# Opuscula Selecta Neerlandicorum Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde

## Part 28

Book page: https://www.cyberlibrary.org/la/books/opuscula-selecta-neerlandicorum-nederlandsch-tijdschrift-voor-g-6f51527a/index.md

Ja zelfs daar bleef uw overgroote welwillendheid jegens mij niet staan. Want aan u ben ik ook de belooning van mijn moeite verschuldigd, die thans mijn deel wordt. Gij hebt bewerkt, doordat gij zulk een welwillend oordeel tegenover de leidslieden over mij hebt geveld, dat ik tot dit ambt ben geroepen, die eervolle onderscheiding heb genoten. Daar ik dus te veel verplichting jegens u heb, dan dat ooit eenige tijd het mij mogelijk zal maken mij er van te kwijten, aanvaard daarom de erkenning daarvan, getuigend van de diepste dankbaarheid, en de onvergankelijke herinnering daaraan, die ik hier nu openlijk als in een gedenktafel gegrift ophang, in plaats van elk dankoffer, en wees ervan overtuigd, dat ik met al mijn krachten mij hiertoe zal inspannen, dat ik u toone hoever ik de beschuldiging van ondankbaarheid van mij kan werpen. Meer hieraan toe te voegen verbiedt mij uw bescheidenheid en mijn schaamtegevoel.

Voordat ik echter u verlaat, noopt mij de mij bekende zwakheid mijner krachten en de moeilijkheid van het werk, dat ik op mij neem, dat ik u dringend bezweer, dat gij met dezelfde gunst, waarmee gij mij tot dit werk hebt geroepen, mij wilt steunen, nu ik op het punt sta het te aanvaarden en, zoo dikwijls als ik er u om bid, met uw wijze raadgevingen mij ter zijde staan. U en welk een man, volg ik op. Als gij met uw groote ervaring omtrent den weg, dien gij zoo vele malen hebt afgelegd, mij niet voorgaat, laat ik allen moed zinken. Vat mij, jongen man, dus bij de hand, hoewel ik u niet met gelijke schreden zal kunnen volgen en wil maken, dat, terwijl het krankzinnig zou zijn te trachten die hoogte te bereiken, waartoe u uw geweldige ijver gepaard aan een goddelijk talent in de wetenschap heeft gebracht, ik tenminste die lof mij verwerf, dat ik uw voetstappen blijf drukken, wel is waar kruipend vorderend maar toch niet geheel roemloos.

U, tenslotte, voortreffelijke jongelieden, u, die u met hart en ziel aan de Wijsbegeerte en Geneeskunde wijdt, spreek ik toe. Immers de Scheikunde stelt zich geheel en al in dienst van uw belangen, met uw studiën is zij ten nauwste saamgekoppeld en onafscheidelijk verbonden. Indien gij dus soms in liefde voor haar ontstoken, het betreurd hebt, dat zij eenigen tijd gezwegen heeft, weest dan nu weder goedsmoeds. Wederom is de werkplaats geopend, de fornuizen zullen branden: komt, en werkt daarbij met mij samen in het zweet uws aanschijns. Door bovenmenschelijken arbeid, door onvermoeide werkzaamheid, onder duizend gevaren heeft BOERHAAVE, de opperste der scheikundigen, den vroeger zoo moeilijken weg begaanbaar gemaakt en diezelfde beproefde methode, waarvan hij zichzelf bediend heeft, geeft hij naar zijn beste weten ons in handen. Laten wij dus daaraan vasthoudend hem als leidsman volgen om zoo in veiligheid en met succes in de heiligdommen der wetenschap binnen te dringen. Aan u bied ik mijzelf als begeleider aan en, indien gij dat wilt, als raadgever. Indien ik over eenige krachten, dienstvaardigheid of verstand kan beschikken, gebruikt die dan, zooals gij verkiest. Aan u wijd ik dit alles toe. Want uw studiën te bevorderen, dat is vooral het toppunt mijner wenschen, dat is het eenige doel mijner moeiten.

IK HEB GEZEGD.

[Errata:

... verscheidene van hun uitvindingen ... _origineel: "uitvingen"_ ]

* * * * * * * * *

_Illustrissimis et Nobilissimis Viris_ ACADEMIAE LUGDUNA-BATAVAE CURATORIBUS,

Aan de zeer doorluchte en edele mannen, curatoren der Leidsche Akademie,

JOHANNI HENRICO, COMITI DE WASSENAER, Domino de Opdam, Hensbroek, Spierdyk, Zuydwyk, Kernchem, et lage etc. etc.

Equiti ordinis Johannitici, in equestrem nobilium Hollandiae ordinem adlecto, ad supremum foederati belgii senatum delegato etc. etc.

JOHANNES HENDRIK, GRAAF VAN WASSENAER, heer van Opdam, Hensbroek, Spierdyk, Zuydwyk, Kernchem en Lage, enz. enz. ridder van de Johanniterorde, lid van de ridderschap der edelen van Holland, afgevaardigde ter Staten-generaal enz. enz.,

JOHANNI TRIP, J.U.D. Toparchae in Berkenrode, civitatis Amstelaedamensis senatori, cum maxime consulum praesidi, Societatis Indiae Orientalis moderatori, etc. etc.

JOHANNES TRIP, doctor in de beide rechten, drost in Berkenrode, lid van den raad van de stad Amsterdam, op dit oogenblik voorzitter der burgemeesters, bewindhebber der O.-I. Compagnie, enz. enz.,

ARENTIO BRUNONIS, VAN DER DUSSEN, J.U.D. Reipublicae Delphensis senatori et consulari, delegatis praepotentium ordinum Hollandiae adscripto, etc. etc.

AREND BRUNO'SZOON VAN DER DUSSEN, doctor in de beide rechten, lid van den raad der stad Delft en oud-burgemeester, afgevaardigde ter hoogmogende Staten van Holland, enz. enz.,

EORUMQUE COLLEGIS _Amplissimis, Gravissimisque Viris_ _Civitatis Lugdunensis Consulibus_.

en aan hun ambtgenooten, de zeer aanzienlijke en waardige mannen, burgemeesters der stad Leiden,

ABRAHAMO HOOGENHOUCK, J.U.D. Consulum praesidi.

DANIELI VAN ALPHEN, J.U.D.

HENRICO VAN WILLIGEN, J.U.D.

GERHARDO EMILIO VAN HOOGEVEEN J.U.D.

ABRAHAM HOOGENHOUCK, doctor in de beide rechten, voorzitter der burgemeesters,

DANIËL VAN ALPHEN, doctor in de beide rechten,

HENDRIK VAN WILLIGEN, doctor in de beide rechten,

GERHARD EMILE VAN HOOGEVEEN, doctor in de beide rechten,

Nec Non Viro Spectatissimo

DAVIDI VAN ROYEN, J.U.D. Urbis Leidensis Graphiario, Illustriss: Curatoribus et Ampliss. Consulibus a Secretis.

Ook aan den zeer voortreffelijken heer DAVID VAN ROYEN, doctor in de beide rechten, secretaris der stad Leiden, geheimschrijver der zeer doorluchte curatoren en zeer aanzienlijke burgemeesters,

L.M.Q.D. Hanc Orationem Virtuti et Gloriae Eorum Devotissimus HIERONYMUS DAVID GAUBIUS.

draagt gaarne en naar verdienste deze redevoering op de aan hun voortreffelijke en roemrijke personen zeer verknochte dienaar HIERONYMUS DAVID GAUBIUS.

Hieronymi Davidis Gaubii ORATIO INAUGURALIS

INAUGUREELE REDE van HIERONYMUS DAVID GAUBIUS,

Qua Ostenditur CHEMIAM ARTIBUS ACADEMICIS JURE ESSE INSERENDAM

Waarin Wordt Aangetoond, dat de Scheikunde met recht een plaats verdient onder de Akademische Wetenschappen,

Si quae unquam, in scena vitae meae, magna mihi et peregrina obvenit mearum rerum vicissitudo, ea sane est, quam hic nunc subeo. Locus insolitus; inusitata hominum frequentia, horumque omnium conversa in me ora atque oculi; munus inconsuetum; nova prorsus sunt omnia: omnia alienam subito adepta faciem, pari et stupore et solicitudine percellunt animum.

Indien mij ooit op het schouwtooneel mijns levens een groote en vreemde lotswisseling overkwam, dan is het wel deze, die ik hier thans beleef. De plaats is ongewoon; de toevloed der menschen grooter dan gebruikelijk is en van die allen zijn gelaat en oogen op mij gericht; de taak is mij vreemd; alles is geheel en al nieuw: alles heeft plotseling een vreemd voorkomen aangenomen en verontrust mijn gemoed door een even groote verbijstering als bezorgdheid.

Scilicet in Academica panegyri perorare jubeor Chemicus, et quidem, dum officii ita poscit ratio, de Chemia. An vero majus uspiam, quam quod Mercurium inter et Vulcanum est, datur discrimen? An Artium ulla ab Oratoriae elegantiis abest longius, quam Chemia? Chemia, inquam! quae aspera, laboriosa, styli incuria politioris, Eloquentiae lenociniis nec studens, nec accommoda, tota in opere versatur, et cultores suos non per verba, sed per ignem sapere, per experimenta Philosophari docet.

Immers in een Akademische feestvergadering noodigt men mij, een scheikundige, uit een redevoering te houden, en wel aangezien de aard van mijn ambt dat zoo vereischt, over de Scheikunde. Of wordt wel ergens grooter onderscheid gevonden dan, dat tusschen MERCURIUS[1] en VULCANUS bestaat? Of is er wel een der wetenschappen, die verder staat van de bevalligheden der welsprekendheid dan de Scheikunde? de Scheikunde, zeg ik, die, ruw en altijd bezig, zich niet bekommerend om een meer gepolijsten stijl, zich evenmin toeleggend op de lokmiddelen der welsprekendheid als er voor geschikt, geheel opgaat in haar werk en haar beoefenaars niet door woorden maar door het vuur de wijsheid, door proeven wijsgeerig redeneeren leert.

[Voetnoot 1: God der welsprekendheid. (Vertaler.)]

Invisite animo saltem, si libet, officinam Chemicam! Ecquid putatis ibi inventuros? An numerosam librorum congeriem, et suis pulchre ordinata forulis sexcenta Autorum volumina? An priscae monumenta Eloquentiae, Rhetoribus tam exoptata; aut suggestum Tulliana voce resonantem?

Bezoekt met den geest althans, als het u belieft, een scheikundige werkplaats! Wat meent gij wel daar te zullen vinden? Soms een opeenhooping van talrijke boeken en ontelbaar veel deelen van schrijvers netjes geordend alle in hun kasten? Soms de gedenkteekenen der oude welsprekendheid zoo gewenscht voor de redenaars, of een spreekgestoelte weergalmend van de stem eens TULLIUS[2]?

[Voetnoot 2: M. Tullius Cicero. (Vertaler.)]

Nihil profecto horum: alia omnino est, quae hic occurrit, supellex; alius plane apparatus: variae nimirum furnorum alia atque alia ratione constructorum, series, sustentando cuilibet ignis gradui appropriatae; erecta tecto tenus loculamenta, quam plurimis artis operibus, ad praeparanda nova mox rursum inservituris, adimpleta; innumerae vasorum, materie et figura discrepantium, species; carbonum cespitumque acervus nunquam defecturus; praesto ad usum cola, cribra, spathulae, folles, forcipes, et si quae alia vel alendo igni, vel regendo requiruntur.

Niets voorwaar van die dingen: De inrichting, die hier zich voordoet, is geheel anders: volkomen anders zijn de hulpmiddelen: verschillende rijen namelijk van fornuizen, die telkens weer op andere wijze zijn saamgesteld, welke rijen geschikt zijn om iedere sterkte van het vuur uit te houden; kastjes tot aan de zoldering opgebouwd, geheel gevuld met zooveel mogelijk voorwerpen door de wetenschap vervaardigd, die weldra weer moeten dienen om nieuwe in gereedheid te brengen; tallooze soorten van vaatwerk, dat in stof en gedaante verschilt; een hoop kolen en zoden, die nooit mag op raken; bij de hand zijn voor het gebruik verschillende soorten van zeven, spatels, blaasbalgen, tangen en al het andere, dat vereischt wordt om het vuur òf te onderhouden òf te regelen.

Haec inter artificem videbitis, non otiose ad pulpita desidentem; sed atras carbone manus, taciturna attentione, admoventem operi: fumo, cineribus, fuligine obsitum, jam igne intensissimo durissima liquare metalla; jam vivis urere flammis vegetabile; hinc cautissime opposita committere corpora, flammivomos mox in conflictus ruitira;

Te midden daarvan zult gij den meester niet werkeloos bij zijn katheder zien neerzitten, maar hoe hij zijn handen zwart van kool in zwijgende aandacht aan het werk slaat, hoe hij gehuld in rook, bedekt met asch en roet nu eens met het felste vuur de hardste metalen vloeibaar maakt, dan weer een stof uit het plantenrijk met levende vlammen doet branden; hoe hij aan den eenen kant met de grootste voorzichtigheid tegengestelde lichamen bij elkaar brengt, die zich dra in een vlammenbrakenden strijd zullen storten;

illinc, calore moderato, rerum virtutes, exacto ad numerum stillicidio, elicere; electas alibi, tepore naturali, unire arctius et digerere; verbo: totum inter furnos defixum, excitando, applicando, moderando igne occupatissimum, hujus in corpora efficaciam modis omnibus explorare. Hoc opus est, hic labor ejus unicus.

aan den anderen kant door een matige warmte de vermogens der stoffen te voorschijn roept door het druppelen van water naar een bepaald getal te regelen; en bij een andere gelegenheid die vermogens na ze te voorschijn te hebben geroepen door een natuurlijke lauwe temperatuur nauwer bindt en afdeelt; in één woord: hoe hij geheel tusschen zijn fornuizen levend, zich slechts bezighoudend met het aanwakkeren, toepassen en regelen van het vuur, de werking daarvan op lichamen op alle mogelijke wijzen nagaat. Dit is zijn werk, hiervoor spant hij zich alleen in.

Vane heic quaesiverit quispiam limatas Augustaei Seculi locutiones: vanus amoena Rhetorices illectamenta. Non aures hic demulcentur, sed oculi: nec verbis conciliatur adsensus; sed rerum testimoniis extorquetur.

Hier zou iemand tevergeefs zoeken naar de gladgevijlde spreekwijzen van de eeuw van AUGUSTUS; tevergeefs naar de bekoorlijke aanlokselen der redekunst. Niet de ooren worden hier gestreeld maar de oogen: en niet door woorden wordt instemming gewonnen, maar door de getuigenissen van feiten ontwrongen.

Quid ergo animi putatis esse Chemico? Ubi a sordida Vulcani officina in spectatissimum protractus locum, a furnis evocatus in suggestum, solis sacratum politissimis sermonibus, Oratoris sustinere cogitur provinciam? Quid materiei creditis suppetere? Dum coram Principibus in republica Viris, in consessu sapientissimorum Professorum, in conspectu denique hominum in omni scientiarum genere perfectissimorum, de Arte, plerisque horum ignota, disserendi incumbit necessitas? Sane si aqua haeserit trepido, facilem merebitur veniam.

Hoe denkt gij dan, dat een scheikundige te moede is, wanneer hij uit de vuile werkplaats van VULCANUS in het daglicht getrokken naar een plaats, op welke aller blikken zijn gevestigd, van zijn fornuizen weggeroepen naar het spreekgestoelte, dat slechts gewijd is aan de meest gepolijste redevoeringen, zich gedwongen ziet het werk van een redenaar op zich te nemen! Welke stof gelooft gij, dat hem ten dienste staat, terwijl de noodzakelijkheid op hem rust te spreken in tegenwoordigheid van de eerste mannen in den staat, in de vergadering van zeer wijze hoogleeraren, ten slotte onder de oogen van menschen, die ten zeerste uitmunten in elke soort van wetenschap, over een wetenschap, die den meesten van hen onbekend is. Inderdaad als hij in zijn schroomvalligheid blijft steken, zal hij licht verdienen, dat men hem vergeeft.

Haec vero me sors, hoc meos hodie humeros premit onus: nec, quibus fulciar, ulla domi praesidia mihi nascuntur. Quin probe nota virium mearum tenuitas, et naturalis mihi, utut agendis rebus publicis inepta prorsus, verecundia id etiam animi dejicit, quod audax omnia aggredi juventus forte addidisset.

Waarlijk dit lot drukt mij, deze last drukt heden op mijn schouders: en uit mij zelf doen zich voor mij geen hulpmiddelen op, om op te steunen. Ja zelfs doen de geringheid mijner krachten, die ik mij zeer goed bewust ben, en de mij ingeschapen bedeesdheid, geheel ongeschikt om iets in het openbaar, hoe dan ook, te verrichten, zelfs dien moed mij ontzinken, dien mij de jeugd, stoutmoedig om zich aan alles te wagen, misschien zou geven.

Undequaque igitur circumspicienti, unica demum superest, quae locum refugii praebet, singularis Vestra, A.O.O. benevolentia, toties experta iis, quos hoc e suggestu dicendi arduum pressit munus. Facit haec, Vos ea esse judicii lenitate, suo ut quemque modulo metiti, majora viribus nequaquam exigatis: quod quidem aliis dum generose adeo exhibuistis, quidni a Vobis et mihi pollicear ego, pro quo tot intercedunt majoris etiam momenti rationes? Justa certe petitio repulsam ab aequo tulit nemine.

Wanneer ik dus overal rondzie, blijft er slechts één ding over, waartoe ik mijn toevlucht kan nemen. Uw buitengemeene welwillendheid, hooggeschatte hoorders, die reeds zoo dikwijls zij ondervonden hebben, die de moeilijke taak drukte van uit dit spreekgestoelte het woord te voeren. Deze maakt, dat gij zoo zacht van oordeel zijt, dat gij ieder naar zijn eigen maatstaf metend geenszins dingen eischt, die iemands krachten te boven gaan: daar gij nu anderen dit zoo edelmoedig hebt getoond, waarom zou ik dit dan van uw kant ook mij zelf niet in het vooruitzicht stellen, voor wien zooveel redenen van nog grooter gewicht pleiten? Zeker is een rechtvaardig verzoek door geen billijk persoon ooit van de hand gewezen.

Quo fretus ipsi me accingo operi, cui Thema erit ex eo, quod auspicor, officio desumptum, et Vestra non indignum celebritate. Conabor nimirum ostendere, _Chemiam Artibus Academicis jure esse inserendam_. Quod dum ago, faciles in audiendo pariter et judicando Vos praebeatis mihi, enixe obsecro: uterque enim seu felix fuerit, seu sinister Orationis meae eventus, Vestrum me semper ad favorem allegabit, huic ut vel referam gratias, vel veniam impetraturus, supplicem.

Hierop vertrouwend gord ik mij aan tot het werk zelf, waarvan het onderwerp zal ontleend zijn aan dat ambt, dat ik plechtig aanvaard, en uw geachte verzameling niet onwaardig. Ik zal namelijk trachten aan te toonen, _dat de Scheikunde met recht een plaats verdient onder de Akademische wetenschappen_. En terwijl ik dat doe, bezweer ik u met aandrang, dat gij u in het luisteren even als in het beoordeelen welwillend tegen mij toont. Want de afloop mijner redevoering zij gunstig of ongunstig, in beide gevallen zal ik steeds tot uw goedgunstigheid verwezen worden, om die óf dank te zeggen óf om toegeeflijkheid te smeeken.

Academiae ea, qua hodie constitutas lege videmus, loci sunt publici, docendis discendisque scientiis et artibus nobilioribus dicati, iisque hinc conditionibus et mediis instructi, quibus propositus iste finis potest obtineri. Non ergo arti aut scientiae cuilibet sua in his schola conceditur; sed ultra vulgi captum elevata, _Nobilitatis_ quodam emineat splendore necesse est, in Academiis quae pedem figere voluerit disciplina.

De Akademies zijn volgens de wet, waardoor wij ze heden geregeld zien, openbare plaatsen bestemd om de meer edele wetenschappen en kunsten te onderwijzen en te leeren, en dien ten gevolge voorzien van die voorwaarden en middelen, waardoor dit voorgenomen doel kan worden bereikt. Derhalve wordt bij deze maar niet aan iedere kunst of wetenschap een leerstoel toegestaan, maar het is noodig, dat de wetenschap, die aan de Akademie vasten voet wil vatten, boven de bevatting van het gemeene volk zich verheffend, uitblinke door een zekeren glans van adeldom.

Quodsi igitur vera hujusce _Nobilitatis_ insignia, palam exposita, Arti Spagyricae competere certis adstruxero documentis, nonne propositi hodie mei constabit ratio et veritas?

Bijaldien ik dus met zekere bewijzen zal aantoonen, dat de ware kenteekenen van dien adeldom, nadat ik ze openlijk heb uiteengezet, de Spagyrische wetenschap[3] toekomen, zal dan niet de goede grond en de waarheid van hetgeen ik mij heden heb voorgesteld te bewijzen, vast staan?

[Voetnoot 3: Als afleiding wordt opgegeven: +span+ = (uit elkaar) trekken en +ageirein+ = vereenigen, verzamelen. De wetenschap, die scheidt en vereenigt, zou dus bedoeld worden. (Vertaler.)]

Virtus sola atque unica, si Poëtae habenda fides, _Nobilitate_ impertit hominem: nec unius haec diei dos est; nec vera, quoties praeterquam ex natalibus, aliunde probari nequit. Idem vero et eadem ratione obtinet in disciplinis, modo, quod ibi datum virtuti est, heic detur usui.

De deugd eenig en alleen, als wij den Dichter[4] moeten geloof schenken, verleent den mensch adeldom. Maar deze is niet de gave van één dag, noch is die de ware, zoo dikwijls als hij uit niets anders kan bewezen worden dan uit de afkomst. Hetzelfde echter is op dezelfde wijze het geval bij de wetenschappen, slechts moet dat, wat daar aan de deugd is toegekend, hier worden toegekend aan het nut.

Laureolam certe quaerunt in mustaceo, qui artis ostensuri dignitatem, pulchre hoc sibi agere videntur, primis ubi a seculis deductam ejus originem, objective et operum miram jucunditatem, aut quot numeraverit, quantosque sui cultores exponunt, parum interim de utilitate soliciti, qua sine tamen sordent omnia, antiqua fuerint, dulcia, aut quibusvis clara sectatorum nominibus:

Voorzeker zoeken zij zich op goedkoope wijze een lauwerkransje te verdienen, die, als zij de waardigheid van een wetenschap willen toonen, zich verbeelden dit fraai te doen, wanneer zij zakelijk uiteenzetten, hoe haar oorsprong uit de eerste eeuwen afgeleid kan worden, en het buitengewone genot in de werken ervan gelegen, of hoeveel en hoe groote beoefenaars zij heeft gesteld, terwijl zij zich ondertusschen weinig bekommeren over het nut, zonder hetwelk toch alles niets wil zeggen, al is het oud, aangenaam of beroemd door welke namen ook van volgelingen;

externa enim isthaec sunt, et veram potius ornant _Nobilitatem_, quam constituunt. Utile mensura est, illam qua metitur, verum qui rebus pretium statuere solus novit, sapiens.

want dit zijn uiterlijke dingen en sieren veeleer den waren adeldom op dan dat ze hem uitmaken. Het nut is de maatstaf, waarnaar degeen, die alleen de werkelijke waarde der dingen weet vast te stellen, de wijze, haar afmeet.

[Voetnoot 4: Mogelijk heeft hier de redenaar Horatius, Carmina III, 2, 17 volgg. op het oog. (Vertaler.)]

Quaecunque hinc usum adfert eximium vel homini in se seorsum spectato, vel humanae societati, ea demum disciplina jure _Nobilis_ habetur. Quum vero pars hominis melior, mens sit, hanc quae recti bonique facit studiosam, aut veri auget perspicientia, utique aliis omnibus antecellit.

Elke wetenschap dus, die een bijzonder nut verschaft hetzij aan een mensch afzonderlijk op zich zelf beschouwd, hetzij aan de menschelijke maatschappij, die wordt eerst met recht voor edel gehouden. Daar echter het beste deel van den mensch zijn geest is, zoo blinkt die wetenschap, die dezen zich doet toeleggen op hetgeen recht en goed is, of haar verrijkt met het inzicht der waarheid, in elk geval boven de andere uit.

Neque tamen hac multo inferior, quae corporis curat sanitatem: ea namque magis optabile quidquam vix datur mortalibus; deficiens una praegravat animum et deprimit. Hoc quae opus sibi sumsit excolendum, ars dicitur Medica: priori studet cum caeteris Philosophia;

Maar toch is niet veel minder dan deze die wetenschap, die zorgt voor de gezondheid van het lichaam, want dit is wel het meest gewenschte, dat aan de stervelingen wordt gegeven; wanneer zij kwijnt, dan maakt zij meer dan iets anders den geest log en drukt hem terneer. Die kunst, die het voltooien van dat werk op zich heeft genomen, wordt de Geneeskunde genoemd: op het eerste legt zich de Wijsbegeerte met de overige wetenschappen toe;

una sui parte moderandis occupata affectibus, alteram extendendis humanae intelligentiae limitibus in cognitione rerum existentium dedicans: utramque ergo _Nobilissimam_ suo recepere gremio Academiae, et jure civitatis donarunt, ne ipso quidem livore contradicente.

met haar eene helft toch houdt zij zich bezig met het beheerschen der aandoeningen, haar andere helft wijdt zij aan het uitbreiden der grenzen van het menschelijke begrip ten opzichte van de kennis der bestaande dingen: beide wetenschappen hebben dus, als de edelste, de Akademies in haar schoot opgenomen en met het burgerrecht begiftigd, zonder dat de nijd zelf zich er tegen verzette.

Habent autem ambae hae objectum patens quam latissime, et varias hinc sub se complectuntur disciplinas, quae partesne dicendae an ministrae? opera singulae inter se diversissima, ad eundem tamen ultimum finem, cum principe, sub qua militant, scientia communem, omnes collineant. Quum itaque et has sunt quamlibet commendet usus, et summa ad priorum perfectionem necessitas, hinc _Nobiles_ etiam ab Eruditis jure habitae, debitum in Academiis locum obtinuere.

