Opuscula Selecta Neerlandicorum Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde

Part 30

Chapter 30 3,479 words Public domain Markdown

Den geheelen dag voorwaar leggen de wakkere beoefenaars van deze wetenschap zich daarop toe: zij brengen het eene lichaam bij het andere en scheiden ze weer van elkaar; opgeloste lichamen doen zij stollen en gestolde lossen zij op; de bewegingen, die daaruit ontstaan, nemen zij waar en wijzigen zij, nieuwe roepen zij te voorschijn door zeer krachtige instrumenten, waarbij de manier van behandelen op allerlei wijzen afwisselt.

Igne utuntur, Elemento mobilissimo, validissimo: Menstrua praesto sunt efficacissima, juxta solvendi naturam appropriata. Quid autem his arduum? Quid inaccessum? Haereant particulae corporis Adamantino inter se vinculo; sint ejus viscera aere vel triplici praemunita; lateant in profundissimo vires; talium profecto arietum impetu dissilient, effringentur, patebunt.

Zij bedienen zich van het vuur, het meest beweeglijke en krachtige element; zeer sterke splitsingsmiddelen staan ten dienste, afgemeten naar den aard der oplossing (die men wil bewerkstelligen). Wat is dan voor die dingen moeilijk? Wat onbereikbaar? Laten de deeltjes van een lichaam maar met een stalen band onder elkaar verbonden zijn, laten zijn ingewanden zelfs achter een driedubbelen metalen muur verschanst zijn, laten zijn krachten in de onderste diepte verborgen zitten; waarlijk onder het beuken van dergelijke stormrammen zullen zij uit elkaar springen, opengebroken worden, aan het daglicht treden.

Quidquid vel agunt corpora vel patiuntur, solo id omne motui venit tribuendum; per hunc et omnis eorum sese exserit efficacia, et vicissitudines quaecunque producuntur: hisce igitur disquirendis si navat operam Philosophus, quanam breviore poterit via, aut potentiore quonam adminiculo sui se voti reddere compotem, quam captis per Ignem experimentis?

Al wat de lichamen hetzij doen, hetzij ondergaan, dit alles is alleen aan de beweging toe te schrijven; door deze treedt én al hun kracht naar buiten én worden alle mogelijke afwisselingen te weeg gebracht. Indien derhalve de wijsgeer zich moeite geeft om deze te onderzoeken, welken korteren weg zal hij dan wel kunnen inslaan of van welk machtiger hulpmiddel zich bedienen om zijn doel te bereiken, dan wanneer hij proeven neemt door middel van het vuur? Want voorwaar de aard daarvan is zoo beweeglijk, dat de wijzen[7] geloofd hebben, dat het niets anders was dan beweging.

[Voetnoot 7: Hier schijnt de redenaar in de eerste plaats Heraclitus van Ephesus ±500 v. Chr op het oog te hebben. (Vertaler.)]

Cujus equidem adeo mobilis est natura, ut praeter motum aliud esse nihil, Viri Sapientes crediderint. Est vero et Ignis, quo pollet ipse, motum aliis communicare corporibus paratissimus; et vis ejus, per plures gradus intermedios, intendi arte vel minui pro lubitu potest: unde certe quam optatissima nascitur Physiologo opportunitas, ejus ope abditissimas quasque corporum affectiones enucleandi.

Maar het vuur is ook zeer geschikt om de beweging, waarin zijn eigen kracht is gelegen, aan andere lichamen mee te deelen en zijn geweld kan op verscheidene tusschenliggende graden kunstmatig versterkt of verminderd worden, al naar men het verkiest. Daardoor ontstaat voorzeker voor den physioloog de hoogst gewenschte gelegenheid om met de hulp daarvan de meest verborgen eigenschappen der lichamen tot in de kleinste bijzonderheden na te gaan.

Istis enim applicatus, simul ea in motum ciet, in agilitatem propriam solicitat, medullitus concutit, vires eorum evocat, auget, mutat, partes constituentes a se mutuo separat, separatas sigillatim combinat, proprias rursus harum virtutes in actum lucemque deducit, adeoque nudis usurpanda sensibus praebet, quae alia quacunque arte adjuti attingere potuissent nunquam. Quid autem hoc jucundius Naturae scrutatori? Quid utilius? Quid magis necessarium?

Want wanneer het bij deze wordt aangewend, brengt het hen tegelijkertijd in beroering, wekt ze op tot de beweging, die hun in het bijzonder eigen is, schudt ze tot in 't merg door elkaar, roept hun krachten te voorschijn, verhoogt en verandert ze, scheidt de samenstellende deelen van elkaar en vereenigt de van elkaar gescheiden een voor een, brengt wederom de vermogens van die verschillende deelen in het bijzonder in werking en aan het licht en maakt zelfs, dat dingen kunnen worden waargenomen louter door de zintuigen, die zij geholpen door een andere kunst, welke dan ook, nooit hadden kunnen bereiken. Wat is echter voor den natuurvorscher aangenamer dan dit? Wat nuttiger? Wat noodiger?

Supersedeo horum in fidem rerum adducere testimonia, ne in immensam mea excrescat Oratio. Latent illa neminem, nisi qui misere adeo deperierit vetustatem, recentiorum ut in scriptis hospes sit. Omnium instar sint bina illa fulgentissima Magnae Britanniae Lumina, _Boyleus_ et _Newtonus_: quibus certe haud perspicaciores Naturae Mystas nostra agnoscunt secula;

Ik zie er van af om ter bevestiging hiervan de getuigenissen der feiten aan te voeren, opdat niet mijn redevoering in het onmetelijke groeie. Niemand zijn die onbekend, tenzij dat hij zoo akelig verzot is op de oudheid, dat hij vreemd is aan alles, wat in geschriften uit later tijd dateert. In plaats van dit alles mogen hier genoemd worden die beide zeer stralende lichten aan Groot-Britannia, BOYLE en NEWTON. Hen erkennen zeker onze eeuwen als de meest scherpzinnige ingewijden in de geheimen der Natuur.

an vero videre retroacta? Hi tamen in detegenda singularium corporum indole, in eruendis propriis viribus, vix alio quam ad Chemiam recurrunt. Quidquid fere inventum est solidi et pulchri circa naturam ignis, caloris, lucis, frigoris; quidquid innotuit de vera colorum, saporum, odorum indole; quidquid de motuum terrae, igniumque subterraneorum causis; quidquid de Magnetismo corporum, et vi attractili, id omne Chemicis debetur experimentis.

En zagen soms de voorbijgegane nog scherpzinniger dan zij? deze echter nemen bij het ontdekken van den aard der lichamen, bij het opsporen van de hun eigen krachten haast tot niets anders hun toevlucht dan tot de Scheikunde. Nagenoeg elke duurzame en schoone vondst betrekking hebbende op den aard van het vuur, van hitte, licht en koude, al wat bekend is geworden over het ware karakter van kleuren, smaken, geuren; omtrent de oorzaken der aardbevingen, en van het vuur, dat zich op verschillende plaatsen onder de aarde bevindt; omtrent het magnetisme van lichamen en hun aantrekkingskracht, dit alles is men aan scheikundige proeven verschuldigd.

Est ergo Chemia extendendis Physicis praestantissima: est Philosophiae experimentali tam arcte copulata, ut, qui praeceptis ejus mentem non formaverit, ineptus sit videndis Naturae arcanis. Utrique litem movet de jure Academico, qui uni movet.

De Scheikunde is dus bij uitstek geschikt om de Physica uit te breiden: zij is met de proefondervindelijke Wijsbegeerte zóó nauw saamgekoppeld, dat hij, die zijn geest niet gevormd heeft met haar voorschriften, ongeschikt is de geheimen der Natuur te zien. Aan beide betwist _hij_ het recht aan de Akademie te worden onderwezen, die het aan één betwist.

At videor mihi audire nonnullos Vestrum objicientes: Eho! Hanccine tu Artem tot laudabilia praestare ais opera, et tam felicem esse in detegendis corporum virtutibus? Hanccine absconditarum veritatum cognitione ornare animum adseris? Quae gerris anilibus, historiolis fabulosis, confictis turbati cerebri somniis ad nauseam usque offerta, suos his cultores impraegnat; nec aliud quid, praeter arcana crepat nunquam visa, saepe impossibilia, et sicubi vera, non tamen nisi denso involuta peplo exhibet; adeo, ut auram quamvis fide Chemica tutiorem esse, verissime cecinerit Poeta.

Maar ik verbeeld mij sommigen van u mij te hooren tegenwerpen. "Zacht wat! Zegt ge dat die wetenschap zooveel lofwaardige werken verricht en zooveel succes heeft in het ontdekken van de vermogens der lichamen? Verzekert gij, dat die den geest toerust met de kennis van verborgen waarheden? Een wetenschap, die tot walgens toe opgepropt met oudewijvenpraatjes, fabeltjes en droomerijen, gevormd in verwarde hersenen, haar beoefenaars daarmee geheel en al vervult; en die over niets anders den mond vol heeft dan over geheime, nooit geziene dingen, die dikwijls onmogelijk zijn, en, indien zij soms al ware dingen laat zien, dan toch slechts in een dichten sluier gehuld; zoo zelfs, dat zeer terecht een dichter gezongen heeft, dat elk vluchtig koeltje eerder te vertrouwen is dan, wat de Scheikunde verzekert".

Hisce equidem haud repugno; nec inficior: pleni sunt talibus libri, plenae Chemistarum voces, quorum pars magna servulo illi Terentiano simillima, quae vera audivere, tacent et continent optime; sin falsum, aut vanum, est, continuo palam faciunt. At enim vero ecquis imprudens adeo, aut tam corruptus sederit ad hanc rem judex, Arti ut imputet errores, delira quos et fraudulenta horumce Pseudochemicorum turba dispersit?

Dit wil ik, wat mij betreft, niet bestrijden noch ontkennen: vol van dergelijke zaken zijn de boeken, vol de uitlatingen der Alchemisten, van wie een groot deel gelijk aan dien slaaf[8] bij TERENTIUS, wat zij waars hooren, uitstekend weten te verzwijgen en verborgen te houden; maar als iets onwaar of leugenachtig is, maken zij het onmiddelijk openbaar. Maar waarlijk is er wel iemand, die over deze zaak de vierschaar spant, zóó onverstandig of zóó verdorven, dat hij de wetenschap de dwalingen aanrekent, die de krankzinnige bedriegersbende dier pseudoscheikundigen heeft verbreid?

[Voetnoot 8: TERENTIUS' Eunuchus I. 2. v. 23 en 24. (Vertaler.)]

His quia turpe videtur errasse solos, fucata hinc verborum specie allectos quoque alios iisdem implicant erroribus, et, dum propria primi periere ignorantia, sequentes in commune secum trahunt exitium; id saltem adsecuti, quod, sub coacervata aliorum supra alios strage, primae tegatur ruinae causa et autor. Non sane hi, praeter nomen, quidquam de Chemia possident; ne hoc quidem digni: quum suorum duntaxat sensuum cupiditatibus, aut malesano natis in cerebro, hypothesium monstris obsequiosi, veras Artis regulas nec sciant, nec ad illas conformentur.

Omdat het dezen schandelijk toeschijnt alleen gedwaald te hebben, lokken zij daarom ook anderen tot zich door schoonschijnende sier van woorden en wikkelen hen in dezelfde dwalingen en, daar zij het eerst door hun eigen onwetendheid te gronde zijn gegaan, trekken zij hun volgelingen met zich in een gemeenschappelijk verderf, waarbij zij tenminste dit bereiken, dat onder den opgestapelden hoop, de een boven op den ander, de oorzaak en bewerker van den eersten val bedekt wordt. Zij bezitten voorwaar niets van de Scheikunde behalve den naam, dien zij zelfs ook niet waardig zijn, daar zij slechts luisterend naar de begeerten van hun zinnen of naar monsters van hypothesen in een waanzinnig brein geboren, de ware regels der wetenschap noch weten noch zich er naar richten.

Longissime profecto abest Chemia, inanibus quin credat speculationibus: aurium ipsarum sublesta illi fides est; solo acquiescit oculorum testimonio. Hinc quicunque caste eam colunt, in singularibus primo corporibus, juxta praescriptum Artis, summa exactitudine, et accuratissima omnium phoenomenorum observatione, Naturam ducem secuti, varia instituunt experimenta;

De Scheikunde is er inderdaad zoo ver mogelijk van af geloof te schenken aan ijdele bespiegelingen. De betrouwbaarheid der ooren zelfs is voor haar gering; zij legt zich alleen neer bij het getuigenis der oogen. Vandaar dat al degenen, die haar op de onvervalschte manier beoefenen, eerst op de afzonderlijke lichamen volgens het voorschrift der wetenschap verschillende proeven nemen met de hoogste nauwkeurigheid en de meest zorgvuldige waarneming van alle verschijnselen, hierbij de natuur als leidsvrouw volgend;

horum dein singulos quosque eventus sensibiles, bona fide, notant, et ex his demum liquidissime perspectis, et sibi invicem collatis, severitate Mathematica eliciunt, quae clara et individua sequela inde deduci possunt: haecque tandem sunt, non alia, quae pro veritatibus et Theorematis agnoscunt veri Chemiae cultores. Quid vero est, si non haec certitudo est?

vervolgens teekenen zij telkens de waarneembare uitkomsten eerlijk op en eerst nadat zij daarin een volkomen helder inzicht hebben gekregen en ze met elkaar vergeleken hebben, maken zij daaruit met wiskundige strengheid die gevolgtrekkingen, die er in duidelijke en onafgebroken volgorde uit kunnen worden afgeleid. En dit eerst is het, niets anders, wat de ware beoefenaars der Scheikunde als waarheden en leerstellingen erkennen. In waarheid wat is zekerheid, indien dat het niet is?

Quae cum ita sint, neminem jam Vestrum dari putem, qui perneget, rationali Chemiae exercitio mire adaugeri humanae mentis intelligentiam. Reliquum est, ut paucis, quos corpori adfert, usus exponamus, Arti dum Medicae, hujus quæ curam gerit, artissime sociata, utilissimam pariter ac maxime necessariam præstat operam, non aliunde, nisi e Chemiae penu derivandam.

Daar dit zoo is, meen ik, dat er niemand meer van ulieden zal gevonden worden, die hardnekkig blijft ontkennen, dat door een verstandige beoefening der Scheikunde het begrip van den menschelijken geest verbazend wordt vermeerderd. Er blijft nog over, dat wij in 't kort de voordeelen uiteenzetten, die zij het lichaam aanbiedt, daar zij, ten nauwste verbonden aan de Geneeskunde, die daarvoor zorgdraagt, deze een buitengewoon nuttige en tevens zeer noodige hulp betoont, die aan niets anders kan ontleend worden dan aan datgene, waarover de Scheikunde beschikt.

Physicae Medicinam firmissime conjungi, utriusque docet contemplatio: haec itaque, quo cum illa cohaeret vinculo, eodem et Chemiae nectitur; nec hujus demonstratio plura exigeret, nisi propior adhuc ambarum daretur affinitas.

Dat de Geneeskunde zeer hecht met de Physica verbonden is, leert de beschouwing van beide. Derhalve wordt zij met denzelfden band, waardoor zij met gene vereenigd is, ook aan de Scheikunde gekoppeld en de uiteenzetting daarvan zou geen woorden meer vereischen, als niet nog een nauwer verwantschap van beide zich voordeed.

Ars Medica objectum sibi primarium habet corpus humanum, vivens, hinc individuum, singularissimum, cui definitas aliorum corporum singularium vires, determinatis sub conditionibus applicando, requisitas in fine suo mutationes imprimit: tota ergo versatur in singularibus, et si ulla alia, certe haec virtutes corporum peculiares, et in se invicem actiones, quam distinctissime perspectas postulat:

De Geneeskunde heeft als haar eerste voorwerp van studie het menschelijk lichaam, dat leeft en derhalve ondeelbaar, verder geheel op zich zelf staande is, waaraan zij door er bepaalde krachten van andere op zich zelf staande lichamen onder vaste voorwaarden op aan te wenden die veranderingen oplegt, die voor haar doel vereischt worden. Zij houdt zich dus geheel bezig met op zich zelf staande dingen en zoo eenige andere wetenschap, dan heeft zij er belang bij, dat de bijzondere vermogens der lichamen, en hun werkingen wederkeerig op elkaar zoo duidelijk mogelijk gekend worden.

quum autem hisce indagandis, prae reliquis quibuscunque Artibus, Chemia potissimum omnem suam et unice et felicissime impendat operam; hac sine mancam fore mutilamque quis non videt Medicinam? Hinc est, quod mox, ac plebi erepta, Litteratos inter coepit vigere, nativo suo tum splendore fulgens, Chemia, adeo in sui amorem et culturam omnes pertraxerit Medicinae filios, horum ut praeprimis facta fuerit opus, horum deliciae.

Daar nu aan het nasporen hiervan de Scheikunde vooral boven alle overige wetenschappen bij uitstek en met veel succes al haar moeite besteedt, wie ziet dan niet in, dat zonder haar de Geneeskunde kreupel en gebrekkig zou zijn? Hieraan is het te danken, dat de Scheikunde weldra en na zich aan het gemeen onttrokken te hebben onder de geletterden in aanzien begon te komen, thans stralend in haar eigen oorspronkelijken glans, en zoozeer alle zonen der Geneeskunde er toe heeft gebracht haar lief te hebben en te beoefenen, dat zij in de allereerste plaats van hen het werk, van hen de lust is geworden.

Quid? Quod in ipsam quoque dein Artem Salutarem introducta, communem sibi cum hac finem adoptaverit, novo tum nomine Jatro-Chemices, pro parte sui longe maxima, insignita: quo quidem sibi placuit tantopere, omni ut ilico conatu totam se promovendis sociae suae pomoeriis indefessam dederit.

Ja nog meer; vervolgens ook in de Heilkunst zelf gebracht heeft zij voor zich een gemeenschappelijk doel met deze aangenomen en is toen met den nieuwen naam Iatrochemie naar verreweg haar grootste deel gesierd geworden. Daarin dan schepte zij zulk een behagen, dat zij terstond onvermoeid met alle krachtsinspanning zich geheel er aan gegeven heeft om de landpalen van hare bondgenoote uit te zetten.

Nec profecto, nisi ignarus rerum, pauca ea dixerit, aut flocci aestimanda, quae inde in Medicinam redundarunt, bona: quamcunque enim hujus partem, seu speculatione quae absolvitur, seu ipsa quae in operis versatur exercitatione, percurras; utraque innumeros clamat Chemiae usus; utraque consortium ejus ad sui perfectionem summe necessarium exemplis docet infiniris.

En voorwaar slechts iemand, die geen kennis van zaken heeft, zal die dingen weinig noemen of van geringe waarde, die daaruit de Geneeskunde ten goede zijn gekomen. Immers welk gedeelte van haar men ook moge nagaan, hetzij dat, wat door bespiegeling wordt volbracht, hetzij dat, wat zich bezig houdt juist met de uitoefening van het werk zelf, beide getuigen luide van de ontelbare diensten der Scheikunde; beide leeren door oneindig veel voorbeelden, dat de samenwerking met deze in de hoogste mate noodig is tot haar eigen volmaking.

Physiologiam primo Medicam, si libet, contemplemur. Undenam, quaeso, constitit, firmarum corporis humani partium Elementum ultimum et basin esse Terram Virginem, simplicissimam, constantissimam, medio glutine oleoso, pariter fixissimo, adunatam? Eo certe non progreditur subtilitas Anatomica: sola id liquido docet Chemia.

Laten wij eerst de medische physiologie, als gij het goed vindt, beschouwen. Eilieve, waardoor wel is men tot de overtuiging gekomen, dat het laatste element en de basis der vaste deelen van het menschelijk lichaam de maagdelijke Aarde is, die slechts uit een enkel bestanddeel bestaand en zich zelf steeds gelijk blijvend, saamgehouden wordt door een olieachtige lijm in haar midden, die eveneens zeer vast is? Zoo ver komt zeker niet de scherpzinnigheid der anatomen. Alleen de Scheikunde leert dit met volkomen zekerheid.

Undenam vero fluidorum ejus singularis indoles et propriae innotescunt vires? Excepta enim generaliori liquidorum idea, aliud illis simile frustra quaesiveris extra regni Animalis terminos: imo sunt ipsa etiam inter se quam diversissima. Deficit heic Hygrostatica: Chemia sola opitulatur; haec est, cui, quantum fere in his sapimus, debemus:

Waardoor wel worden de bijzondere aard van de vochten in het lichaam en eigenaardige krachten daarvan bekend? Want met uitzondering van den meer algemeenen vorm van vloeistoffen zal men tevergeefs zoeken naar iets anders aan hen gelijk buiten de grenzen van het dierenrijk: ja zelfs zijn zij ook zelf onder elkaar zoo verschillend als maar mogelijk is.

Sanguinis naturam mediam nec Acidam nec Alcalinam; Seri ejus, ad calorem naturali majorem, facile coagulum; Bilis indolem saponaceam; Salivae, succi Pancreatici, Lymphae temperiem, facultates, et innumera alia nesciremus, abfuisset Chemia.

Hier schiet de Hygrostatica te kort; alleen de Scheikunde biedt hulp; zij is het, aan wie wij nagenoeg alles, wat wij van die zaken weten, verschuldigd zijn. Den aard van het bloed, die het midden houdt en noch zuurachtig noch alcalisch is, het gemakkelijk stollen van het serum daarvan bij een hitte grooter dan de natuurlijke, het zeepachtig karakter van de gal, de juiste samenstelling en eigenschappen van het speeksel, van het pancreassap en der lymphe en tallooze andere dingen zouden wij niet weten, indien de Scheikunde er niet geweest ware.

Quid nunc functiones memorem, hujus adminiculo pulcherrime evolutas? Intimam alimentorum in primis viis solutionem; succi inde Chylosi et Lactei proventum; cibi potusque necessitatem, appetentiam; originem salium et partium sulphurearum ex ingestis fere insipidis; insignem humorum per vires circuitus mutationem (ut alia praeteream) parum apposite explicuere, quibus clarior Chemiae lux nondum adfulserat.

Waartoe zal ik nu gewag maken der functies, die met haar bijstand schitterend zijn blootgelegd? Het inwendig oplossen der spijzen in de eerste wegen, het daaruit voortkomen van het chylus- en melksap, de noodzakelijkheid van spijs en drank en de begeerte daarnaar, het ontstaan der zouten en zwavelachtige deelen uit het opnemen van vrijwel smakelooze stoffen, de merkwaardige verandering der vochten door de krachten van den kringloop (om nog andere dingen voorbij te gaan) hebben _zij_ weinig passend verklaard, voor wie het meer heldere licht der scheikunde nog niet had geschenen.

Quodsi nunc pedem promoveamus ad partem Medicinae Pathologiam; innumeri, iique impeditissimi occurrunt, circa morborum causas, naturam et symptomata, nodi, quibus solvendis unica par est Chemia. Quis miros salium morbosorum in Scorbuto, Arthritide, Lue Venerea ortus, variam indolem, alia ex aliis effecta unquam pervidisset?

Indien wij dan nu een stap verder gaan tot het onderdeel der Geneeskunde, de Pathologie, dan doen zich tallooze en bovendien nog zeer ingewikkelde kwesties voor met betrekking tot de redenen der ziekten, den aard en de verschijnselen daarvan, die de Scheikunde alleen vermag op te lossen. Wie zou ooit doorzien hebben het wonderbaarlijke ontstaan en het verschillend karakter der ziekelijke zouten bij scheurbuik, jicht en lues Venerea, en hoe het een uit het andere voorkomt?

Quis fontem Acidi aut putridi oleosi, in primis viis, Hypochondriacis tam molesti? Quis Calculorum in Cysti Fellea, Renibus, et Vesica Urinaria proventum? Quis cariei ossium, adjunctique foetoris causam?

Wie de bron van het zuur of van de olieachtige bedorven stof, die zich in de eerste wegen bevindt en zoo lastig is voor de miltlijders? Wie de herkomst van steenen in de galblaas, de nieren en de urineblaas? Wie de oorzaak van het bederf van beenderen en van den stank, die er mee gepaard gaat?

Quis tetras stagnantium humorum degenerationes in tenacitatem corneam, aut summam putredinem, acrimoniamve corrosivam? Quis denique caloris et frigoris, circulationis auctae vel diminutae varias in permutandis humoribus vires tam pulchre in lucem ponere potuisset, nisi Chemia praetulisset facem?

Wie het vieze overgaan van stilstaande vochten in een hoornachtige stijfheid of in zeer sterke ontbinding of inbijtende scherpte? Wie ten slotte zou den verschillenden invloed van hitte en koude, van het vermeerderen of verminderen der circulatie op het veranderen van vochten zoo schoon in het licht hebben kunnen stellen, als niet de Scheikunde met haar fakkel was vooraangegaan?

Ex binis prioribus Medicinae partibus doctrina de Signis maximam partem derivatur: redundant ergo in hanc etiam, quos in illas confert Chemia, usus. Exempla in promptu sunt uberrima: Sanguis de vena missus nonne luculentum internae dispositionis praebet indicium? At veram ejus indolem, nisi examine Chemico, perspicere nemo distincte potest.