Opuscula Selecta Neerlandicorum Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde

Part 6

Chapter 63,523 wordsPublic domain

Adeo statim in ipso vitae limine, et pariens simul et nascens salutarem medicorum opem miserabili voce implorat. Horum arti vitam debet, et qui nondum vitam accepit, dum per eam prohibentur abortus, dum mulieri seminis recipiendi retinendique vis confertur, dum pariendi facultas datur.

Ja, reeds aanstonds op den drempel des levens roept de barende tegelijk met het wicht, dat geboren wordt, met klagende stem de heilzame hulp der geneeskundigen in. Aan hunne kunst heeft ook het leven te danken hij, die het leven nog niet eens ontvangen heeft, daar door haar een ontijdige bevalling verhinderd wordt, en zoodoende der vrouw de kracht om het zaad te ontvangen en bij zich te houden verleend en gelegenheid tot baren gegeven wordt.

[Sidenote: +paroimia+]

Quod si vere dictum est illud Deus est juvare mortalem, profecto mea sententia aut nusquam locum habebit illud nobile Graecorum adagium +anthrôpos anthrôpou daimonion+, aut in medico fido proboque locum habebit, qui non juvat modo verum etiam servat. An non igitur ingratitudine ipsa videatur ingratior, ac ipse prope vita indignus, qui medicinam alteram secundum deum, vitae parentem, tutricem, servatricem, vindicem non amet, non honoret, non suspiciat, non veneretur?

En hoewel er terecht gezegd is: "slechts God kan den mensch helpen", vindt toch voorzeker mijns inziens de bekende Grieksche spreuk "de eene mensch is de god van den anderen", zoo ergens, hare toepassing bij den betrouwbaren en deugdelijken geneesheer, die niet alleen helpt, maar ook behoudt. Of schijnt hij dan niet ondankbaarder dan de ondankbaarheid zelve en bijna het leven niet waard, die de geneeskunde, welke naast God de voortbrengster, beschermster, behoudster en verdedigster van ons leven is, niet lief heeft, hoogacht en met bewondering en eerbied tot haar opziet?

Cuius praesidiis nunquam ulli non est opus. Nam reliquis quidem artibus nec semper nec omnes egemus. Huius utilitate mortalium omnis vita constat. Nam fac abesse morbos, fac omnibus prosperam adesse valetudinem, tamen hanc qui poterimus tueri, nisi medicus ciborum salutarium ac noxiorum discrimen, nisi totius victus, quam Graeci diaetam vocant, rationem doceat?

Wier hulp allen immers te allen tijde noodig hebben? Want van alle overige wetenschappen behoeven wij niet allen, noch ook te allen tijde, gebruik te maken. Op de toepassing van deze wetenschap echter berust het geheele leven der stervelingen. Want gesteld eens, dat er geen ziekten waren, dat allen zich in een goede gezondheid mochten verheugen, hoe zouden wij desniettegenstaande deze in goeden staat kunnen houden, indien niet de geneesheer ons het onderscheid tusschen heilzame en schadelijke voedingsmiddelen en de juiste inrichting van onze geheele levenswijze, die de Grieken dieet noemen, leerde?

[_Senectam remoratur ars medicorum._]

Grave mortalibus est onus senecta, quam non magis licet effugere quam mortem ipsam. Atque ea medicorum opera multis contingit, tum serius, tum multo etiam levior. Neque enim fabula est, quinta, quam vocant, essentia senio depulso hominem velut abjecto exuvio rejuvenescere, cum extent aliquot huius rei testes.

Een zware last voor de menschen is de ouderdom, dien men evenmin kan ontloopen als den dood zelf. Maar door de hulp der geneeskundigen komt hij voor velen later en veel dragelijker dan zonder deze het geval geweest ware. Want het is geen legende, dat de mensch door de zoogenaamde "quinta essentia" de gebreken des ouderdoms, als een kleed, dat afgelegd wordt, kan verdrijven en zijn jeugd herkrijgen; er zijn eenigen, die dat door hun getuigenis staven.

[_Totum hominem curat medicus._]

Neque vero corporis tantum, quae vilior hominis pars est, curam gerit, imo totius hominis curam agit, etiamsi Theologus ab animo, medicus a corpore sumat initium. Siquidem propter arctissimam amborum intet se cognationem et copulam, ut animi vitia redundant in corpus, ita vicissim corporis morbi animae vigorem aut impediunt, aut etiam extinguunt.

Maar niet alleen voor het lichaam, hetwelk het geringste deel des menschen is, draagt de geneesheer zorg, neen, voor den geheelen mensch, al neemt de geneesheer niet zooals de godgeleerde de ziel maar het lichaam als uitgangspunt. Evenals immers wegens beider zeer nauwe verwantschap en verbinding de gebreken der ziel hun invloed doen gelden op het lichaam, zoo belemmeren de ziekten des lichaams op haar beurt de kracht der ziel of vernietigen die zelfs geheel.

Quis aeque pertinax suasor abstinentiae, sobrietatis, moderandae irae, fugiendae tristitiae, vitandae crapulae, amoris abjiciendi, temperandae Veneris, atque medicus? Quis efficacius suadet aegroto, ut si vivere velit, et salutarem experiri medici opem, prius animum a vitiorum colluvie repurget?

Wie spoort den mensch zoo hardnekkig als de geneesheer aan tot onthouding, soberheid, het matigen van den toorn, het ontvluchten van droefheid, het vermijden van dronkenschap, het laten varen van de liefde en het maat houden in geslachtelijken omgang? Wie raadt met beter gevolg den zieke aan, als hij wil blijven leven en bij de medische hulp baat vinden, eerst zijne ziel te zuiveren van den poel harer ondeugden?

Idem quoties vel diaetetica ratione, vel ope pharmaceutica bilem atram minuit, labantes cordis vires reficit, cerebri spiritus fulcit, mentis organa purgat, ingenium emendat, memoriae domicilium sarcit, totumque animi habitum commutat in melius, nonne per exteriorem, ut vocant, hominem, et interiorem servat?

Hoe dikwijls niet vermindert hij ook de zwartgalligheid, hetzij door het voorschrijven van een bepaald dieet of geneesmiddelen, versterkt de verslappende krachten van het hart, ondersteunt de functies der hersenen, zuivert de organen van den geest, verbetert den verstandelijken aanleg, herstelt den zetel van het geheugen en brengt in de geheele zielsgesteldheid eene verandering ten goede teweeg? Behoudt hij niet door wat men noemt den uiterlijken mensen tegelijk ook den innerlijken?

Qui phreneticum, lethargicum, maniacum, sideratum, lymphatum restituit, nonne totum restituit hominem? Theologus efficit ut homines a vitiis resipiscant, at medicus efficit, ut sit qui possit resipiscere. Frustra ille medicus sit animae, si jam fugerit anima, cui paratur antidotus.

Hij, die een lijder aan waanzin, slaapziekte, razernij, apoplexie of tijdelijke verstandsverbijstering geneest, geeft hij niet den geheelen mensch weder aan de maatschappij terug? De theoloog bewerkt, dat de menschen van hunne misdrijven weder tot bezinning komen, maar de geneesheer zorgt er voor, dat zij physiek daartoe in staat zijn. Gene kan als geneesheer der ziel geen nut meer stichten, als de ziel, voor welke een tegengift bereid wordt, reeds ontvloden is.

Cum impium hominem subito corripuit paralysis, apoplexia, aut alia quaedam praesentanea pestis, quae vitam prius adimat, quam vacet de castiganda cogitare vita, hunc qui restituit, alioquin infeliciter in suis sceleribus sepeliendum, nonne quodammodo tum corpus, tum animum ab inferis revocat?

Wanneer een goddeloos mensch plotseling door een verlamming, beroerte of ander ongeval getroffen wordt, dat onmiddellijk den dood ten gevolge kan hebben, die hem het leven kan benemen nog vóórdat hij den tijd heeft, om aan verbetering van zijn levensgedrag te denken, kan men dan niet van hem, die dezen geneest, welke anders ellendig onder den last zijner misdaden moest begraven worden, eenigermate zeggen, dat hij zoowel zijn lichaam als zijn ziel uit het schimmenrijk teruggebracht heeft?

In eum certe locum reponit hominem, ut ei in manu jam sit, si velit, aeternam mortem fugere. Quid suadebit lethargico Theologus, qui suadentem non audiat? Quid movebit phreneticum, nisi medicus prius atram bilem repurgarit?

In ieder geval plaatst hij hem toch in zulk een toestand, dat hij het nu zelf in zijn macht heeft, indien hij wil, den eeuwigen dood te ontkomen. Wat zal de theoloog den slaapzieke kunnen aanraden, als deze hem niet hooren kan? Hoe zal hij den waanzinnige tot iets kunnen bewegen, indien niet eerst de geneesheer hem van zwartgalligheid gezuiverd heeft?

Pietas caeteraeque virtutes, quibus Christiana constat felicitas, ab animo potissimum pendent, haud infitior. Caeterum quoniam is corpori illigatus, corporeis organis velit nolit utitur, fit ut bona pars bonae mentis a corporis habitu pendeat.

Ik loochen volstrekt niet, dat de barmhartigheid en de overige deugden, waarop de Christelijke zaligheid berust, hoofdzakelijk van de ziel afhangen, maar aangezien deze aan het lichaam gebonden is en zich goed- of kwaadschiks van de lichaamsorganen bedient, is een goede geestestoestand voor een zeer groot deel van de lichaamsgesteldheid afhankelijk.

Permultos homines infelix corporis temperatura, quam Graeci modo +krasin+ modo +sustêma+ vocant, velut invitos ac reclamantes, ad peccandum pertrahit, dum animus insessor frustra moderatur habenas, frustra subdit calcaria, sed equum ferocientem in praecipitium sequi cogitur.

Zeer vele menschen drijft een ongelukkige menging der lichaamsvochten, die de Grieken nu eens crasis (menging), dan weer systema (samenstelling) noemen, als het ware tegen hunnen wil en terwijl zij zich verzetten, tot zonde voort, terwijl de daarbinnen wonende ziel, tevergeefs de teugels aantrekkend en de sporen in de zijden drukkend, gedwongen wordt, het hollende paard in den afgrond te volgen.

Animus videt, animus audit sed si oculos occuparit glaucoma, si aurium meatus crassus humor obsederit, frustra vim suam habet animus. Odit animus, irascitur animus, at vitiosus humor mentis organa obsidens in causa est, ut oderis, quem amore dignum judices, irasceris cui nolis irasci.

De ziel ziet en hoort wel, maar wanneer de oogen door de staar verduisterd of de toegangen van het gehoor door een dik vocht verstopt zijn, dan baat de ziel het bezit dier vermogens niet. De ziel haat, de ziel is toornig, maar het bedorven vocht, dat zich op de organen van den geest gezeteld heeft, is oorzaak, dat gij hem haat, dien ge uw liefde waardig moest keuren, en vertoornd zijt op hem, op wien gij niet zoudt willen vertoornd zijn.

Philosophiae summam in hoc sitam esse fatetur Plato, si rationi pareant affectus, atque ad eam rem praecipuus est adjutor medicus, hoc agens ut ea pars hominis vigeat sapiatque, cuius arbitrio geruntur, quaecunque cum laude geruntur. Si hominis vocabulo censentur indigni, qui pecudum ritu rapiuntur cupiditatibus, huius nominis dignitatem bona ex parte debemus medicis.

Plato erkent, dat de gansche philosophie eigenlijk daarop neerkomt, dat de gemoedsaandoeningen aan de rede moeten gehoorzamen. En nu is het voornamelijk de geneesheer, die daartoe medewerkt, zich hierop toeleggend, dat dit deel van den mensch krachtig en vol inzicht zij, naar welks goedvinden alles geschiedt, wat op lofwaardige wijze verricht wordt. Terwijl zij den naam van mensch onwaardig geacht worden, die zich evenals de dieren door hun begeerten laten meesleepen, hebben wij het voor een goed deel aan de geneeskundigen te danken, zoo wij dien naam wel waardig zijn.

[_Principibus maxime necessarius medicus._]

Id cum maximum sit in singulis ac privatis, quanto praeclarius est beneficium, cum id praestatur in principe? Nulla fortuna magis est obnoxia malis huiusmodi, quam felicissimorum regum. Quos autem rerum tumultus ciet unius homunculi vitiatum cerebrum? Frustra reclament qui sunt a consiliis, furis o princeps, ad te redi, ni medicus arte sua neque volenti, neque sentienti suam mentem reddiderit.

Als dit nu reeds van het grootste belang is voor ieder in het bijzonder, ook indien men slechts een particulier persoon is, een hoe grooter weldaad is het dan niet, wanneer dit resultaat verkregen wordt bij een vorst. Geen maatschappelijke positie is zoozeer aan rampen van dien aard blootgesteld als die van machtige koningen. Een hoe groote verwarring wordt niet gesticht door de abnormale hersenen van één zoo'n mensch. Tevergeefs zullen zijne raadslieden hem toeroepen: "Gij raast, o vorst, kom tot bezinning!", als hem niet de arts door zijn kunst, zonder dat hij het wil of merkt, zijn verstand teruggegeven heeft.

Si Caligulae fidus adfuisset medicus, non usque ad pugionum ac venenorum scrinia in perniciem humani generis insanisset. Atque ob eam sane causam publica consuetudine receptum est apud omnes orbis nationes, ne princeps usquam gentium agat absque medicis. Proinde cordati principes nulli unquam arti plus honoris habuerunt, quam medicinae. Quandoquidem Erasistratus (ut reliquos taceam) Aristotelis ex filia nepos, ob Antiochum regem sanatum, centum talentis donatus est a Ptolemaeo huius filio.

Als Caligula een betrouwbaren arts bezeten had, dan ware hij in zijn waanzin niet gekomen tot het gebruik van kastjes met dolken en vergiften tot verderf van het menschelijke geslacht. Ongetwijfeld is het om die reden bij alle volken der aarde tot een algemeen gebruik geworden, dat ieder vorst zijn lijfarts heeft. Daarom hebben verstandige vorsten aan geen wetenschap ooit meer eer bewezen dan aan de geneeskunde. Zoo werd Erasistratus (om van de overigen te zwijgen), een kleinzoon van Aristoteles, wegens het genezen van koning Antiochus door diens zoon Ptolemeus met honderd talenten beloond.

Quin et divinae literae jubent medico suum haberi honorem, non tantum ob utilitatem, verum etiam ob necessitatem, ut in caeteros benemeritos ingratitudo sit, in medicum impietas, quippe qui tamquam beneficii divini adjutor, id arte sua tuetur, quod optimum nobis et carissimum largitus est deus, videlicet vitam.

Ja, ook de Heilige Schrift schrijft ons voor, den geneesheer de hem toekomende eer te bewijzen, niet alleen wegens zijn nut, maar ook wegens zijne onmisbaarheid, zoodat wat tegenover anderen, die zich jegens ons verdienstelijk gemaakt hebben, ondankbaarheid heet, namelijk het niet erkentelijk zijn voor hunne weldaden, tegenover den geneesheer goddeloosheid genoemd mag worden. Hij immers beschermt, als het ware God bijstand verleenende bij het schenken Zijner genade, het beste en dierbaarste, dat God ons gegeven heeft, d.i. het leven.

[_A similibus._]

Parentibus nihil non debemus, quod per hos vitae munus accepisse quodammodo videmur. Plus mea sententia debetur medico, cui toties debemus, quod parentibus semel dumtaxat debemus, si tamen illis debemus. Pietatem debemus ei, qui hostem a cervicibus depulit, et medico non magis debemus, qui pro nobis servandis cum tot capitalibus vitae hostibus quotidie depugnat?

Aan onze ouders hebben wij alles te danken, daar wij in zekeren zin van hen het geschenk des levens ontvangen hebben. Veel meer zijn wij, mijns inziens, den geneesheer verplicht, wien wij zoovele malen verschuldigd zijn, wat wij onzen ouders hoogstens éénmaal verschuldigd zijn. Wij behooren met kinderlijke liefde hem aan te hangen, die den vijand van onzen hals weert, maar zijn wij dat dan niet in veel hooger mate verplicht tegenover den geneesheer, die met zoovele doodvijanden van ons leven dagelijks een hardnekkigen strijd voert?

Reges ceu deos suspicimus, quia vitae necisque jus habere creduntur, qui tamen ut possint occidere, certe vitam non aliter dare possunt, nisi quatenus non eripiunt, quemadmodum servare dicuntur latrones, si quem non jugulent, nec aliam tamen vitam dare possunt, quam corporis. At quanto propius ad divinam benignitatem accedit medici beneficium, hominem iam inferis destinatum arte, ingenio, cura, fideque sua, velut ex ipsis mortis faucibus retrahentis?

Wij zien tot koningen op als tot goden, omdat wij meenen, dat zij willekeurig kunnen beschikken over leven en dood; maar ofschoon zij wel kunnen dooden, kan men toch van hen op geen andere wijze beweren, dat zij het leven schenken, dan in dien zin, dat zij het niet ontnemen, zooals wij ook van roovers zeggen, dat zij iemand het leven geschonken hebben, wanneer zij hem niet hebben vermoord. En zelfs in dien zin kunnen zij toch niet anders schenken dan het leven des lichaams. Hoeveel dichter bij de goddelijke mildheid komt dan niet de weldaad van den geneesheer, die een mensch, reeds voor de onderwereld bestemd, door zijn kunst, vernuft, zorg en trouw als het ware uit den muil des doods terugtrekt?

Aliis in rebus profuisse sit officium, caeterum in certo corporis animique periculo servasse, plus quam pietas est. Adde his quod quicquid in homine magnum est, eruditio, virtus, naturae dotes, aut si quid aliud, id omne medicorum arti acceptum feramus oportet, quatenus id servat, sine quo ne reliqua quidem queant subsistere. Si omnia propter hominem, et hominem ipsum servat medicus, nimirum omnium nomine gratia debetur medico.

Iemand in andere zaken bijstaan is hulpvaardigheid, maar hem, wanneer hij in dreigend gevaar voor ziel en lichaam verkeert, in het leven houden, is meer dan genade. Voeg daarbij, dat al wat er groots in den mensch is, zijn kennis, deugd, natuurlijke gaven en dergelijke, op rekening der geneeskunde dient geschreven te worden, aangezien zij datgene beschermt, zonder hetwelk de overige dingen zelfs niet kunnen bestaan. Als alles er voor den mensch is en de mensch zelf door den geneesheer behouden blijft, dan moet den geneesheer voor alles dank geweten worden.

[_Sanitatis custos medicus._]

Si non vivit, qui vivit morbis obnoxius, et vitam salubrem aut reddit aut tuetur medicus, an non convenit hunc ceu vitae parentem agnoscere? Si res exoptanda est immortalitas, hanc medicorum industria, quoad licet, meditatur, quae vitam in longum prorogat.

Als men van hem, die door ziekten geteisterd wordt, eigenlijk niet kan zeggen, dat hij leeft, en de geneesheer het is, die de gezondheid òf herstelt òf beschut, past het ons dan niet, hem als den oorsprong van ons leven te erkennen? Indien de onsterfelijkheid iets begeerlijks is, zoo wordt zij toch zooveel mogelijk nagestreefd door den ijver der geneeskundigen, die het leven een langen duur verschaft.

Quid enim hic notissima referam exempla, Pythagoram, Chrysippum, Platonem, Catonem censorium, Antonium, Castorem, cumque his innumerabiles, quorum plerique medicinae observatione, vitam ab omni morbo liberam neque fatiscente ingenii vigore, neque concussa memoriae soliditate, neque fractis aut labefactatis sensibus, ultra centesimum annum prorogarunt? An non istuc est immortalitatis, quam speramus, hic iam nunc imaginem quandam exhibere?

Want waartoe behoef ik de algemeen bekende voorbeelden te noemen van Pythagoras, Chrysippus, Plato, Cato den Ouden, Antonius, Castor[3] en talloozen met hen, van wie de meesten door hun eerbied voor de geneeskunde zonder eenige ziekte, zonder verzwakking hunner geestvermogens en zonder dat de sterkte van hun geheugen geschokt werd of zij het gebruik hunner zintuigen geheel of gedeeltelijk verloren, meer dan honderd jaar geleefd hebben? Of is dat niet ons nog op deze wereld een beeld vertoonen van de onsterfelijkheid, die wij hiernamaals hopen?

[Voetnoot 3: IJverig botanicus uit de eerste eeuw vóór Christus, onder wiens leiding Plinius botanische studiën maakte. (Vert.).]

Christus ipse immortalitatis autor ac vindex unicus corpus assumpsit, mortale quidem illud, sed tamen nullis morbis obnoxium. Crucem non horruit, morbos horruit. An non pulcherrimum fuerit, nos principem nostrum in hoc quoque pro viribus imitari? Apostolos, quorum nemo fere non multam vixit aetatem, caesos legimus, interfectos legimus, aegrotasse non legimus. Quocunque pacto hoc illis contigit, certe praestat idem ars medicorum, quod illis praestitit sua felicitas.

Christus zelf, de hoogverheven bewerker en redder van onze onsterfelijkheid, nam een lichamelijk hulsel aan, dat, ofschoon sterfelijk, toch aan geen ziekten was blootgesteld. Het kruis schuwde Hij niet, wel ziekten. Is het nu niet iets heerlijks, onzen Heer ook in dezen, naar vermogen, na te volgen? Van de apostelen, die bijna allen een lang leven gehad hebben, lezen wij wel, dat zij vermoord, gedood zijn, niet dat zij ziek zijn geweest. Hoe hun dat nu ook te beurt gevallen is, de geneeskunde bewerkt voor ons hetzelfde als wat zij door hunne gelukzaligheid bereikt hebben.

Nec enim audiendos arbitror, qui nobis non minus indocte, quam impudenter solent illud objicere: Virtus in infirmitate perficitur, somniantes Paulum gravi capitis dolori fuisse obnoxium, cum ille infirmitatem vel animi tentationem, vel quod vero propius est, improborum hominum molestam insectationem appellet. Atque idem ille Paulus, inter apostolicas dotes, donum curationis recensuit.

Want men moet, naar ik meen, naar hen niet luisteren, die ons even dom als onbeschaamd tegenwerpen, dat deugd gewoonlijk in ziekte wordt uitgeoefend, waar zij zonder eenigen grond gelooven, dat Paulus aan zware hoofdpijnen leed, terwijl hij toch juist de ziekte eene beproeving van de ziel of, wat juister is, eene kwelling der boozen noemt. En diezelfde Paulus heeft onder de gaven, die aan de Apostelen geschonken waren, ook de gave der genezing geteld.

Iam auget et illud non levi argumento medicinae gloriam, quod et Caesarearum legum majestas, et pontificiarum autoritas sese ultro medicorum judicio submittit, velut in quaestionibus pubertatum, partuum ac veneficiorum. Item in quaestionibus aliquot ad matrimonium facientibus. O nova dignitas medicinae.

Ook wordt de roem der geneeskunde in geen geringe mate hierdoor verhoogd, dat het verheven keizerlijk en pontificaal recht zich vrijwillig aan het oordeel der geneeskundigen onderwerpt, zooals in quaesties van manbaarheid, geboorte en vergiftiging, eveneens in eenige huwelijksquaesties. O nieuwe waardigheid der geneeskunde!

Agitur de capite hominis, et judicis sententia pendet ex medici praejudicio. Summi pontificis pietas, si quid indulget, in nonnullis non aliter indulget, nisi medicorum accedat calculus. Atque in decretis Romanus pontifex episcopum eum, qui delatus fuerat tamquam foedo immanique morbo obnoxius, ex medicae rei judicio censet aut amovendum episcopatu, aut suo loco restituendum.

Een menschenleven staat op het spel en het oordeel des rechters hangt af van de voorafgaande uitspraak van den geneesheer! De pauselijke genade verleent in enkele gevallen slechts kwijtschelding na een geneesheer gehoord te hebben. Zoo besluit de paus, in geval een bisschop beschuldigd wordt, aan eene afschuwelijke en vreeselijke ziekte te lijden, eerst na een geneeskundig advies ingewonnen te hebben, tot verwijdering of handhaving van den bisschop.

Divus item Augustinus ex medicorum consilio fieri jubet, quod faciendum est, etiamsi nolit aegrotus. Idem honorem medico debitum, hoc est artis et industriae praemium, recte eripi scribit ab eo qui detinet, velut ab injusto possessore et quod alienum est mala fide occupante.

Eveneens schrijft de goddelijke Augustinus voor, dat de zieke, ook tegen zijn wil, naar den raad van den geneesheer behandeld moet worden. Ook zegt hij terecht, dat het den geneesheer verschuldigde eerbewijs, dat is het loon voor zijn kunst en inspanning, met geweld moet ontnomen worden aan hem, die het weigert te voldoen, daar hij beschouwd moet worden als iemand, die wederrechtelijk eens anders eigendom in bezit houdt.

Quin ii quoque, qui conceptis precaminibus, daemones impios e corporibus humanis exigunt, non raro in consilium adhibent, velut in his morbis, qui secretis rationibus quaedam sensuum organa spiritusque vitiant, et adeo daemoniacam speciem imitantur, ut nisi a peritissimis medicis discerni non queant, sive sunt crassiores aliqui daemones, ut fertur illorum varia natura,