Opuscula Selecta Neerlandicorum Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde

Part 29

Chapter 293,489 wordsPublic domain

Deze beide nu hebben een arbeidsveld, dat zich zoover mogelijk uitstrekt, en dientengevolge sluiten zij in zich verschillende wetenschappen, die men zoowel onderdeelen als helpsters kan noemen. Hoewel ze op zich zelf, wat haar werk betreft, onder elkaar ten zeerste verschillen, zoo mikken zij toch alle op een zelfde wit ten slotte, dat ze gemeen hebben met de hoofdwetenschap, waaronder ze dienen. Daar derhalve èn het nut dezen, hoe ze ook zijn mogen, tot aanbeveling strekt, én het feit, dat ze ter volmaking der eersten in den hoogsten graad noodzakelijk zijn, op dien grond werden zij ook door de beschaafde lieden met recht voor edele wetenschappen gehouden en hebben zij de haar toekomende plaats aan de Akademies verkregen.

Nonne vero talis est Ars Chemica? Cur ergo duram adeo haec experta sortem, nonnisi post plurimas agitatas lites, liberam sui culturam in scholis Sapientum impetrare potuit? Sane, rigoris hujus justo acrioris causam vix determinaverim: si tamen, quod vero est simillimum, dicam, videntur ipsius Artis in se spectatae ignari, Artificum duntaxat habuisse rationem judices, quorum ex arbitrio tum pendebant Academiae.

Is dan voorwaar de Scheikunde niet een dergelijke wetenschap? Waarom heeft zij dan zulk een hard lot ondervonden en niet dan na het voeren van veel strijd kunnen verkrijgen, dat men haar vrij mocht beoefenen aan de scholen der geleerden? Waarlijk, ik zou moeilijk de reden van die al te groote strengheid kunnen bepalen: indien ik echter zal zeggen, wat het waarschijnlijkst is, dan schijnt het mij toe, dat de rechters, van wier goeddunken toen de Akademies afhingen, onbekend met de wetenschap op zichzelf beschouwd, slechts rekening hebben gehouden met de beoefenaars.

Nata nimirum inter Metallarios et Pyracmonas Chemia; ab illiterato hoc rudique hominum genere primum exercita; deturpata dein et obscurata ab impostoribus; in se horrida, laboribus plena, plena periculis; ab otiosis speculationibus aliena; ignem, fumos, cineres, sordes spirans, vix ulla amoenitatis specie cuiquam se commendare potuit, nisi, qui penitius eam introspicere dignaretur:

Immers de Scheikunde geboren onder metaalbewerkers en aanbeeldvuurwerkers[5], eerst beoefend door dat ongeletterd en ruw slag van menschen, vervolgens door bedriegers misvormd en in discrediet gebracht, op zich zelf afstootend, vol moeilijkheden, vol gevaren, van rustige bespiegelingen ver verwijderd, ademend in vuur, rook, asch en vuil, kon zich bezwaarlijk door eenigen schijn van lieflijkheid bij iemand aangenaam maken, tenzij bij diengene, die zich verwaardigde dieper met zijn blik in haar binnenste door te dringen.

[Voetnoot 5: "Inter Pyracmonas." "Pyracmon" is in de mythologie naam van een Cycloop werkzaam in de smidse van Vulcanus, samengesteld uit +pur+ = vuur en +akmôn+ = aanbeeld. (Vertaler.)]

atqui externam ejus faciem monstrosam adeo deformemque reddiderat cultorum et ruditas et malitia, ab interioribus ut perlustrandis deterrerentur Eruditi, eodem haec, si non pejori de luto esse conficta, rati. Frustra ergo suam oravit causam Chemia talibus coram Arbitris qui praejudicata obcaecati opinione, et usus ejus eximios, et summam necessitatem praetervidentes, sententiam prius tulerant, quam cognovissent.

Maar zoowel de ruwheid als de schelmerij van degenen, die haar beoefenden, hadden haar uiterlijke verschijning zóó monsterlijk en afzichtelijk gemaakt, dat de beschaafde lieden er van werden afgeschrikt haar kern na te sporen, in de meening, dat die uit dezelfde, zoo niet erger, vuiligheid bestond. Tevergeefs heeft dus de Scheikunde haar zaak tegenover dergelijke scheidsrechters bepleit, die verblind door een vooraf opgevatte meening, zoowel de buitengewone voordeelen, die zij bood, als haar hooge noodzakelijkheid over het hoofd ziende, een oordeel hadden geveld, voordat zij kennis van de zaak hadden genomen.

Factum hinc, a publico ut Sapientum commercio exclusa, privatorum exerceret manus atque ingenia, varias sub variis passa fatorum vicissitudines, nec forte unquam Academicos in suggestus emersura, nisi, quem nacta tandem est, causae patronum, an rabulam potius? Eremitam fortuna major quam prudentia secundasset:

Daardoor is het gekomen, dat zij van het openbare verkeer met geleerden uitgesloten, handen en hoofden van particulieren bezig hield, waarbij zij onder verschillende personen verschillende lotswisselingen te verduren had, en misschien nooit zich opgewerkt zou hebben tot de Akademische spreekgestoelten, als niet een grooter geluk dan verstand dien advocaat--of moest ik liever verdediger door dik en dun zeggen?--dien zij eindelijk heeft gekregen, EREMITA[6] had ten dienste gestaan.

[Voetnoot 6: Keizer Rudolf II van Duitschland, die ±1600 regeerde, stelde zulk een belang in de alchemie, dat hij er zijn regeeringsplichten voor verwaarloosde. Hem werd de naam van den tweeden Hermes Trismegistus gegeven. Heeft nu Gaubius, die niet sterk is in orthographie, hem soms met Eremita bedoeld? (Vertaler.)]

hic enim coeco gementis hujus disciplinae amore, captus, quod autoritate rationali et luculentis rerum testimoniis agendum fuisset, bullato id verborum nugacissimorum apparatu, mox vero, qua erat morum insolentia, igne etiam et armis tentare non dubitavit, successu certe adeo felici, ut ausu hocce temerario intrusa in Academias Chemia sede potiretur, vel ipsis contradicentium cineribus inaedificata.

Deze namelijk aangegrepen door een blinde liefde voor die verdrukte wetenschap, aarzelde niet dat, wat had moeten gedaan worden door het gezag der rede en duidelijke bewijzen van feiten, te beproeven door een systeem van bullen vol met de meest beuzelachtige woorden, weldra echter, wat bij zijn niets ontziend karakter begrijpelijk was, zelfs te vuur en te zwaard, waarbij hij in elk geval een dergelijk succes had, dat de Scheikunde, door dat vermetel pogen in de Akademies gedrongen, daar zich een zetel veroverde, die zelfs juist op de asch der tegenstanders werd opgericht.

Hanc autem quamvis vi partam, infirmoque hinc nixam pede, repressa paulo post fundatoris ejus tyrannide, rursus pessum dederit impatiens cogi, litteratorum gens liberrima; id tamen inde Chemiae boni accesserat, quod durante isthac statione sua, propior Eruditis posita, nonnullos horum, vividissimis quibusdam radiis, per offusas sibi quisquiliarum tenebras evibratis, latentis intus foecundissimi luminis sui potuerit commonefacere:

Hoewel verder dezen met geweld verworven en daarom op zwakken grondslag rustenden zetel, nadat kort daarop de dwingelandij van zijn oprichter was onderdrukt, het van vrijheidsliefde blakende volk der geletterden, dat geen dwang kan dulden, wederom heeft omvergeworpen, was toch de Scheikunde daardoor dit ten goede gekomen, dat zij, zoolang haar verblijf daar duurde, meer in de nabijheid van beschaafde lieden geplaatst, de aandacht van enkelen van dezen door eenige zeer heldere stralen, die zich door de haar omhullende duisternis van nietigheden heenboorden, kon vestigen op het uiterst vruchtbare licht, dat in haar binnenste verscholen was.

quo equidem animadverso illi mox excitati, ulterius ad scrutinium se accinxere, demtaque sensim imposturarum larva, perruptisque, quibus obvolvebatur, ignorantiae nebulis, nudam tandem salutantes, Erudito Orbi produxere intuendam.

En weldra, door die waarneming er toe aangespoord, hebben zij zich inderdaad tot een verder onderzoek aangegord en na langzamerhand het masker van bedriegerijen te hebben weggenomen en de nevels van onkunde, waarmee zij werd omsluierd, te hebben doorbroken, hebben zij, eindelijk haar in haar naaktheid begroetend, haar aan het daglicht gebracht ten schouwspel voor de beschaafde wereld.

Tum ergo propriis jam refulgens radiis Chemia, tum demum, quae personata displicuerat tantopere, nativae suae reddita faciei, adeo pellexit Sapientes, dignam ut reputaverint, ipsorum quae in scholas adoptata, strenue coleretur.

Toen dan heeft de Scheikunde, thans schitterend met haar eigen stralen, toen eerst heeft zij, die vermomd zoo zeer had mishaagd, hersteld in haar natuurlijke gedaante, de geleerden zoo voor zich weten in te nemen, dat zij haar waardig keurden om onder hun scholen opgenomen met allen ijver te worden beoefend.

Nec sane, si fateri vera velimus, alia Chemiae opus est hedera, nisi, ut libero a praejudiciis oculo nuda, prout in se est, adspectetur: tam necessariis enim pollet usibus, tot jucundissimis arridet oblectamentis, Naturae ut curiosum sui facillime pertrahat in amorem pertractumque ullo sine taedio detineat.

En waarlijk ook als wij voor de waarheid willen uitkomen, heeft de Scheikunde geen andere krans noodig, dan dat zij met een oog vrij van vooroordeelen naakt, zooals zij op zich zelf is, wordt beschouwd. Want zoo noodig zijn de toepassingen, waarin haar kracht is gelegen, zoo alleraangenaamst de genoegens, waarmee zij ons toelacht, dat zij zeer gemakkelijk den natuurvorscher er toe brengt haar lief te hebben, en als hij eenmaal daartoe gebracht is, hem geboeid houdt zonder de minste verveling.

Utique, si sola contemplemur bona, quibus quascunque fere artes manuales, humanae vitae commodis inservientes, perfundit Chemia, quot, quaeso, et quanta sunt! Dies deficeret enumerantem: minima tamen haec, et pro parergis tantum aestimanda.

Zeker als wij alleen op de voordeelen acht slaan, waarmee de Scheikunde nagenoeg alle soorten van handwerk, die dienen voor de gemakken van het menschelijk leven, kwistig bedeelt, eilieve hoe groot is dan niet hun aantal en hoe gewichtig zijn zij! De dag zou te kort zijn wilde ik ze opsommen. Toch zijn die dingen van zeer weinig beteekenis en slechts als bijzaken te beschouwen.

Nobilior est, quam menti, utilior, quam corpori praestat, opera primaria: huic namque illibatam tuetur sanitatem, amissamque restituit; illi vero brevissimam monstrat in adyta Naturae viam, latentisque in profundo veri mira felix aperit, Philosophiae hinc et Medicina conjunctissima, nec sine detrimento inde separanda.

De voortreffelijke dienst, dien zij den geest bewijst, is edeler, die, welken zij het lichaam bewijst, nuttiger. Want voor dit houdt zij de gezondheid ongedeerd in stand, en, wanneer die verloren is, geeft zij ze weer; aan gene echter wijst zij den kortsten weg in de binnenste heiligdommen der natuur, en ontvouwt in vruchtbare werkzaamheid de wonderen der waarheid, die in haar diepte schuilt; dien ten gevolge is zij zoowel met de wijsbegeerte als met de geneeskunde ten nauwste verbonden en niet zonder nadeelen daarvan te scheiden.

Id vero ne precario Vobis obtrudere velle videar, evidentis nunc rationes proferam, quibus asserti constet veritas: est enim palmarium hocce argumentum, quod si evicero, proposito Orationis meae Themati satisfactum arbitrabor.

Opdat het echter niet den schijn hebbe, dat ik u dit zonder voldoenden grond wil opdringen, zal ik thans duidelijke redenen aanvoeren ter staving van de waarheid mijner bewering. Want dit is een prachtig bewijsmiddel; als ik dit onwederlegbaar aantoon, zal ik het er voor houden, dat voldaan is aan hetgeen ik mij in mijn redevoering voornam te bewijzen.

Qui corporum naturalium proprietates, vires et effectus per suas quaeque causas sciunt aut rimantur, Physici dicuntur; et haec eorum scientia appellatur Physica, Philosophiae generatim sumtae pars non minima. Ejus hinc objectum est, quidquid conceptum corporis ingreditur, aut eo reduci potest, sive illud commune sit omnibus corporibus, sive peculiare singulis:

Zij, die de eigenschappen van de lichamen door de natuur geschapen, hun krachten en uitwerkingen, alles door zijn bepaalde oorzaak teweeggebracht, weten of nasporen, worden Physici genoemd en deze wetenschap van hen heet Physica, zeker niet het geringste onderdeel der Wijsbegeerte in het algemeen genomen. Derhalve richt zij zich op alles, wat onder het begrip "lichaam" valt, of daartoe herleid kan worden, hetzij het allen lichamen gemeen is, hetzij enkelen in het bijzonder eigen.

quum enim Materia indefinita, solis gaudens proprietatibus corporeis generalibus, in rerum natura non detur, nec dari possit; sed tantum sit idea intelligentiae, clarioris doctrinae gratia efficta; corpora autem, quae re existunt, omnia individua sint, id est, adeo limitata et determinata, ut, praeter universalem illum Materiae conceptum, involvant peculiares etiam alias affectiones, quibus singula a singulis distinguuntur, et quae faciunt, ut corpus sit hoc praecise corpus, et non aliud:

Daar namelijk de niet nader te omschrijven Materie, die in het bezit is alleen van de algemeene eigenschappen der lichamen, in de natuur niet voorkomt en ook niet kan voorkomen, maar slechts een beeld van onzen geest is, gevormd ter verduidelijking van een theorie, de lichamen daarentegen, die inderdaad bestaan, alle op zichzelf staande dingen zijn, d.w.z. zóó begrensd en bepaald, dat zij, behalve dat dat algemeene begrip "Materie" op hen van toepassing is, ook nog bijzondere andere eigenschappen bezitten, waardoor het eene van het andere onderscheiden wordt en die maken, dat een lichaam juist dat lichaam is en geen ander:

inde clarissime liquet, communes illas Materiae dotes non modo, sed et imprimis cuilibet corpori singulari proprias Physicae esse considerationis, utpote, quae corpora naturalia, prout vere existunt, vel existere possunt, contemplatur.

daardoor is het helder en klaar, dat niet slechts die algemeene gaven der Materie, maar wel in de eerste plaats die, welke elk lichaam afzonderlijk eigen zijn, het voorwerp zijn van de Physische studie, daar deze immers de lichamen door de natuur geschapen beschouwt, naar dat zij werkelijk bestaan of kunnen bestaan.

Proprietates corporum, quatenus certis quibusdam actionibus producendis sunt idoneae, dicuntur vires: ex his autem, tanquam ex causis, fluunt, quoscunque observamus, effectus corporei, qui hinc determinatam suarum quilibet causarum naturam sequentes, si singularibus a viribus emanarunt, et ipsi necessario erunt singulares, et contra generales, si a generalibus.

De eigenschappen der lichamen worden krachten genoemd, voor zoover zij geschikt zijn om zekere bepaalde handelingen teweeg te brengen; uit deze vloeien verder, als uit de oorzaken, alle lichamelijke werkingen voort, die wij waarnemen en die daardoor, ieder den bepaalden aard van haar oorzaak volgend, zoo zij uit bijzondere krachten zijn voortgekomen, ook zelf noodzakelijkerwijs bijzonder zijn, maar daarentegen algemeen, als zij uit algemeene krachten zijn voortgekomen.

Quodsi igitur ea hic daretur simplicitas, ut peculiarium quorumvis corporis attributorum sufficiens ratio in communi ejus natura fundaretur; jam equidem, praeter solam Mathematicorum operam, nil opus esset Physico ad finem suum obtinendum: hi enim ideam corporis universalem dedere omnium verissimam, et methodum simul exactissimam, quaecunque in illa continentur, eliciendi. At vero quam procul abest, haec quin ita sese habeant!

Indien zich dus hierbij deze eenvoudige stand van zaken voordeed, dat een voldoende reden voor alle mogelijke eigenaardige eigenschappen van een lichaam gelegen was in zijn algemeene natuur, dan zou voorwaar de physicus, behalve alleen de hulp der wiskunstenaars, niets noodig hebben om zijn doel te bereiken. Want dezen hebben de meest ware algemeene voorstelling van een lichaam gegeven en tevens de meest nauwkeurige methode om daar uit te halen, al wat er in vervat is. Maar hoeveel scheelt het inderdaad, dat dit zoo is!

Detegit attentior observatio innumera certe in corporibus adeo penitus peculiaria, ut cum generali illorum indole vix quidquam commune videantur habere, nisi solum, cui inhaerent utraque, subjectum: talia autem incognita si quis ex universali illo Geometrarum conceptu, utut accuratissimo, a priori eruere, aut cognitorum etiam ex hoc rationem exsculpere postulet, nae is et operae simul et olei jacturam sero doleat!

Een meer oplettende beschouwing ontdekt in de lichamen zeker tallooze dingen, die zoo door en door eigenaardig zijn, dat het schijnt, dat zij met het algemeene karakter dier lichamen bijna niets gemeen hebben, behalve alleen het voorwerp, waaraan beide eigen zijn. Indien nu iemand deze zaken, wanneer zij onbekend zijn, uit die algemeene opvatting der wiskunstenaars, hoe uiterst nauwkeurig ze ook zij, a priori zou verlangen af te leiden of ook de reden van die zaken, wanneer zij bekend zijn, daaruit op te maken, voorwaar die zou zich te laat over zijn verlies aan moeite beklagen!

Atqui maximopere tamen expedit eorundem scientia Physico; quum in his potissimum haereat id, quo corpora a se mutuo intrinsecus distinguuntur. Ea itaque ut evolvantur, non illa certe, quae a data causae idea ad intellectum effectus progreditur, sed prorsus alia incedendum via est. Nimirum quidquid de corporibus vere concipit mens, id omne vel Phoenomena sunt ipsi per sensus communicata, vel formata inde judicia:

Maar toch is de kennis juist van die dingen voor den physicus van het allerhoogste belang, daar in de eerste plaats daarin datgene is gelegen, waardoor de lichamen zich wederkeerig van elkaar inwendig onderscheiden. Opdat die dus ontwikkeld worden, moet men zeker niet dien weg betreden, die van een gegeven denkbeeld omtrent de oorzaak uitgaand, leidt tot begrip van de uitwerking, maar een geheel anderen. Immers elke juiste opvatting, die de geest zich omtrent de lichamen vormt, behoort óf tot de verschijnselen, dien geest door middel der zintuigen meegedeeld, óf tot de daaruit, gevormde oordeelen.

proprietates autem et vires corporeae in se primitus imperceptibiles latent; effectus tamen producunt sensibus apparentes, qui determinatae ipsarum naturae proportionales, hujus hinc cognitionem simul exhibent, adeo, ut quo ditior fuerit observatorum cujusque rei effectorum supellex, eo de ejus indole plus certi resciatur.

De eigenschappen nu en de krachten van een lichaam blijven verborgen, daar zij eerst op zich zelf niet waarneembaar zijn; zij brengen echter uitwerkingen te weeg, die zich den zintuigen vertoonen en die, in vaste verhouding staand tot haar eigen bepaalde natuur, op die wijze tevens de kennis hiervan opleveren, zoozeer, dat, hoe rijker bij iedere zaak het materiaal is der waargenomen uitwerkingen, men des te meer zekerheid verkrijgt omtrent haar aard.

Haecque adeo sola superest indagandis corporum singularibus via retrograda; dum alteram illam, quae a priori haec investigat, humano ingenio imperviam prorsus Natura fecit et inaccessam. Sedulus hinc rerum scrutator experimentis prius quam ratiociniis insudat, sensuum adminiculo sua examinat objecta, horum peculiares animadvertit effectus, quos sponte sua vel praevio tentata consilio ediderint; corpora corporibus adplicat, rursumque ab invicem removet, ut, qui e solis, quique e conjunctis fluant motus, experiatur;

En deze van het een op het andere terugvoerende weg blijft geheel alleen over om de eigenaardigheden der lichamen op te sporen, daar de natuur dien anderen weg, die ze a priori tracht te ontdekken, geheel onbegaanbaar en ontoegankelijk heeft gemaakt voor het menschelijk verstand. Derhalve spant de volijverige navorscher van die zaken zich eerder in voor proeven dan voor redeneeringen, met hulp van zijn zintuigen onderzoekt hij de voorwerpen zijner studie, hij merkt op hun eigenaardige uitwerkingen, die zij uit zich zelf of nadat zij volgens een voorafgaande methode zijn behandeld, vertoonen; hij voegt lichamen bijeen, en verwijdert ze weer van elkaar, opdat hij ervare, welke bewegingen uit hen alleen en welke uit hen, wanneer zij vereenigd zijn, voortvloeien.

tum vero ex hisce gnaviter collectis, sibique mutuo collatis quaesitam corporum naturam propriam et singulares dotes a posteriori demum determinare haud infelix praesumit. Nec sane ullo unquam tempore patuere clarius Naturae interiora, quam quo huic institum est tramiti: parum in Physicis profecere, hunc qui vel ignorarunt, vel neglexere scientes.

Dan eerst waagt hij het niet zonder succes uit deze gegevens, die hij vol ijver verzameld en met elkaar wederkeerig vergeleken heeft, de door hem gezochte eigenaardige natuur der lichamen en hun bijzondere gaven a posteriori te bepalen. En waarlijk nooit en nimmer hebben de verborgenheden der Natuur zich duidelijker geopenbaard, dan toen men dit pad heeft betreden. In de Physica hebben zij het niet ver gebracht, die hetzij dit pad niet kenden hetzij er tegen beter weten in geen acht op sloegen.

Sed ecce! dum Physicis totus inhaereo, lenissimo ipsius materiae quasi flexu, in intima Artis Spagyricae viscera me devolutum sentio: reducit me in Chemiam, quae inde diverterat Physica; hoc ipso docens affatim, quam sit propinqua ambarum cognatio, quam indissolubilis nexus.

Maar zie! Terwijl ik geheel en al bezig ben met de Physica, merk ik, dat ik als het ware door een zeer geringe wending, die de stof van zelf heeft genomen, ben terecht gekomen in het hartje der Spagyrische wetenschap; de Physica, die mij van de Scheikunde had afgebracht, brengt mij er ook weer toe terug, daardoor juist voldoende bewijzend, hoe nauw beider verwantschap is, hoe onverbrekelijk haar band.

Nonne enim totum hoc, quod modo diximus, unius prope est Chemiae opus? Nonne haec corpora singularia fere omnia, quae Physicae sunt considerationis, speciatim evolvenda sibi sumit? Imo vero vix aliud est Chemiae propositum, quam corporum particularium examen.

Is immers dat alles wat wij zooeven besproken hebben, niet bijna het werk van de Scheikunde alleen? Stelt deze zich niet tot taak bijna alle afzonderlijke lichamen, die het voorwerp zijn van de physische studie, in het bijzonder te onderzoeken? Ja nog sterker, de Scheikunde kent haast geen ander doel dan het onderzoek der lichamen afzonderlijk.

Quidquid Fossilium in imis terrae visceribus excoquitur; quidquid protrudit Vegetabilium, divite de sinu, foecunda tellus; quidquid denique Animantium ubivis fovet alitque alma parens Natura; id fere omne, modo vel sensibus manifestari vel capi vasis queat, suo Chemia sistit examini, rimatur, penetrat:

Al wat aan delfstoffen in de binnenste ingewanden der aarde wordt uitgesmolten, al wat tot het plantenrijk behoorend de vruchtbare aarde uit haar rijke schoot doet ontspruiten, al wat ten slotte, tot het dierenrijk behoorend, overal de weldadige moeder Natuur koestert en voedt, dit alles nagenoeg, mits het zich óf kan openbaren aan de zintuigen óf kan worden opgevangen in eenig vaatwerk, onderwerpt de Scheikunde aan haar onderzoek, doorwoelt en doordringt zij.

penetrat, inquam, usque eo, ut quaecunque in illis vulgaria, facillime obvia, aut extus adhaerentia despiciens, tanquam se indigna, aliis relinquat Artibus; sibi vero magis ardua quaerens, sublimiora, abstrusiora, intimas rerum virtutes, ultima principia, prima elementa perscrutetur, hoc tantum, nec alio venditura pretio suos labores.

Zij dringt er in door, herhaal ik, zóó ver, dat zij minachtend neerziend op al wat bij die dingen gewoon is, zich zeer gemakkelijk voordoet of er slechts uiterlijk mee in verband staat, als harer onwaardig, dit aan andere wetenschappen overlaat maar, voor zich zelf het meer moeilijke, het meer verhevene en verborgene opzoekend, navorscht de in het binnenste der dingen gelegen vermogens, de laatste grondbeginselen, de eerste elementen, vast voornemens voor dezen prijs alleen en geen anderen haar moeiten veil te hebben.

Toto sane die hoc agunt strenui Artis hujus cultores: corpora alia aliis adponunt, rursum ab invicem separant, soluta coagulant, coagulata solvunt, motus inde obortos observant, mutant, novos excitant instrumentis efficacissimis, variata in omnes modos encheiresi.