Encomium Artis Medicae: De Lof Der Geneeskunde

Part 3

Chapter 3 3,688 words Public domain Markdown

Een wonder noemt men datgene, wat het toeval aan weinigen gegeven heeft. Maar is dan niet veeleer een wonder te noemen, wat onze wetenschap dagelijks aan velen verleent? En ofschoon wij deze aan den Algoede te danken hebben, Wien wij alles verschuldigd zijn, meene toch niemand, dat mijne woorden meer aanmatiging dan waarheid bevatten. Verscheidene ziekten zijn van dien aard, dat er een wisse dood volgt, als niet de geneesheer onmiddellijk hulp verleent, zooals bij voorbeeld de verdooving, die vooral vrouwen pleegt te overvallen, diepe onmacht, verlamming en beroerte. In iederen tijd en bij ieder volk zijn hier voorbeelden van te vinden. Moet nu niet hij, die den overrompelenden dood door zijn kunst verdrijft, die het leven, plotseling overmeesterd, terugroept, te allen tijde als een welwillende en genadige godheid beschouwd worden? Hoeveel menschen zijn niet vóór hun tijd ten grave gedaald, toen nog niet door de schranderheid der geneeskundigen de werkingen der ziekten en de aard der geneesmiddelen doorgrond waren? Hoeveel duizenden leven niet heden ten dage en bevinden zich lichamelijk wel, die zelfs niet geboren zouden zijn, als niet diezelfde wetenschap zoovele middelen tegen de gevaren der geboorte en de verloskunde had uitgevonden. Ja, reeds aanstonds op den drempel des levens roept de barende tegelijk met het wicht, dat geboren wordt, met klagende stem de heilzame hulp der geneeskundigen in. Aan hunne kunst heeft ook het leven te danken hij, die het leven nog niet eens ontvangen heeft, daar door haar een ontijdige bevalling verhinderd wordt, en zoodoende der vrouw de kracht om het zaad te ontvangen en bij zich te houden verleend en gelegenheid tot baren gegeven wordt. En hoewel er terecht gezegd is: „slechts God kan den mensch helpen“, vindt toch voorzeker mijns inziens de bekende Grieksche spreuk „de eene mensch is de god van den anderen“, zoo ergens, hare toepassing bij den betrouwbaren en deugdelijken geneesheer, die niet alleen helpt, maar ook behoudt. Of schijnt hij dan niet ondankbaarder dan de ondankbaarheid zelve en bijna het leven niet waard, die de geneeskunde, welke naast God de voortbrengster, beschermster, behoudster en verdedigster van ons leven is, niet lief heeft, hoogacht en met bewondering en eerbied tot haar opziet? Wier hulp allen immers te allen tijde noodig hebben? Want van alle overige wetenschappen behoeven wij niet allen, noch ook te allen tijde, gebruik te maken. Op de toepassing van deze wetenschap echter berust het geheele leven der stervelingen. Want gesteld eens, dat er geen ziekten waren, dat allen zich in een goede gezondheid mochten verheugen, hoe zouden wij desniettegenstaande deze in goeden staat kunnen houden, indien niet de geneesheer ons het onderscheid tusschen heilzame en schadelijke voedingsmiddelen en de juiste inrichting van onze geheele levenswijze, die de Grieken dieet noemen, leerde?

Een zware last voor de menschen is de ouderdom, dien men evenmin kan ontloopen als den dood zelf. Maar door de hulp der geneeskundigen komt hij voor velen later en veel dragelijker dan zonder deze het geval geweest ware. Want het is geen legende, dat de mensch door de zoogenaamde „quinta essentia“ de gebreken des ouderdoms, als een kleed, dat afgelegd wordt, kan verdrijven en zijn jeugd herkrijgen; er zijn eenigen, die dat door hun getuigenis staven.

Maar niet alleen voor het lichaam, hetwelk het geringste deel des menschen is, draagt de geneesheer zorg, neen, voor den geheelen mensch, al neemt de geneesheer niet zooals de godgeleerde de ziel maar het lichaam als uitgangspunt. Evenals immers wegens beider zeer nauwe verwantschap en verbinding de gebreken der ziel hun invloed doen gelden op het lichaam, zoo belemmeren de ziekten des lichaams op haar beurt de kracht der ziel of vernietigen die zelfs geheel. Wie spoort den mensch zoo hardnekkig als de geneesheer aan tot onthouding, soberheid, het matigen van den toorn, het ontvluchten van droefheid, het vermijden van dronkenschap, het laten varen van de liefde en het maat houden in geslachtelijken omgang? Wie raadt met beter gevolg den zieke aan, als hij wil blijven leven en bij de medische hulp baat vinden, eerst zijne ziel te zuiveren van den poel harer ondeugden? Hoe dikwijls niet vermindert hij ook de zwartgalligheid, hetzij door het voorschrijven van een bepaald dieet of geneesmiddelen, versterkt de verslappende krachten van het hart, ondersteunt de functies der hersenen, zuivert de organen van den geest, verbetert den verstandelijken aanleg, herstelt den zetel van het geheugen en brengt in de geheele zielsgesteldheid eene verandering ten goede teweeg? Behoudt hij niet door wat men noemt den uiterlijken mensen tegelijk ook den innerlijken? Hij, die een lijder aan waanzin, slaapziekte, razernij, apoplexie of tijdelijke verstandsverbijstering geneest, geeft hij niet den geheelen mensch weder aan de maatschappij terug? De theoloog bewerkt, dat de menschen van hunne misdrijven weder tot bezinning komen, maar de geneesheer zorgt er voor, dat zij physiek daartoe in staat zijn. Gene kan als geneesheer der ziel geen nut meer stichten, als de ziel, voor welke een tegengift bereid wordt, reeds ontvloden is. Wanneer een goddeloos mensch plotseling door een verlamming, beroerte of ander ongeval getroffen wordt, dat onmiddellijk den dood ten gevolge kan hebben, die hem het leven kan benemen nog vóórdat hij den tijd heeft, om aan verbetering van zijn levensgedrag te denken, kan men dan niet van hem, die dezen geneest, welke anders ellendig onder den last zijner misdaden moest begraven worden, eenigermate zeggen, dat hij zoowel zijn lichaam als zijn ziel uit het schimmenrijk teruggebracht heeft? In ieder geval plaatst hij hem toch in zulk een toestand, dat hij het nu zelf in zijn macht heeft, indien hij wil, den eeuwigen dood te ontkomen. Wat zal de theoloog den slaapzieke kunnen aanraden, als deze hem niet hooren kan? Hoe zal hij den waanzinnige tot iets kunnen bewegen, indien niet eerst de geneesheer hem van zwartgalligheid gezuiverd heeft?

Ik loochen volstrekt niet, dat de barmhartigheid en de overige deugden, waarop de Christelijke zaligheid berust, hoofdzakelijk van de ziel afhangen, maar aangezien deze aan het lichaam gebonden is en zich goed- of kwaadschiks van de lichaamsorganen bedient, is een goede geestestoestand voor een zeer groot deel van de lichaamsgesteldheid afhankelijk. Zeer vele menschen drijft een ongelukkige menging der lichaamsvochten, die de Grieken nu eens crasis (menging), dan weer systema (samenstelling) noemen, als het ware tegen hunnen wil en terwijl zij zich verzetten, tot zonde voort, terwijl de daarbinnen wonende ziel, tevergeefs de teugels aantrekkend en de sporen in de zijden drukkend, gedwongen wordt, het hollende paard in den afgrond te volgen. De ziel ziet en hoort wel, maar wanneer de oogen door de staar verduisterd of de toegangen van het gehoor door een dik vocht verstopt zijn, dan baat de ziel het bezit dier vermogens niet. De ziel haat, de ziel is toornig, maar het bedorven vocht, dat zich op de organen van den geest gezeteld heeft, is oorzaak, dat gij hem haat, dien ge uw liefde waardig moest keuren, en vertoornd zijt op hem, op wien gij niet zoudt willen vertoornd zijn. Plato erkent, dat de gansche philosophie eigenlijk daarop neerkomt, dat de gemoedsaandoeningen aan de rede moeten gehoorzamen. En nu is het voornamelijk de geneesheer, die daartoe medewerkt, zich hierop toeleggend, dat dit deel van den mensch krachtig en vol inzicht zij, naar welks goedvinden alles geschiedt, wat op lofwaardige wijze verricht wordt. Terwijl zij den naam van mensch onwaardig geacht worden, die zich evenals de dieren door hun begeerten laten meesleepen, hebben wij het voor een goed deel aan de geneeskundigen te danken, zoo wij dien naam wel waardig zijn.

Als dit nu reeds van het grootste belang is voor ieder in het bijzonder, ook indien men slechts een particulier persoon is, een hoe grooter weldaad is het dan niet, wanneer dit resultaat verkregen wordt bij een vorst. Geen maatschappelijke positie is zoozeer aan rampen van dien aard blootgesteld als die van machtige koningen. Een hoe groote verwarring wordt niet gesticht door de abnormale hersenen van één zoo’n mensch. Tevergeefs zullen zijne raadslieden hem toeroepen: „Gij raast, o vorst, kom tot bezinning!“, als hem niet de arts door zijn kunst, zonder dat hij het wil of merkt, zijn verstand teruggegeven heeft. Als Caligula een betrouwbaren arts bezeten had, dan ware hij in zijn waanzin niet gekomen tot het gebruik van kastjes met dolken en vergiften tot verderf van het menschelijke geslacht. Ongetwijfeld is het om die reden bij alle volken der aarde tot een algemeen gebruik geworden, dat ieder vorst zijn lijfarts heeft. Daarom hebben verstandige vorsten aan geen wetenschap ooit meer eer bewezen dan aan de geneeskunde. Zoo werd Erasistratus (om van de overigen te zwijgen), een kleinzoon van Aristoteles, wegens het genezen van koning Antiochus door diens zoon Ptolemeus met honderd talenten beloond. Ja, ook de Heilige Schrift schrijft ons voor, den geneesheer de hem toekomende eer te bewijzen, niet alleen wegens zijn nut, maar ook wegens zijne onmisbaarheid, zoodat wat tegenover anderen, die zich jegens ons verdienstelijk gemaakt hebben, ondankbaarheid heet, namelijk het niet erkentelijk zijn voor hunne weldaden, tegenover den geneesheer goddeloosheid genoemd mag worden. Hij immers beschermt, als het ware God bijstand verleenende bij het schenken Zijner genade, het beste en dierbaarste, dat God ons gegeven heeft, d.i. het leven.

Aan onze ouders hebben wij alles te danken, daar wij in zekeren zin van hen het geschenk des levens ontvangen hebben. Veel meer zijn wij, mijns inziens, den geneesheer verplicht, wien wij zoovele malen verschuldigd zijn, wat wij onzen ouders hoogstens éénmaal verschuldigd zijn. Wij behooren met kinderlijke liefde hem aan te hangen, die den vijand van onzen hals weert, maar zijn wij dat dan niet in veel hooger mate verplicht tegenover den geneesheer, die met zoovele doodvijanden van ons leven dagelijks een hardnekkigen strijd voert? Wij zien tot koningen op als tot goden, omdat wij meenen, dat zij willekeurig kunnen beschikken over leven en dood; maar ofschoon zij wel kunnen dooden, kan men toch van hen op geen andere wijze beweren, dat zij het leven schenken, dan in dien zin, dat zij het niet ontnemen, zooals wij ook van roovers zeggen, dat zij iemand het leven geschonken hebben, wanneer zij hem niet hebben vermoord. En zelfs in dien zin kunnen zij toch niet anders schenken dan het leven des lichaams. Hoeveel dichter bij de goddelijke mildheid komt dan niet de weldaad van den geneesheer, die een mensch, reeds voor de onderwereld bestemd, door zijn kunst, vernuft, zorg en trouw als het ware uit den muil des doods terugtrekt? Iemand in andere zaken bijstaan is hulpvaardigheid, maar hem, wanneer hij in dreigend gevaar voor ziel en lichaam verkeert, in het leven houden, is meer dan genade. Voeg daarbij, dat al wat er groots in den mensch is, zijn kennis, deugd, natuurlijke gaven en dergelijke, op rekening der geneeskunde dient geschreven te worden, aangezien zij datgene beschermt, zonder hetwelk de overige dingen zelfs niet kunnen bestaan. Als alles er voor den mensch is en de mensch zelf door den geneesheer behouden blijft, dan moet den geneesheer voor alles dank geweten worden.

Als men van hem, die door ziekten geteisterd wordt, eigenlijk niet kan zeggen, dat hij leeft, en de geneesheer het is, die de gezondheid òf herstelt òf beschut, past het ons dan niet, hem als den oorsprong van ons leven te erkennen? Indien de onsterfelijkheid iets begeerlijks is, zoo wordt zij toch zooveel mogelijk nagestreefd door den ijver der geneeskundigen, die het leven een langen duur verschaft. Want waartoe behoef ik de algemeen bekende voorbeelden te noemen van Pythagoras, Chrysippus, Plato, Cato den Ouden, Antonius, Castor[3] en talloozen met hen, van wie de meesten door hun eerbied voor de geneeskunde zonder eenige ziekte, zonder verzwakking hunner geestvermogens en zonder dat de sterkte van hun geheugen geschokt werd of zij het gebruik hunner zintuigen geheel of gedeeltelijk verloren, meer dan honderd jaar geleefd hebben? Of is dat niet ons nog op deze wereld een beeld vertoonen van de onsterfelijkheid, die wij hiernamaals hopen? Christus zelf, de hoogverheven bewerker en redder van onze onsterfelijkheid, nam een lichamelijk hulsel aan, dat, ofschoon sterfelijk, toch aan geen ziekten was blootgesteld. Het kruis schuwde Hij niet, wel ziekten. Is het nu niet iets heerlijks, onzen Heer ook in dezen, naar vermogen, na te volgen? Van de apostelen, die bijna allen een lang leven gehad hebben, lezen wij wel, dat zij vermoord, gedood zijn, niet dat zij ziek zijn geweest. Hoe hun dat nu ook te beurt gevallen is, de geneeskunde bewerkt voor ons hetzelfde als wat zij door hunne gelukzaligheid bereikt hebben. Want men moet, naar ik meen, naar hen niet luisteren, die ons even dom als onbeschaamd tegenwerpen, dat deugd gewoonlijk in ziekte wordt uitgeoefend, waar zij zonder eenigen grond gelooven, dat Paulus aan zware hoofdpijnen leed, terwijl hij toch juist de ziekte eene beproeving van de ziel of, wat juister is, eene kwelling der boozen noemt. En diezelfde Paulus heeft onder de gaven, die aan de Apostelen geschonken waren, ook de gave der genezing geteld.

[Voetnoot 3: IJverig botanicus uit de eerste eeuw vóór Christus, onder wiens leiding Plinius botanische studiën maakte. (Vert.).]

Ook wordt de roem der geneeskunde in geen geringe mate hierdoor verhoogd, dat het verheven keizerlijk en pontificaal recht zich vrijwillig aan het oordeel der geneeskundigen onderwerpt, zooals in quaesties van manbaarheid, geboorte en vergiftiging, eveneens in eenige huwelijksquaesties. O nieuwe waardigheid der geneeskunde! Een menschenleven staat op het spel en het oordeel des rechters hangt af van de voorafgaande uitspraak van den geneesheer! De pauselijke genade verleent in enkele gevallen slechts kwijtschelding na een geneesheer gehoord te hebben. Zoo besluit de paus, in geval een bisschop beschuldigd wordt, aan eene afschuwelijke en vreeselijke ziekte te lijden, eerst na een geneeskundig advies ingewonnen te hebben, tot verwijdering of handhaving van den bisschop. Eveneens schrijft de goddelijke Augustinus voor, dat de zieke, ook tegen zijn wil, naar den raad van den geneesheer behandeld moet worden. Ook zegt hij terecht, dat het den geneesheer verschuldigde eerbewijs, dat is het loon voor zijn kunst en inspanning, met geweld moet ontnomen worden aan hem, die het weigert te voldoen, daar hij beschouwd moet worden als iemand, die wederrechtelijk eens anders eigendom in bezit houdt. Ja zelfs ook zij, die door tooverformulieren booze duivels uit menschelijke lichamen drijven, raadplegen den geneesheer niet zelden, bij voorbeeld bij die ziekten, die op geheime wijze de werking van het eene of andere zintuig verstoren en zoozeer den schijn wekken van door de aanwezigheid van duivels veroorzaakt te zijn, dat zij slechts door zeer bekwame geneeskundigen kunnen onderscheiden worden, hetzij het duivelen van grover soort zijn (men weet immers, dat er verschillende soorten van duivelen bestaan), die ook door medische behandeling kunnen aangetast worden, of dat de ziekte zich zoo diep in de schuilhoeken der ziel heeft ingedrongen, dat zij op het lichaam geen betrekking schijnt te hebben. Terwijl ik U tot staving dezer bewering uit de tallooze voorbeelden één, dat ik zelf beleefd heb, verhaal, verzoek ik U, mij geduldig te willen aanhooren.

In mijn jeugd heb ik omgang gehad met Panaceus, een wijd en zijd beroemd geneesheer; deze heeft in mijn tegenwoordigheid een man, Phlyarius genaamd, afkomstig uit Spoleto, genezen, die ten gevolge van wormen in een geheel nieuwe soort van waanzin vervallen was, daarin bestaande, dat hij gedurende zijn ziekte goed Duitsch sprak, welke taal hij, naar met zekerheid vaststond, in normalen toestand nooit gekend had. Wie, die onervaren was in de geneeskunde, zou er zelfs niet een eed op hebben durven doen, dat deze man door duivelen bezeten was? En toch gaf deze arts hem door een eenvoudig en gemakkelijk te verkrijgen geneesmiddel weer het verstand terug; tot bezinning gekomen sprak noch verstond de man meer Duitsch. Indien men nu beweert, dat hij inderdaad bezeten was, dan strekt dit geval der geneeskunde tot nog grooter roem, daar het dan bewezen zou zijn, dat ook de booze duivels haar gehoorzaamden en zij derhalve niet alleen in het doen terugkeeren van het leven, maar ook in het uitdrijven van booze geesten zoowel de dienares als de mededingster der goddelijke macht ware. En inderdaad waren er toen ook, die deze daad aan tooverkunsten toeschreven; maar juist dien laster beschouw ik als een roem en eer voor onze wetenschap, welke op resultaten te wijzen heeft, die door het meerendeel der menschheid buiten het bereik der menschelijke krachten geacht worden.

Met het volste recht derhalve lieten zich in den ouden tijd, toen nog niet alles door lage gewinzucht en vuile lusten bezoedeld was, goddelijke en hoogverheven mannen, machtige koningen en doorluchte raadsheeren het meest van alle wetenschappen aan de geneeskunde gelegen liggen en geene andere was den menschen welkomer. Men neemt immers aan, dat de groote Mozes naar geen anderen maatstaf dan naar dien der medische wetenschap de spijzen in geoorloofde en ongeoorloofde heeft ingedeeld. Wij lezen, dat Orpheus, uit de grijze Grieksche oudheid, het een en ander heeft overgeleverd omtrent de geneeskracht der kruiden. Homerus zelf, zonder tegenspraak de voortreffelijkste bron voor alle geesten, maakt herhaaldelijk melding van kruiden en prijst zeer vaak de geneeskunde. Hij heeft ons immers ook het kruid „moly“ beschreven, dat volgens Plinius het voortreffelijkste van alle kruiden en een afdoend middel tegen vergiftiging is, welks ontdekking de dichter aan Mercurius toeschrijft en waarmee hij zijn Ulysses beschermt tegen den hem door Circe gereikten tooverdrank. Hij duidt ook aan, dat „nepenthes“ (letterl. „smarteloos“) bij den maaltijd moet gebruikt worden, dat het vermogen heeft, leed en droefenis te verdrijven. Voorts noemt hij dikwijls met eere Machaon, Paeon, Chiron en Podalirius als uitmuntende in deze kunst, waardoor zij niet alleen de helden maar ook de goden, naar zijn dichterlijke voorstelling, hulp verleenden. Hij wil er dit mee aanduiden, dat ook de grootste vorsten den bijstand der geneesheeren behoeven en dat zelfs het leven van hen, die over leven en dood van alle overigen beschikken, in hunne macht is. Ja, diezelfde dichter heeft in het elfde boek van de Ilias de uitoefening van dit beroep door verreweg de schoonste lofspraak verheerlijkt, waar hij zegt, dat één arts meer waard is dan vele andere menschen tezamen. Elders wederom noemt hij den geneesheer iemand, die in alles onderricht is, hiermede openlijk getuigende, wat ook werkelijk het geval is, dat de geneeskunde niet berust op de eene of andere wetenschap, maar op den geheelen kring van alle wetenschappen en niet alleen op theoretische kennis maar ook op practische ervaring in vele zaken. De beroemde Pythagoras van Samos, wien de oudheid een zekere mate van goddelijkheid toekende, heeft, naar wij vermeld vinden, een bekend boek over den aard der kruiden achtergelaten. Nu wil ik Plato, Aristoteles, Theophrastus, Chrysippus, Cato den Ouden en Varro maar met stilzwijgen voorbijgaan, die allen deze wetenschap ijverig bestudeerd of ook practisch beoefend hebben, doch ik zal slechts spreken over Mithridates, koning van Pontus, die niet zoozeer door zijn, overigens zeer machtige, heerschappij of door zijn wonderbaarlijke kennis van één en twintig talen als wel door zijn geneeskundige bekwaamheid beroemd is geworden, welke hem tot een waarlijk groot man stempelde, daar medische verhandelingen, voorbeelden en beschrijvingen van de werking van verschillende kruiden, naar Plinius ons meedeelt, in zijn geheime nalatenschap gevonden zijn. Nog heden ten dage draagt een bekend tegengift zijn naam. Tegenwoordig beschouwt men algemeen als koninklijke eigenschappen: spelen, jagen en zich met beuzelingen ophouden. Maar oudtijds legden zich de bestuurders van het Romeinsche rijk op niets zoozeer toe als op de bevordering der geneeskunde door het invoeren van kruiden uit ver verwijderde streken, en dit volk, dat toen de wereld beheerschte, was geen geschenk aangenamer.

Ja, Christus zelf, de grondlegger en vorst van alle wetenschappen, geeft zich niet uit voor rechtsgeleerde, noch voor rhetor, noch voor wijsgeer, maar voor geneesheer, daar Hij, van Zichzelf sprekende, zegt, dat „zij geenen medicijnmeester van noode hebben, die zich wel bevinden“, terwijl Hij den Samaritaan olie en wijn op wonden laat gieten en met speeksel, met aarde vermengd, de oogen van een blinde bestrijkt. Juist door dit middel won Hij langzamerhand, toen Hij nog aan de wereld onbekend was, de genegenheid en de liefde der menschen; niet door goud, noch door heerschappij, maar door het genezen van ziekten. Wat Hij door Zijnen wil deed, immers een God, volgt de geneesheer naar vermogen na. Bovendien bezitten ook zij eene goddelijke macht, namelijk die van genezing aan te brengen door middel van krachten, die tot dit doel door God den dingen ingeschapen zijn. In hoofdzaak bestond ook daarin het reisgeld, waarmede Hij de apostelen voorzag, hun opdragend, terstond door dezen liefdedienst hunne gastheeren aan zich te verplichten „door“, zoo luiden Zijne woorden, „hunne ziekten te genezen en hen met olie te zalven“. Als de groote Paulus zijnen Timotheus een matig gebruik van wijn voorschrijft, om zijn zwakke maag te versterken, is dat geen openlijke uitoefening van de geneeskunde? Maar waarom zouden wij ons daarover verwonderen bij een apostel, als volgens de beoefenaars der mystiek de engel Raphael zijn naam ontleend heeft aan het genezen van de blindheid van Tobias?[4] O hemelsche en in waarheid gewijde wetenschap, naar welke goddelijke geesten genoemd worden!

[Voetnoot 4: De Hebreeuwsche naam Raphael bestaat uit twee woorden, waarvan het eerste rapha, „genezen“ en het tweede el, „goddelijk wezen“ beteekent. (Vert.)]

De eene mensen leert dit, de ander dat vak of oefent het uit; deze wetenschap diende door allen gekend te worden, daar zij voor ieder onmisbaar is. Maar ach! allerverkeerdst oordeel der stervelingen!

Er is niemand, die het niet vreeselijk zou vinden, als hij geen valsche van echte munt kon onderscheiden, terwijl hij in dit geval toch slechts in iets zeer minderwaardigs zou kunnen bedrogen worden; hij streeft er echter niet naar, te weten te komen, hoe hij het beste, wat hij heeft, kan beschermen. Bij het beoordeelen van geldstukken vertrouwt hij anderer oogen niet, doch waar het om leven en gezondheid gaat, volgt hij, zooals men dat noemt, blindelings het oordeel van anderen. En ofschoon nu de volmaakte kennis van die geheele wetenschap slechts aan de weinigen kan ten deel vallen, die daaraan alleen hun geheele leven gewijd hebben, zoo behoorde toch ten minste dat gedeelte, hetwelk over het behoud der gezondheid handelt, door iedereen gekend te worden. Hoewel het niet te ontkennen valt, dat de moeielijkheid hierbij voor een groot deel voortspruit, niet uit de kunst zelve maar uit de onwetendheid of eerzucht van slechte geneesheeren.