, quarum licet egeant adminiculo disciplinae nobiliores, ea tamen non est dignitas, harum ut albo inserantur.

Opdat er echter in het geheel geen plaats voor twijfel overblijve, moet nog een ander bewijs er aan worden toegevoegd, dat hen zal overtuigen, die misschien zullen aanvoeren, dat er verscheidene andere hulpwetenschappen bestaan, wier aanzien, ofschoon de meer edele wetenschappen haar bijstand behoeven, toch niet zoo groot is, dat zij in de lijst van deze worden opgenomen.

Id equidem si in Chemiam quis contorserit, sciat is, non servile esse ejus ministerium, sed tale, ut quam Academicis scientiis praestat operam, eandem ab his exigat vicissim, et mutuetur reciprocam. Quemadmodum enim, ut perfectum quis in Physicum evadat, bonus sit Chemicus oportet; ita non minus bonum decet esse Physicum, ad plenam qui Chemiae notitiam adspirat: ultra vulgus sapiat, emunctis accedat naribus, et imbutam artibus ingenuis habeat mentem necesse est, qui in Chemia laudabile praestare quidquam, et verus ejus cultor audire gestit.

Indien iemand voorwaar dit op de scheikunde toepast, laat hij dan weten, dat haar dienstbaarheid niet die van een slavin is, maar een zoodanige, dat zij denzelfden dienst, welken zij den akademischen wetenschappen bewijst, op haar beurt van deze eischt en wederkeerig van haar borgt. Want evenals iemand, om het tot een volmaakt physicus te brengen, een goed scheikundige moet zijn, zoo behoort hij, die de volledige kennis der Scheikunde najaagt, niet minder een goed physicus zijn. Hij moet in verstand boven den grooten hoop uitsteken, met fijne smaak tot het werk nader treden, een geest hebben doorkneed in de schoone kunsten en wetenschappen, die in de Scheikunde iets lofwaardigs verlangt tot stand te brengen en een waar beoefenaar van haar te heeten.

Quid enim? Nonne saltum facit maxime absonum scientiae cujusdam addiscendae cupidus Tyro, si generalibus illius regulis nondum cognitis, ad singularia mox pedem promovet? Nonne a simplicioribus ad magis composita, a facillime obviis ad abstrusa, Naturae ipsius ordo commonstrat viam? Cuinam igitur tam parum nota sunt bonae praecepta methodi?

Want hoe kan het anders? Maakt een beginner, die begeerig is een zekere wetenschap te leeren, niet een allerongerijmdsten sprong, indien hij zonder nog de algemeene regels ervan te kennen, terstond voortschrijdt tot de bijzonderheden? Wijst niet de orde in de natuur zelf den weg van het meer eenvoudige naar het meer samengestelde, van hetgeen onmiddellijk voor de hand ligt naar hetgeen diep is verscholen?

ad corporum ut singularium descendere examen, horum investigare occultas vires, affectiones proprias, effecta peculiaria attentet, antequam universalem objecti sui ideam sibi comparaverit. Addiscat prius, quid sit corpus? Quaenam ejus natura generalis? Quantum a mente differat?

Aan wien dan toch zijn de voorschriften van een goede methode zóó weinig bekend, dat hij beproeft zich te verdiepen in een onderzoek van afzonderlijke lichamen en hun verborgen krachten, bijzondere eigenschappen en eigenaardige uitwerkingen na te sporen, voordat hij zich een algemeen denkbeeld heeft verschaft van zijn onderwerp? Eerst leere hij, wat een lichaam is, wat wel zijn algemeene natuur is, hoeveel het verschilt van den geest.

Virium praemittat et proprietatum communium indaginem; et superficiem ante contempletur, quam in viscera penetrat: Artem calleat ea, qua decet, accuratione instituendi experimenta: denique nec legum sit ignarus, quae ex datis, justo ratiocinio, legitimas docent elicere conclusiones et Theoremata: hocque demum apparatu instructus, operi sese accingat Chemico, fructus inde non poenitendos adsecuturus.

Hij moet laten voorafgaan een onderzoek naar de algemeene krachten en eigenschappen en eerst de oppervlakte beschouwen, voordat hij in de ingewanden doordringt. Hij moet de kunst verstaan, met die nauwkeurigheid, waarmee dat behoort, proeven te nemen. Ten slotte zij hij ook niet onbekend met de wetten, die leeren uit gegevens volgens een juiste redeneering de goede gevolgtrekkingen te maken en leerstellingen af te leiden, en eerst van deze toerusting voorzien gorde hij zich aan tot den scheikundigen arbeid, waarvan hij vruchten zal plukken, die hem nimmer zullen berouwen.

Qui vero aliter se hac in re gerunt, nae illi oleum perdant et operam! Andabatarum enim more procedentes, impingunt undique; et emendato intelligentiae destituti lumine, quo in Chemiae adyta irrumpunt profundius, eo hallucinantur magis; nubemque tandem pro Junone amplexi, finem laborum omnium, erroribus, ignorantia, paupertate coronatum vident sero et dolent.

Zij echter, die zich in deze zaak anders gedragen, waarlijk zij doen vergeefsche moeite. Want als blindemannen[9] voortgaande, stooten zij overal tegen aan en, daar zij van het zuivere licht van het begrijpen verstoken zijn, bazelen zij des te erger hoe dieper zij in de binnenste heiligdommen der Scheikunde doordringen en eindelijk, een wolk in plaats van Juno[10] omhelsd hebbend, zien zij tot hun smart te laat, dat het eind van al hun moeiten bekroond wordt met dwalingen, onwetendheid, en armoede.

[Voetnoot 9: "more andabatarum". Andabatae, gladiatoren die streden in een helm zonder kijkgaten. (Vertaler.)]

[Voetnoot 10: Dit wordt van Ixion verteld, die Juno met zijn liefde vervolgde en tot zijn straf in de onderwereld op een altijd draaiend rad werd gebonden. (Vertaler.)]

Hi sunt, quorum illotis olim manibus dum tractabatur Chemia, foedissimis deturpata errorum et fabularum maculis, adeo sorduit, invisa ut Sapientibus et suspecta esset. Hi sunt, a quibus dein Eruditus Orbis, una cum Arte nobilissima, detestandas illas accepit falsissimarum opinionum pestes, inde in omne fere Scientiarum genus propagatas, contagio vix non indelebili. Verificatum hic tritum illud: Optimarum rerum abusus pessimi.

Zij zijn het, die gemaakt hebben, dat de Scheikunde eens, zoolang zij door hun ongewasschen handen werd behandeld, ontsierd door de vuilste vlekken van dwalingen en fabeltjes, zóó in het slijk geraakte, dat zij den geleerden gehaat en verdacht was. Zij zijn het, van wie vervolgens de beschaafde wereld tegelijk met de edelste wetenschap dien afschuwelijken vloek van geheel valsche meeningen ontving, die zich vandaar over ongeveer elk soort van wetenschap uitbreidde met een bijna niet te keeren besmetting. Hier werd dat bekende gezegde bewaarheid: Van de beste dingen is het misbruik het ergst.

Non tamen isthaec Artis sunt sed artificum: hos enim quamprimum contigit tales esse, quales sibi postulat Artis sublimitas, viros Mathematice doctos, qui spreta magistrorum auctoritate, Naturam ducem secuti, res ipsas, uti in se sunt, contemplari, et de iis judicare, quam praepostere credere maluerunt, mox sordibus detersis, aliam adepta faciem Chemia, et quibus scatebat ipsa, et qui inde in alias irrepserant scientias, errores non expunxit solum; sed horum etiam locum amplissimis supplevit inventis, solidissimis veritatibus.

Dat is echter niet de schuld van de wetenschap maar van haar beoefenaars. Immers zoodra het geviel, dat deze zoo waren, als de verhevenheid der wetenschap voor zich eischt, mannen, wiskundig onderlegd, die zonder zich te storen aan het gezag van meesters, de natuur als leidsvrouw volgend, liever de zaken zelf, zooals zij in haar wezen zijn, wilden beschouwen en daarover oordeelen dan verkeerdelijk gelooven, heeft niet alleen de Scheikunde, na ras al dat vuil te hebben afgewischt en een ander voorkomen te hebben gekregen, zoowel de dwalingen, waarvan zij zelf krioelde, als die, welke uit haar in andere wetenschappen waren geslopen, uit den weg geruimd, maar ook de plaats daarvan weer aangevuld met de prachtigste uitvindingen en de meest onbetwistbare waarheden.

Verum desino exhibendis veri Chemici requisitis immorari diutius; ne, horum plurima mihimet ipsi deesse nimis perspiciens, tantillum etiam, quod mihi restat, animi, quo aliqualem adhuc in munere hocce meo speraveram successum, prorsus abjiciam, et, nedum facto virium tentamine, palaestra fugiam imbellis.

Edoch, ik houd op langer te vertoeven bij de uiteenzetting van de vereischten voor den waren scheikundige, opdat ik niet, maar al te goed inziend, dat de meeste daarvan mij zelf juist ontbreken, ook nog dat weinigje moed geheel en al verlies, dat mij nog blijft en waardoor ik nog op eenig succes in dit mijn ambt had gehoopt, en lafhartig vlucht uit het strijdperk zonder zelfs mijn krachten te beproeven.

Ex dictis autem abunde innotescit, Chemiam captu vulgi superiorem, cultores exigere, praeliminari scientiarum Academicarum supellectile instructos: nec jam ulterius urgent, quae modo posse objici videbantur.

Uit hetgeen gezegd is, wordt het echter meer dan voldoende duidelijk, dat de Scheikunde, de bevatting van het gemeen te boven gaand, beoefenaars vereischt vooraf voorzien van een uitrusting bestaande uit Akademische wetenschappen, en niet langer meer verontrusten haar die dingen, die men haar nog zooeven scheen te kunnen verwijten.

Quare, nisi vana me eventus spes fefellit, est, cur proposito paratam fidem suspicer: constitit enim, Artem Chemicam praeclarissimis, quos animi pariter et corporis culturae praestat, usibus insignem, Philosophiae et Medicinae maxime proficuam, summe necessariam, indissolubili haerere vinculo, utrinque firmissimo, hae ut illius opera utantur, et vice versa. Quid demum impedit, quo minus concludam, _Chemiam, Artem Nobilem, Artibus Academicis jure esse inserendam_?

En daarom, als ik mij niet door een ijdele hoop op de uitkomst heb laten misleiden, heb ik grond te vermoeden, dat ik geloof heb gevonden voor hetgeen ik mij voornam te bewijzen. Want met zekerheid is voorgesteld geworden, dat de scheikundige wetenschap uitblinkend door de schitterende diensten, die zij zoowel aan de verzorging van de ziel als aan die van het lichaam bewijst, van het grootste nut en de hoogste noodzakelijkheid voor Wijsbegeerte en Geneeskunde, daarmee door een onverbreekbaren band samenhangt, sterk in tweeërlei opzicht namelijk, dat deze zich van haar hulp bedienen, en omgekeerd. Wat belet mij ten slotte te besluiten, _dat de Scheikunde, een edele wetenschap, met recht een plaats verdient onder de Akademische wetenschappen?_

Vestra igitur, ILLUSTRISSIMI ACADEMIAE BATAVAE CURATORES, una cum NOBILISSIMIS VESTRIS COLLEGIS, AMPLISSIMIS HUJUS URBIS CONSULIBUS, Vestra, inquam, sapientissima est cura, quod in celeberrima hac, cui tanta cum gravitate, et inusitata adeo vigilantia praeestis, Academia, huic quoque disciplinae, largo firmatam pretio, sedem statueritis, et officinam, ejus exercitio aptissimam; nec hanc volueritis diu frigere, postquam impetrata, quam petiverat, missione honorificentissima, inde exivit Vir, ob sociatum stupendae eruditioni plusquam Herculeam laborum tolerantiam, eo certe provectus in Arte, verus ut Chemiae Restaurator merito laudetur omnibus.

Aan u derhalve, zeer doorluchte curatoren der Bataafsche Akademie te zamen met uw zeer edele collega's, de zeer aanzienlijke burgemeesters van deze stad, aan u, zeg ik, is de zeer wijze maatregel te danken, dat gij aan deze zeer beroemde Akademie, die gij met zooveel waardigheid en met een gansch ongewone waakzaamheid bestuurt, ook voor deze wetenschap een leerstoel, door een ruime toelage gesteund, hebt ingesteld en eene werkplaats zeer geschikt om haar te beoefenen, en, dat gij niet gewild hebt, dat deze leeg stond, nadat na het meest eervolle ontslag te hebben verkregen, waarom hij had gevraagd, daar uit was getreden de man, die wegens de verbinding van een verbijsterende geleerdheid met een meer dan Herkulische werkkracht zeker zulk een hoogte in de wetenschap heeft bereikt, dat hij terecht door allen wordt geprezen als de ware hernieuwer der Scheikunde.

Quod autem Viro huic incomparabili, nec ambientem me, nec promeritum subadjungere Vobis visum fuerit, Atlanti Pigmaeum; id equidem quoties attenta mente perpendo toties immensum, quo Vestra meritis meis praeponderat clementia, momentum attonitus miror, veneror humillimus. Juvenem namque, alienigenam, nullo dum ingenii dato specimine notum, tanto quod condecorare honore, gratiosissime sitis dignati, cuinam magis rei adscribam, quam immensae Vestrae benevolentiae et favori inaudito?

Wat echter het feit betreft, dat het u behaagd heeft mij, zonder dat ik er naar dong of het verdiende, toe te voegen aan dien onvergelijkelijken man, een pigmee aan een Atlas, voorwaar zoo dikwijls ik dat aandachtig overweeg, sta ik in stomme verbazing over het kolossale gewicht, dat uw goedertierenheid meer in de schaal heeft moeten leggen dan mijn verdiensten, en ik erken het nederig en eerbiedig. Want dat gij u allergenadigst hebt verwaardigd een vreemden jongeling, die nog door geen enkel bewijs van talent was bekend geworden, met zulk een eer te begiftigen, waaraan zal ik dit wel meer moeten toeschrijven dan aan uw oneindige welwillendheid en ongehoorde gunst?

Temerarius equidem videri possem, quod nulla tenuitatis meae ratione habita, hanc amplexus sim provinciam, in qua exequenda, post tantum Praedecessorem, ne mediocris quidem applausus spes mihi affulget. At enim inglorius plane sit oportet, animoque nimis abjecto, qui hinc dignitate, illinc liberalissimo excitatus honorario, torpeat, nascentis fortunae suae incurius.

Voorwaar ik zou vermetel kunnen schijnen, omdat ik zonder rekening te houden met mijn eigen kleinheid deze taak heb aanvaard, bij het volbrengen waarvan mij zelfs niet de hoop op een middelmatig applaus toeschittert na zulk een voorganger. Maar toch _hij_ moet wel geheel van eerzucht zijn ontbloot en al te versaagd zijn van geest, die aan den eenen kant door de eer, aan den anderen door een zeer mild honorarium aangespoord, onbeweeglijk blijft zonder zich te bekommeren om den groei van zijn fortuin.

Me sane, ut ut exiguas probe agnoverim vires, hi tamen stimuli haud pupugere insensilem: novum insuper admovit calcar favoris plenissima Vestra, de me meisque studiis concepta, opinio: animum denique addidit consueta Vobis et propria generosae mentis indoles, qua ultra, quam juveniles pertingunt vires, a juvene nil exigitis. His adductus conditionibus accepi munus: his fretus illud nunc auspicor.

Ik zeer zeker, hoe volkomen ik ook mijn geringe krachten erkende, was toch niet ongevoelig voor het steken van die prikkels. Bovendien strekte mij tot een nieuwen spoorslag uw bijzonder gunstige meening, die gij omtrent mij en mijn studiën hebt opgevat. Moed gaf mij tenslotte uw gewone inborst eigen aan een edelaardigen geest, waardoor gij niets verder van een jongeling verlangt, dan de jeugdige krachten reiken. Door deze omstandigheden er toe gebracht heb ik mijn ambt aangenomen: op deze vertrouwend aanvaard ik het nu plechtig.

Faciet insculpta animo meo sempiterna hujus Vestrae in me munificentiae memoria, omnem ut moveam lapidem, ea ne plane indignus videar. Industria pensabo vires, ingenium assiduitate, labore indefesso aetatem, animo denique fulciam corpus, et quidquid in utroque est vigoris, totum id promovendis Academiae commodis unice sacrabo.