# Encomium Artis Medicae: De Lof Der Geneeskunde

## Chapter 6

Book page: https://www.cyberlibrary.org/la/books/encomium-artis-medicae-de-lof-der-geneeskunde-18976/index.md

Quin et divinae literae jubent medico suum haberi honorem, non tantum ob utilitatem, verum etiam ob necessitatem, ut in caeteros benemeritos ingratitudo sit, in medicum impietas, quippe qui tamquam beneficii divini adjutor, id arte sua tuetur, quod optimum nobis et carissimum largitus est deus, videlicet vitam.

Ja, ook de Heilige Schrift schrijft ons voor, den geneesheer de hem toekomende eer te bewijzen, niet alleen wegens zijn nut, maar ook wegens zijne onmisbaarheid, zoodat wat tegenover anderen, die zich jegens ons verdienstelijk gemaakt hebben, ondankbaarheid heet, namelijk het niet erkentelijk zijn voor hunne weldaden, tegenover den geneesheer goddeloosheid genoemd mag worden. Hij immers beschermt, als het ware God bijstand verleenende bij het schenken Zijner genade, het beste en dierbaarste, dat God ons gegeven heeft, d.i. het leven.

[_A similibus._]

Parentibus nihil non debemus, quod per hos vitae munus accepisse quodammodo videmur. Plus mea sententia debetur medico, cui toties debemus, quod parentibus semel dumtaxat debemus, si tamen illis debemus. Pietatem debemus ei, qui hostem a cervicibus depulit, et medico non magis debemus, qui pro nobis servandis cum tot capitalibus vitae hostibus quotidie depugnat?

Aan onze ouders hebben wij alles te danken, daar wij in zekeren zin van hen het geschenk des levens ontvangen hebben. Veel meer zijn wij, mijns inziens, den geneesheer verplicht, wien wij zoovele malen verschuldigd zijn, wat wij onzen ouders hoogstens éénmaal verschuldigd zijn. Wij behooren met kinderlijke liefde hem aan te hangen, die den vijand van onzen hals weert, maar zijn wij dat dan niet in veel hooger mate verplicht tegenover den geneesheer, die met zoovele doodvijanden van ons leven dagelijks een hardnekkigen strijd voert?

Reges ceu deos suspicimus, quia vitae necisque jus habere creduntur, qui tamen ut possint occidere, certe vitam non aliter dare possunt, nisi quatenus non eripiunt, quemadmodum servare dicuntur latrones, si quem non jugulent, nec aliam tamen vitam dare possunt, quam corporis. At quanto propius ad divinam benignitatem accedit medici beneficium, hominem iam inferis destinatum arte, ingenio, cura, fideque sua, velut ex ipsis mortis faucibus retrahentis?

Wij zien tot koningen op als tot goden, omdat wij meenen, dat zij willekeurig kunnen beschikken over leven en dood; maar ofschoon zij wel kunnen dooden, kan men toch van hen op geen andere wijze beweren, dat zij het leven schenken, dan in dien zin, dat zij het niet ontnemen, zooals wij ook van roovers zeggen, dat zij iemand het leven geschonken hebben, wanneer zij hem niet hebben vermoord. En zelfs in dien zin kunnen zij toch niet anders schenken dan het leven des lichaams. Hoeveel dichter bij de goddelijke mildheid komt dan niet de weldaad van den geneesheer, die een mensch, reeds voor de onderwereld bestemd, door zijn kunst, vernuft, zorg en trouw als het ware uit den muil des doods terugtrekt?

Aliis in rebus profuisse sit officium, caeterum in certo corporis animique periculo servasse, plus quam pietas est. Adde his quod quicquid in homine magnum est, eruditio, virtus, naturae dotes, aut si quid aliud, id omne medicorum arti acceptum feramus oportet, quatenus id servat, sine quo ne reliqua quidem queant subsistere. Si omnia propter hominem, et hominem ipsum servat medicus, nimirum omnium nomine gratia debetur medico.

Iemand in andere zaken bijstaan is hulpvaardigheid, maar hem, wanneer hij in dreigend gevaar voor ziel en lichaam verkeert, in het leven houden, is meer dan genade. Voeg daarbij, dat al wat er groots in den mensch is, zijn kennis, deugd, natuurlijke gaven en dergelijke, op rekening der geneeskunde dient geschreven te worden, aangezien zij datgene beschermt, zonder hetwelk de overige dingen zelfs niet kunnen bestaan. Als alles er voor den mensch is en de mensch zelf door den geneesheer behouden blijft, dan moet den geneesheer voor alles dank geweten worden.

[_Sanitatis custos medicus._]

Si non vivit, qui vivit morbis obnoxius, et vitam salubrem aut reddit aut tuetur medicus, an non convenit hunc ceu vitae parentem agnoscere? Si res exoptanda est immortalitas, hanc medicorum industria, quoad licet, meditatur, quae vitam in longum prorogat.

Als men van hem, die door ziekten geteisterd wordt, eigenlijk niet kan zeggen, dat hij leeft, en de geneesheer het is, die de gezondheid òf herstelt òf beschut, past het ons dan niet, hem als den oorsprong van ons leven te erkennen? Indien de onsterfelijkheid iets begeerlijks is, zoo wordt zij toch zooveel mogelijk nagestreefd door den ijver der geneeskundigen, die het leven een langen duur verschaft.

Quid enim hic notissima referam exempla, Pythagoram, Chrysippum, Platonem, Catonem censorium, Antonium, Castorem, cumque his innumerabiles, quorum plerique medicinae observatione, vitam ab omni morbo liberam neque fatiscente ingenii vigore, neque concussa memoriae soliditate, neque fractis aut labefactatis sensibus, ultra centesimum annum prorogarunt? An non istuc est immortalitatis, quam speramus, hic iam nunc imaginem quandam exhibere?

Want waartoe behoef ik de algemeen bekende voorbeelden te noemen van Pythagoras, Chrysippus, Plato, Cato den Ouden, Antonius, Castor[3] en talloozen met hen, van wie de meesten door hun eerbied voor de geneeskunde zonder eenige ziekte, zonder verzwakking hunner geestvermogens en zonder dat de sterkte van hun geheugen geschokt werd of zij het gebruik hunner zintuigen geheel of gedeeltelijk verloren, meer dan honderd jaar geleefd hebben? Of is dat niet ons nog op deze wereld een beeld vertoonen van de onsterfelijkheid, die wij hiernamaals hopen?

[Voetnoot 3: IJverig botanicus uit de eerste eeuw vóór Christus, onder wiens leiding Plinius botanische studiën maakte. (Vert.).]

Christus ipse immortalitatis autor ac vindex unicus corpus assumpsit, mortale quidem illud, sed tamen nullis morbis obnoxium. Crucem non horruit, morbos horruit. An non pulcherrimum fuerit, nos principem nostrum in hoc quoque pro viribus imitari? Apostolos, quorum nemo fere non multam vixit aetatem, caesos legimus, interfectos legimus, aegrotasse non legimus. Quocunque pacto hoc illis contigit, certe praestat idem ars medicorum, quod illis praestitit sua felicitas.

Christus zelf, de hoogverheven bewerker en redder van onze onsterfelijkheid, nam een lichamelijk hulsel aan, dat, ofschoon sterfelijk, toch aan geen ziekten was blootgesteld. Het kruis schuwde Hij niet, wel ziekten. Is het nu niet iets heerlijks, onzen Heer ook in dezen, naar vermogen, na te volgen? Van de apostelen, die bijna allen een lang leven gehad hebben, lezen wij wel, dat zij vermoord, gedood zijn, niet dat zij ziek zijn geweest. Hoe hun dat nu ook te beurt gevallen is, de geneeskunde bewerkt voor ons hetzelfde als wat zij door hunne gelukzaligheid bereikt hebben.

Nec enim audiendos arbitror, qui nobis non minus indocte, quam impudenter solent illud objicere: Virtus in infirmitate perficitur, somniantes Paulum gravi capitis dolori fuisse obnoxium, cum ille infirmitatem vel animi tentationem, vel quod vero propius est, improborum hominum molestam insectationem appellet. Atque idem ille Paulus, inter apostolicas dotes, donum curationis recensuit.

Want men moet, naar ik meen, naar hen niet luisteren, die ons even dom als onbeschaamd tegenwerpen, dat deugd gewoonlijk in ziekte wordt uitgeoefend, waar zij zonder eenigen grond gelooven, dat Paulus aan zware hoofdpijnen leed, terwijl hij toch juist de ziekte eene beproeving van de ziel of, wat juister is, eene kwelling der boozen noemt. En diezelfde Paulus heeft onder de gaven, die aan de Apostelen geschonken waren, ook de gave der genezing geteld.

Iam auget et illud non levi argumento medicinae gloriam, quod et Caesarearum legum majestas, et pontificiarum autoritas sese ultro medicorum judicio submittit, velut in quaestionibus pubertatum, partuum ac veneficiorum. Item in quaestionibus aliquot ad matrimonium facientibus. O nova dignitas medicinae.

Ook wordt de roem der geneeskunde in geen geringe mate hierdoor verhoogd, dat het verheven keizerlijk en pontificaal recht zich vrijwillig aan het oordeel der geneeskundigen onderwerpt, zooals in quaesties van manbaarheid, geboorte en vergiftiging, eveneens in eenige huwelijksquaesties. O nieuwe waardigheid der geneeskunde!

Agitur de capite hominis, et judicis sententia pendet ex medici praejudicio. Summi pontificis pietas, si quid indulget, in nonnullis non aliter indulget, nisi medicorum accedat calculus. Atque in decretis Romanus pontifex episcopum eum, qui delatus fuerat tamquam foedo immanique morbo obnoxius, ex medicae rei judicio censet aut amovendum episcopatu, aut suo loco restituendum.

Een menschenleven staat op het spel en het oordeel des rechters hangt af van de voorafgaande uitspraak van den geneesheer! De pauselijke genade verleent in enkele gevallen slechts kwijtschelding na een geneesheer gehoord te hebben. Zoo besluit de paus, in geval een bisschop beschuldigd wordt, aan eene afschuwelijke en vreeselijke ziekte te lijden, eerst na een geneeskundig advies ingewonnen te hebben, tot verwijdering of handhaving van den bisschop.

Divus item Augustinus ex medicorum consilio fieri jubet, quod faciendum est, etiamsi nolit aegrotus. Idem honorem medico debitum, hoc est artis et industriae praemium, recte eripi scribit ab eo qui detinet, velut ab injusto possessore et quod alienum est mala fide occupante.

Eveneens schrijft de goddelijke Augustinus voor, dat de zieke, ook tegen zijn wil, naar den raad van den geneesheer behandeld moet worden. Ook zegt hij terecht, dat het den geneesheer verschuldigde eerbewijs, dat is het loon voor zijn kunst en inspanning, met geweld moet ontnomen worden aan hem, die het weigert te voldoen, daar hij beschouwd moet worden als iemand, die wederrechtelijk eens anders eigendom in bezit houdt.

Quin ii quoque, qui conceptis precaminibus, daemones impios e corporibus humanis exigunt, non raro in consilium adhibent, velut in his morbis, qui secretis rationibus quaedam sensuum organa spiritusque vitiant, et adeo daemoniacam speciem imitantur, ut nisi a peritissimis medicis discerni non queant, sive sunt crassiores aliqui daemones, ut fertur illorum varia natura,

Ja zelfs ook zij, die door tooverformulieren booze duivels uit menschelijke lichamen drijven, raadplegen den geneesheer niet zelden, bij voorbeeld bij die ziekten, die op geheime wijze de werking van het eene of andere zintuig verstoren en zoozeer den schijn wekken van door de aanwezigheid van duivels veroorzaakt te zijn, dat zij slechts door zeer bekwame geneeskundigen kunnen onderscheiden worden, hetzij het duivelen van grover soort zijn (men weet immers, dat er verschillende soorten van duivelen bestaan),

qui medicam etiam opem sentiant, sive morbus adeo penitus intimis animi recessibus insidet, ut a corpore videatur alienus. In cuius rei fidem, dum ex innumeris mihi compertum exemplum refero, quaeso ut me patienter audiatis.

die ook door medische behandeling kunnen aangetast worden, of dat de ziekte zich zoo diep in de schuilhoeken der ziel heeft ingedrongen, dat zij op het lichaam geen betrekking schijnt te hebben. Terwijl ik U tot staving dezer bewering uit de tallooze voorbeelden één, dat ik zelf beleefd heb, verhaal, verzoek ik U, mij geduldig te willen aanhooren.

[_Exemplum._]

Panaceum celeberrimi nominis medicum adolescens colui, is me teste quendam restituit, nomine Phlyarium, patria Spoletanum, qui ex vermibus in novum maniae genus inciderat, ita ut in morbo probe teutonice loqueretur, quod (uti constabat) sanus nunquam potuerat. Quis imperitus rei medicae non hunc daemoniacum vel dejerasset etiam?

In mijn jeugd heb ik omgang gehad met Panaceus, een wijd en zijd beroemd geneesheer; deze heeft in mijn tegenwoordigheid een man, Phlyarius genaamd, afkomstig uit Spoleto, genezen, die ten gevolge van wormen in een geheel nieuwe soort van waanzin vervallen was, daarin bestaande, dat hij gedurende zijn ziekte goed Duitsch sprak, welke taal hij, naar met zekerheid vaststond, in normalen toestand nooit gekend had. Wie, die onervaren was in de geneeskunde, zou er zelfs niet een eed op hebben durven doen, dat deze man door duivelen bezeten was?

At is hominem facili paratoque remedio menti reddidit. Redditus sibi, teutonice nec loquebatur, nec intelligebat. Quod si quis hunc vere daemoniacum fuisse contendat, ea sane res vel maxime medicorum illustrat artem, cui compertum est et daemones impios parere, quemadmodum in restituenda vita, ita et in exigendis spiritibus divinae virtutis tum ministrae, tum aemulae.

En toch gaf deze arts hem door een eenvoudig en gemakkelijk te verkrijgen geneesmiddel weer het verstand terug; tot bezinning gekomen sprak noch verstond de man meer Duitsch. Indien men nu beweert, dat hij inderdaad bezeten was, dan strekt dit geval der geneeskunde tot nog grooter roem, daar het dan bewezen zou zijn, dat ook de booze duivels haar gehoorzaamden en zij derhalve niet alleen in het doen terugkeeren van het leven, maar ook in het uitdrijven van booze geesten zoowel de dienares als de mededingster der goddelijke macht ware.

Neque vero deerant, qui factum hoc magicis artibus tribuebant, quorum ego calumniam arti nostrae gloriae laudique verto, per quam ea praestantur, quae vulgus hominum humanis viribus praestari posse non credit.

En inderdaad waren er toen ook, die deze daad aan tooverkunsten toeschreven; maar juist dien laster beschouw ik als een roem en eer voor onze wetenschap, welke op resultaten te wijzen heeft, die door het meerendeel der menschheid buiten het bereik der menschelijke krachten geacht worden.

[_Quibus culta medicina._]

Optimo igitur jure priscis seculis, cum nondum sordidi quaestus et spurcae voluptates vitiassent omnia, medendi ars inter omnes una divinis ac summatibus viris, opulentissimis regibus, clarissimis senatoribus praecipue cordi fuit, nec alia mortalium generi gratior. Siquidem Moses ille magnus, non alia ratione quam artis medicae, cibos suos distinxisse creditur. Orpheus, Graecorum vetustissimus, de viribus herbarum nonnulla prodidisse legitur.

Met het volste recht derhalve lieten zich in den ouden tijd, toen nog niet alles door lage gewinzucht en vuile lusten bezoedeld was, goddelijke en hoogverheven mannen, machtige koningen en doorluchte raadsheeren het meest van alle wetenschappen aan de geneeskunde gelegen liggen en geene andere was den menschen welkomer. Men neemt immers aan, dat de groote Mozes naar geen anderen maatstaf dan naar dien der medische wetenschap de spijzen in geoorloofde en ongeoorloofde heeft ingedeeld. Wij lezen, dat Orpheus, uit de grijze Grieksche oudheid, het een en ander heeft overgeleverd omtrent de geneeskracht der kruiden.

Homerus ipse, citra controversiam, unicus ingeniorum fons, plurimus est et in herbarum commemoratione, et in laude medicorum. Is et Moly nobis depinxit, herbarum omnium (teste Plinio) laudatissimam, efficacem adversus veneficia, cuius inventionem Mercurio tribuit, hac Ulyssem suum adversus Circes pocula praemuniens. Idem nepenthes indicat in conviviis adhibendum, quod moerorem tristitiamque discutiat.

Homerus zelf, zonder tegenspraak de voortreffelijkste bron voor alle geesten, maakt herhaaldelijk melding van kruiden en prijst zeer vaak de geneeskunde. Hij heeft ons immers ook het kruid „moly“ beschreven, dat volgens Plinius het voortreffelijkste van alle kruiden en een afdoend middel tegen vergiftiging is, welks ontdekking de dichter aan Mercurius toeschrijft en waarmee hij zijn Ulysses beschermt tegen den hem door Circe gereikten tooverdrank. Hij duidt ook aan, dat „nepenthes“ (letterl. „smarteloos“) bij den maaltijd moet gebruikt worden, dat het vermogen heeft, leed en droefenis te verdrijven.

Porro Machaonem, Paeonem, Chironem, Podalirium, ut hac arte praestantes, saepicule non sine honore commemorat, quorum arte non solum heroibus, verum ipsis etiam diis subventum esse fingit, illud videlicet subindicans, summis etiam principibus medicorum praesidiis opus esse, atque horum vitam medicis in manu esse, qui in caeteros omnes jus vitae ac necis habere videntur. Quid quod idem Poeta libro Iliados undecimo, huius artis professionem longe pulcherrimo nobilitavit elogio, cum ait: [Sidenote: ἰατρὸς γὰρ ἀνὴρ πολλῶν ἀντάξιος ἄλλων] Unum medicum pluris habendum, quam caeterorum hominum permultos.

Voorts noemt hij dikwijls met eere Machaon, Paeon, Chiron en Podalirius als uitmuntende in deze kunst, waardoor zij niet alleen de helden maar ook de goden, naar zijn dichterlijke voorstelling, hulp verleenden. Hij wil er dit mee aanduiden, dat ook de grootste vorsten den bijstand der geneesheeren behoeven en dat zelfs het leven van hen, die over leven en dood van alle overigen beschikken, in hunne macht is. Ja, diezelfde dichter heeft in het elfde boek van de Ilias de uitoefening van dit beroep door verreweg de schoonste lofspraak verheerlijkt, waar hij zegt, dat één arts meer waard is dan vele andere menschen tezamen.

Rursum alibi medicum ita notat, ut dicat eum eruditum in omnibus, palam testans id quod res est, hanc artem non una aut altera disciplina, sed omnium artium cognitione circuloque, tum praeter exactum ingenium, multo etiam rerum usu constare. Pythagoras ille Samius, cui divinitatem quandam tribuebat antiquitas, de naturis herbarum nobile volumen reliquisse legitur.

Elders wederom noemt hij den geneesheer iemand, die in alles onderricht is, hiermede openlijk getuigende, wat ook werkelijk het geval is, dat de geneeskunde niet berust op de eene of andere wetenschap, maar op den geheelen kring van alle wetenschappen en niet alleen op theoretische kennis maar ook op practische ervaring in vele zaken. De beroemde Pythagoras van Samos, wien de oudheid een zekere mate van goddelijkheid toekende, heeft, naar wij vermeld vinden, een bekend boek over den aard der kruiden achtergelaten.

Atque ut Platonem, Aristotelem, Theophrastum, Chrysippum, Catonem censorium, Varronem praeteream, quibus studio fuit hanc artem suis vel studiis, vel negotiis admiscere, Mithridatem Ponti regem, non perinde regnum, alioqui locupletissimum, non tam unius et viginti linguarum miraculum, quam rei medicae peritia nobilitavit, vereque magnum virum declaravit, qui artis huius commentationes, et exemplaria, effectusque in arcanis reliquit, ut autor est Plinius.

Nu wil ik Plato, Aristoteles, Theophrastus, Chrysippus, Cato den Ouden en Varro maar met stilzwijgen voorbijgaan, die allen deze wetenschap ijverig bestudeerd of ook practisch beoefend hebben, doch ik zal slechts spreken over Mithridates, koning van Pontus, die niet zoozeer door zijn, overigens zeer machtige, heerschappij of door zijn wonderbaarlijke kennis van één en twintig talen als wel door zijn geneeskundige bekwaamheid beroemd is geworden, welke hem tot een waarlijk groot man stempelde, daar medische verhandelingen, voorbeelden en beschrijvingen van de werking van verschillende kruiden, naar Plinius ons meedeelt, in zijn geheime nalatenschap gevonden zijn.

Cuius et hodie nobile theriacae genus nomine celebratur. Nunc fere regium habetur, aleam ludere, venari, nugas agere. At olim populi Romani principibus nihil magis erat curae, quam ut ex longinquo novis importandis herbis, rem medicam adjuvarent, neque populo illi tum orbis domino aliud erat munus gratius.

Nog heden ten dage draagt een bekend tegengift zijn naam. Tegenwoordig beschouwt men algemeen als koninklijke eigenschappen: spelen, jagen en zich met beuzelingen ophouden. Maar oudtijds legden zich de bestuurders van het Romeinsche rijk op niets zoozeer toe als op de bevordering der geneeskunde door het invoeren van kruiden uit ver verwijderde streken, en dit volk, dat toen de wereld beheerschte, was geen geschenk aangenamer.

[_Christus ipse medicus._]

Quid quod Christus ipse, disciplinarum omnium et autor et princeps, sese non Iureconsultum, non Rhetorem, non Philosophum, sed Medicum professus est, dum de se loquens negat opus esse medico iis, qui bene habeant, dum Samaritanus vulneribus oleum ac vinum infundit, dum sputum terrae mixtum illinit oculis caeci. Quid quod idem hac potissimum commendatione, cum adhuc orbi esset ignotus, sese paulatim in animos atque affectus hominum insinuavit, non auro, non imperiis, sed morborum remediis? Quod ille nutu fecit, nempe deus, hoc medicus pro virili sua cura imitatur.

Ja, Christus zelf, de grondlegger en vorst van alle wetenschappen, geeft zich niet uit voor rechtsgeleerde, noch voor rhetor, noch voor wijsgeer, maar voor geneesheer, daar Hij, van Zichzelf sprekende, zegt, dat „zij geenen medicijnmeester van noode hebben, die zich wel bevinden“, terwijl Hij den Samaritaan olie en wijn op wonden laat gieten en met speeksel, met aarde vermengd, de oogen van een blinde bestrijkt. Juist door dit middel won Hij langzamerhand, toen Hij nog aan de wereld onbekend was, de genegenheid en de liefde der menschen; niet door goud, noch door heerschappij, maar door het genezen van ziekten. Wat Hij door Zijnen wil deed, immers een God, volgt de geneesheer naar vermogen na.

Neque deest his quoque divina vis, nimirum medendi viribus in hunc usum rebus a deo inditis. Nec alio viatico magis instruxit Apostolos, mandans ut hoc protinus officio sibi devincirent hospitem, medentes inquit, morbis illorum, et ungentes oleo.

Bovendien bezitten ook zij eene goddelijke macht, namelijk die van genezing aan te brengen door middel van krachten, die tot dit doel door God den dingen ingeschapen zijn. In hoofdzaak bestond ook daarin het reisgeld, waarmede Hij de apostelen voorzag, hun opdragend, terstond door dezen liefdedienst hunne gastheeren aan zich te verplichten „door“, zoo luiden Zijne woorden, „hunne ziekten te genezen en hen met olie te zalven“.

Paulus ille magnus dum Timetheo suo modicum vini praescribit usum, ad fulciendam stomachi imbecillitatem, nonne palam medici partibus utitur? Sed quid hoc mirum in Apostolo, cum Raphael angelus Tobiae caecitati medicans hinc nomen etiam invenerit apud arcanarum rerum studiosos? O coelestem vereque sacram disciplinam, cuius cognomento divinae illae mentes insigniuntur.

Als de groote Paulus zijnen Timotheus een matig gebruik van wijn voorschrijft, om zijn zwakke maag te versterken, is dat geen openlijke uitoefening van de geneeskunde? Maar waarom zouden wij ons daarover verwonderen bij een apostel, als volgens de beoefenaars der mystiek de engel Raphael zijn naam ontleend heeft aan het genezen van de blindheid van Tobias?[4] O hemelsche en in waarheid gewijde wetenschap, naar welke goddelijke geesten genoemd worden!

[Voetnoot 4: De Hebreeuwsche naam Raphael bestaat uit twee woorden, waarvan het eerste rapha, „genezen“ en het tweede el, „goddelijkwezen“ beteekent. (Vert.)]

Inter mortales alii alias artes vel discunt, vel profitentur, hanc unam oportebat ab omnibus disci, quae nulli non est necessaria. Sed o heu perversissima hominum judicia.

De eene mensen leert dit, de ander dat vak of oefent het uit; deze wetenschap diende door allen gekend te worden, daar zij voor ieder onmisbaar is. Maar ach! allerverkeerdst oordeel der stervelingen!

Nemo nescire sustinet, quis nummus legitimus sit, quis adulterinus, ne quid fallatur in re vilissima, nec scire studio est, quibus modis id quod habet optimum tueatur. In numismate non credit alienis oculis, in negotio vitae ac sanitatis, clausis quod dicitur oculis, sequitur alienum judicium.
