De waarheid over Esperanto en Ido = La vérité sur l'Esperanto et l'Ido
Part 1
_Prijs: Tien centiemen._
De Waarheid over Esperanto en Ido.
I.
Eene der voornaamste redenen, die mij deden besluiten deze bladzijden te schrijven is, dat ik persoonlijk betrokken ben geweest bij de heftige besprekingen, welke het vraagstuk eener wederlandsche hulptaal heeft opgeleverd. Met de meeste belangstelling heb ik alles nagegaan, wat over dit belangrijk onderwerp is geschreven en de ontwikkeling gevolgd van de gedachte eener wereldtaal. Ik was ten prooi aan al de angsten van den twijfel en leefde in eene afwisseling van hoop en moedeloosheid. Het is dus een ooggetuige, die voor u zijne verklaring komt afleggen, en die daarbij even onpartijdig als oprecht zal te werk gaan.
* * * * *
Toen ik in 1890 voor het eerst van eene wederlandsche hulptaal hoorde spreken, haastte ik mij te beantwoorden aan den tot mij gerichten oproep en trachtte ik, voor zoover mijne middelen het toelieten, die uitvinding te bevorderen.
Nochtans kon die wederlandsche hulptaal--het Volapük--mij niet geheel voldoen, hoofdzakelijk wegens de moeilijkheid harer uitspraak. Derhalve zette ik mij aan het werk, om zelf eene kunstmatige taal te vervaardigen.
Deze onderneming, waarop ik al mijne hoop stelde, eischte van mij oneindig veel opzoekingen en aanzienlijke uitgaven, doch vooral eene lange en moeilijke studie. Ik getroostte mij dat alles echter gemakkelijk, bij de gedachte, welke overgroote voordeelen het bestaan eener eenvoudige, doch volledige wereldtaal aan het menschdom zou verschaffen. Ook was ik eenvoudig genoeg om te meenen, dat die voordeelen voor eenieder zoo duidelijk waren, dat alle beschaafde volkeren in korten tijd eene dergelijke taal zouden aanleeren.
Doch opeens, te midden van mijnen arbeid, vernam ik, bij toeval, het bestaan van het Esperanto. Door nieuwsgierigheid gedreven, maakte ik er aanstonds kennis mee en bestudeerde de nieuwe taal. Weldra kwam ik tot het besluit, dat het Esperanto inderdaad eene wonderbare schepping mocht heeten. Ik staakte mijne opzoekingen, daar mijn werk geene reden van bestaan meer had. En reeds zag ik in mijne verbeelding de wonderen gewrocht door de nieuwe wederlandsche hulptaal, zoo eenvoudig, zoo buigzaam, zoo welluidend. De volkeren zouden zich de eer betwisten de eersten te zijn, om er het gebruik van in te voeren; eindelijk toch had men het middel gevonden, om schriftelijk en mondelings met alle natiën gedachten te wisselen en allen zouden het over zijne betrekkelijke volmaaktheid eens zijn en eens blijven.
De studie van het Esperanto voortzettende, stuitte ik nu en dan wel op iets, dat ik misschien anders zou ingekleed hebben, doch, aangenomen zelfs, dat mijne veranderingen ook werkelijk verbeteringen waren geweest, waartoe zou het dienen wijzigingen aan te brengen daar, waar het niet volstrekt noodzakelijk is? Zou men, om eene kleinigheid zich in gevaar willen stellen, den vooruitgang tegen te houden?
Ik geloofde in mijnen eenvoud, dat iedereen er zoo over zou denken, doch helaas! al ras moest ik mij zelven bekennen, dat ik geene rekening had gehouden met eene min edele neiging der menschelijke natuur.
Ik heb inderdaad sedert dien verscheidene stelsels van wereldtalen in 't licht zien geven, doch het waren slechts namaaksels van Esperanto, en deze ontdekking alleen mag beschouwd worden als een schitterend bewijs van de onschatbare waarde van het grootsche werk van Zamenhof.
Vele dier talen bevatten de willekeurigste wijzigingen; men zou waarlijk zeggen, dat de schrijvers ervan geene voldoende taalkennis bezitten, of wel dat het baatzuchtigen zijn, die de hoop koesteren zich beroemd te maken en de bewondering der menschen af te dwingen en zoo hunnen naam onder de nakomelingschap te doen voortleven.
Vergeten we niet, dat het _betere_ vaak de vijand is van het _goede_. Onder de voorgestelde wijzigingen zijn er die met veel toegevendheid als verbeteringen zouden mogen aangemerkt worden, maar ze zijn op verre na niet belangrijk genoeg, om oneenigheid te veroorzaken en de esperantische beweging tegen te houden.
Ten andere betwisten de hervormers elkander de eer van het aanbrengen van wijzigingen. Zoo zagen wij achtereenvolgens de volgende stelsels verschijnen: Ido (alias Ilo) Reformido, Antido, Europal, Dilpok, Auli, Romanal, Omnez, Pankel, Perfekt, enz. Ik ben geenszins van plan mij met al die proeven bezig te houden; ik wil alleen eenige woorden spreken over Ido, die in België een klein getal aanhangers heeft gevonden--talrijk zijn ze niet, maar ze maken veel drukte en lawaai... om iedereen een grooten dunk te doen krijgen van hun belang.
In 1907 had ik de groote eer (?!) vier maatschappijen te vertegenwoordigen bij de «_Delegatie_ voor de keus eener wederlandsche hulptaal.» Dat was eene taak van het allergrootste belang, waarvoor men ongetwijfeld buitengewone bekwaamheden moet bezitten, eene taak die een zwaren en langdurigen arbeid eischt, zoo zou men ten minste geneigd zijn te denken... Maar, och arme, dan heeft men het ver mis!
Ik had niets te doen dan mijnen naam op te geven en mijne bijdragen te betalen; mijnen naam om mij te verbinden, blindelings mijne eigene meeningen op te offeren, mijn geld ter ondersteuning van de bedrijvers van--eene onnoembare daad.
Hoe onwaarschijnlijk het moge schijnen, toch hebben vijf personen (waaronder de bewerkers van Ido) het durven bestaan met veel drukte te verklaren, dat de «Delegatie» Ido had aangenomen als wereldtaal. (Tot de Delegatie behoorden de schrijver dezer regelen alsmede vele anderen, die zij met zorg vermeden hebben over dat punt te raadplegen).
Afschuwelijk!... Een der bewerkers van Ido had zorgvuldig zijn plan voor de leiders van het Esperanto verborgen gehouden en terzelfder tijd zooveel ijver aan den dag gelegd voor hunne zaak dat Dr Zamenhof, de schepper van het Esperanto, hem aanstelde, om zijne taal te verdedigen (men kan wel gissen, op welke wijze hij zich van die taak kweet) vóór de vergadering der «Delegatie».
Is dat trouweloosheid, ja of neen?...
Ziedaar de handelingen van die beruchte «Delegatie»! Welk gewicht kan men hechten aan hare beraadslagingen, welke achting is men schuldig aan hen, die ze leidden?
Daar ik vóór alles bezield ben met het vurig verlangen de wereld met eene wederlandsche hulptaal begiftigd te zien, zou ik niet aarzelen mij bij de Idisten aan te sluiten en Esperanto te verlaten, zooals ik vroeger Volapük verlaten heb, indien ik redenen vond even gewichtig als die, welke mij deden besluiten van de laatste taal af te zien. En daarom ook heb ik, niettegenstaande de treurige omstandigheden, welke het ontstaan van Ido omringden, de ontwikkeling dezer taal van nabij gevolgd. Welnu, nog steeds wacht ik te vergeefs op genoegzaam gegronde redenen, die mij tot een nieuwen ommekeer kunnen doen besluiten.
«Laat ons eenen zin kiezen en wij zullen u doen veroordeelen.» Ziedaar de tactiek, welke in 't algemeen de voorstanders van Ido volgen, wanneer zij Esperanto willen tegenwerken. Ze stellen heel gebrekkige esperantische zinnen samen, meestal vol fouten,--we hebben er te Antwerpen een staaltje van gezien--en daarop beroepen zij zich, om eenen schijn van waarheid te geven aan hunne dwaze beweringen en verkeerde oordeelvellingen. Daar zij meestal zelve de taal niet kennen, welke zij beknibbelen, zijn ze maar weinig kieskeurig bij het zoeken naar _bewijzen_, en zoo slagen zij er soms in, personen, die niet voldoende op de hoogte zijn, tot hun inzicht over te halen.
Voor geene trouwelooze middelen terugschrikkende en alleen met het doel het Esperanto te vernederen en in waarde te doen dalen, verkondigen sommige Idisten met groot lawaai, dat er zijn, die de propaganda voor Esperanto steunen, om er profijt uit te trekken, en ze durven er zelfs bijvoegen, dat winstbejag de oorzaak is geweest van eene zekere tweedracht tusschen voorname Esperantisten.
Aangenomen zelfs, dat die beweringen eenige waarheid zouden bevatten, ware dit dan een bewijs, dat hunne taal beter is? Is dat niet zijne toevlucht nemen tot kleingeestige middelen, die eenieders oogen moeten openen voor de uiterste zwakheid van hunne _taalkundige_ bewijzen?
Dit alles belet echter niet, dat er wel Idisten kunnen zijn, die geheel te goeder trouw handelen bij het verspreiden hunner taal, doch hebben zij de bewijsstukken, welke men hun heeft voorgelegd wel grondig onderzocht, en zijn ze niet misleid geworden door het marktgeschreeuw van hen, die ze aanboden? Allen, die verlangen met kennis van zaken een oordeel te kunnen vellen over Esperanto en Ido, raden wij aan de volgende werken te doorbladeren, welke hen volkomen op de hoogte der zaak zullen brengen:
_Autour de l'Esperanto_, par Camille Aymonier;--édit.: Office Central Espérantiste, 51, rue de Clichy, Paris.--Fr. 0,50.
_Réponses à quelques objections_, par Rollet de l'Isle;--édit.: 51, rue de Clichy, Paris.--Fr. 0,25.
_Le Problème de la Langue Internationale_, par Boirac;--édit.: 51, rue de Clichy, Paris.--Fr. 0,25.
_Pourquoi je suis devenu espérantiste_, par Archdeacon;--édit.: Arthème Fayard, Paris, 18 et 20, Rue du St. Gothard.--Fr. 2,00.
_La question de la Langue auxiliaire Internationale_, par Gautherot;--édit.: Hachette, Boulevard St. Germain, 79, Paris.--Fr. 3,50.
_Faut-il réformer l'Espéranto?_ par Kolowrat;--édit.: Presa Esperantista Societo, Paris, Rue Lacépède, 33.--Fr. 0,25.
_L'Esperanto--Réponse à des critiques_, par C. Aymonier;--édit.: Editions de la Revue du mois, Paris, 2, Boulevard Arago.--Fr. 0.25.
_La Langue Internationale auxillaire Esperanto_, par le Général Sebert, membre de l'Institut de France;--édit.: Paris, 51, rue de Clichy.--Fr. 0,50.
_Une Langue auxiliaire scientifique_, par Carlo Bourlet, Professeur au Conservatoire National des Arts et Métiers à Paris;--édit.: Internacia Scienca Asocio Esperantista, 50, Rue Gauthier de Chatillon, Lille.--Fr. 0,30.
Voor hen, wien de tijd ontbreekt, om de zaak van nabij te onderzoeken, zullen we ons vergenoegen met hier het verschil tusschen den meervoudsvorm in Esperanto en dien in Ido te doen uitkomen. Wij kiezen dat punt, omdat de bewerkers van Ido het Esperanto laken vooral om het gebruik der uitgangen oj, aj, uj, voorkomende in den meervoudsvorm, en wijl ze het raadzaam gevonden hebben den eenvoudigen meervoudsvorm van Esperanto teenemaal omver te werpen ten einde die klanken te vermijden.
Esperanto.--_Meervoudsvorm._--_Eenige regel zonder uitzondering_: Men vormt het meervoud der naamwoorden, bijvoeglijke naamwoorden en voornaamwoorden door den half-klinker _j_ bij het enkelvoud te voegen.
Voorbeelden: _Bela urbo_ (schoone stad); meerv., _Belaj urboj_, _Mia fingro_; meerv., _miaj fingroj_.
Bemerking.--De letter j word _altijd_[1] uitgesproken als j in _Jan_ en vormt in de meervoudige woorden ééne enkele lettergreep met den voorafgaanden klinker. Deze letter _j_ doet dus niets anders dan den slotklank van het woord verlengen zonder er den klemtoon van te verplaatsen, die in het Esperanto _altijd_[2] op de voorlaatste lettergreep valt.
De uitgangen oj, aj, uj, vormen, wat men ook moge beweren, eene aangename verbinding met het woord, dat er op volgt, en geven aan de taal eene welluidendheid gelijk aan die, welke in de Grieksche taal zoo hoog geroemd wordt[3].
Ido.--_Meervoudsvorm._
1o Voor de naamwoorden wordt de uitgang _o_ vervangen door _i_ _homo_ (mensch); meerv., _homi_.
_Bemerking_: De naamwoorden, die op _io_ eindigen, veranderen _i_ in _y_, alvorens den meervoudsvorm aan te nemen; _studio_ (studie) meerv., _studyi_.
2o Wanneer het bijvoegelijk naamwoord den meervoudsvorm aanneemt, wat niet altijd het geval is (van daar eene nieuwe moeilijkheid), voegt men de letter i toe aan het enkelvoud; _bona_ (goed), meerv., _bonai_.
3o De bezittelijke voornaamwoorden volgen den regel der naamwoorden; _la nia_ (de onze) meerv., _la nii_.
Uitzondering.--De voornaamwoorden, die eindigen op u, veranderen _u_ in _i_; _omnu_ (al, elk), meerv., _omni_.
Bemerking.--Men mag het bijvoegelijk naamwoord onveranderd laten en den meervoudsvorm geven aan het lidwoord[4].
_La nia_ (de onze) meerv., _la nii_ of wel _le nia_.
Volgens het voorgaande zou men meenen, dat de woorden _boai_ en _kakai_ meervoudsvormen zijn van bijvoegelijke naamw; toch is dat zoo niet. Zie maar; _boao_ (boa), meerv., _boai_ (naamword); _kakao_ (cacao), meerv., kakai (naamwoord).
Men zal bekennen, dat dit er alles behalve eenvoudiger uitziet dan de _eenige_ meervoudsvorm, zonder uitzonderingen, van het Esperanto.
Wat de zaak nog veel ingewikkelder maakt, is dat de leerling in de gewone «_volledige_» (?) handboekjes van Ido, al die grilligheden niet aantreft en met behulp van zulk een handboekje zou het hem onmogelijk zijn het werkje «Historio de nia Linguo» van Dr Jespersen te vertalen.
Doch het wordt tijd tot een besluit te komen. Niet alleen op grond van eigen onderzoek maar ook om de overtuigende bewijzen van talrijke geleerden heb ik de voorkeur gegeven aan Esperanto boven Ido.--Ziedaar, waarom ik ook niet aarzel hier mijne meening neer te schrijven:
Het Esperanto is eene eenvoudige en welluidende taal, die rijk genoeg is om in alle vakken tot alle wederlandsche betrekkingen gebruikt te worden, ook onder alle opzichten mag zij de volmaaktste genoemd worden van al de tot heden bekende stelsels.
A. J. WITTERYCK. Voorzitter van den Belgischen Esperantischen Bond.
Januari 1913.
II.
De 10 Opwerpingen van Ido tegen het Esperanto weerlegd.
Wij geven hieronder de vertaling van een rondschrijven, door duitsche esperantisten onlangs uitgegeven, in antwoord op de beweringen van een ander rondschrijven, door de duitsche idisten verspreid.
* * * * *
1. Alphabet.--«_Ido gebruikt het gewoon internationaal alphabet, en heeft dus geene beteekende letters._»
In het Esperanto-alphabet zijn de regels der phonetiek, welke anderszins door de theoretiekers van Ido vereischt worden, ten strengste nageleefd. Alleen in Esperanto, niet in Ido, komt aan iederen klank een teeken toe en beduidt elk teeken maar _éénen_ klank. Verder is het Esperanto-alphabet meer geschikt tot het vertalen van eigennamen, en bijzonder van geographische namen. Het is ook praktischer en korter, ŝ en ĉ te schrijven dan sh en ch waarvan het laatste in de verschillende nationale talen op verschillende wijze wordt uitgesproken. De Esperantische ŝ, ĉ, enz., kunnen evenmin als een terugstap tegenover sh en ch aangezien worden, als de Duitsche ö en ü tegenover oe en ue. Door de dubbele rol, welke de idistische j vervult, ontstaan onnatuurlijke woordvormen, zooals _jenante_, _injeniero_, _jeneroza_, enz. De geringe nadeelen, welke de boventeekens voor het drukken kunnen teweegbrengen, kunnen, zooals de Ido-Boekdrukkerij het wel weet, vermeden worden en verdwijnen meer en meer door de steeds aangroeiende uitbreiding van Esperanto.
2. Klemtoon.--«_Ido heeft eenen natuurlijken klemtoon (f_i_lio), niet eenen stijven, onnatuurlijken zooals Esperanto (fil_i_o)_.»
Die zoogezegde natuurlijke klemtoon legt aan hem, die Ido leert, een aantal regels en uitzonderingen over den nadruk en de uitspraak op, terwijl _Esperanto éenen enkelen nadruksregel zonder uitzonderingen_ heeft. De door Ido nagestreefde «natuurlijke» betoningswijze is meestal niet voorhanden (vergelijkt het Duitsch «Syst_e_m», het Engelsch «s_y_stem»; het Duitsch «Horiz_o_nt», het Engelsch «hor_i_zon»; het Duitsch «Kom_ö_die», het Fransch «coméd_ie_») en wordt zoodra verworpen dat er, al ware het maar éene vormingslettergreep aan het woord wordt toegevoegd. Een nadruksregel welke zonder uitzonderingen kan toegepast worden is dus het eenvoudigste en natuurlijkste vooral voor personen die maar eene taal machtig zijn, en zich niet verstaan aan zulke spraakkundige «fijnheden». De nadruk op de voorlaatste lettergreep van ieder woord geeft aan Esperanto eenen gemakkelijken, natuurlijk vloeienden rythmus welke aan Ido meestendeels ontbreekt.
3. Meervoud.--«_Ido heeft den Italiaanschen, schoonen meervoudsvorm_ i, _niet de zware, onschoone vormen_ oj, aj, uj.»
Doch Esperanto heeft de «schoone Italiaansche _i_» als uitgang der werkwoorden. Overigens die kwestie van smaak is zeer betwistbaar. De filologen der oude talen roemen algemeen de schoonheid der Grieksche taal, juist om haren rijkdom aan de volle klanken _ai_ en _ei_. Van groot belang zijn deze Esperanto uitgangen voor de goed afgeteekende scheiding der woorden en voor het klare opvatten en onderscheiden van den gesproken tekst. De dienstigheid eener hulptaal ook vooral voor het mondeling gebruik schijnt voor de Idisten slechts bijzaak te zijn.
4. Hoedanigheidswoord.--«_Ido heeft de onveranderlijke hoedanigheid; Esperanto verandert het volgens het getal en den naamval._»
Deze grootere eenvoudigheid is zoowel een nadeel als een voordeel. Want het spreekt van zelf, dat het hoedanigheidswoord, dat in getal en naamval met het hoofdwoord overeenkomt veel duidelijker zijn logisch verband te kennen geeft dan het onveranderlijke hoedanigheidswoord, en dat daardoor de inhoud van den zin gemakkelijker en vlugger begrepen, en eene grootere vrijheid in de volgorde der woorden verkregen wordt. Overigens in Ido is het hoedanigheidswoord niet altijd onveranderlijk, zooals men het beweert; in menig geval moet het de teekens van het meervoud en den accusatief aan nemen.
5. Werkwoord.--«_Ido geeft den internationalen uitgang_ r in _plaats van den willekeurigen vorm_ i _van Esperanto. Ido kan daarbij de noemvormen in overeenstemming brengen met de tijdvormen._»
Deze zoogezegde internationale _r_ wordt slechts bij Spaansche werkwoorden algemeen als uitgang uitgesproken, bij de meeste Fransche werkwoorden is ze toonloos, en in 't Italiaansche zijn de uitgangen der werkwoorden _are_, _ire_, _ere_; zij bevatten dus wel is waar eene _r_, maar niet als uitgang. Is het nu hoogst wetenschappelijk of hoogst belachelijk, zulken enkel vormenden uitgang volgens het princiep der grootste internationaliteit te willen kiezen? Of is het niet veel vernuftiger, zulken uitgang volgens zuiver praktisch oogpunt te bepalen, zoodat hij gemakkelijk uit te spreken, goed hoorbaar en van andere uitgangen wel onderscheiden zij?
Onder dat opzicht is de invoering van den uitgang _ar_ in Ido eene der grootste misgrepen geweest. Het voorwendsel, dat hij ook in 't Spaansch bestaat, houdt geen stand, want voor eene natuurlijke taal komt het er veel minder op aan, of zulke uitgang duidelijk onderscheidbaar is of niet, dan wel voor eene kunstmatige taal. Weldra hebben dan de ontwerpers van Ido bemerkt, dat eene _r_ als eindletter bij het spreken nauwelijks hoorbaar wordt, wanneer men ze niet voortrolt. Zij verbraken daarom den betoningsregel en legden bij werkwoorden den klemtoon op de laatste lettergreep. Het kwaad werd daardoor niet hersteld, integendeel, andere nadeelen voegden zich bij het eerste. Door het betonen der vormingslettergreep _ar_ wordt de aandacht bij het hooren afgewend van de hoofdzaak, den stam des woords, naar de nevenzaak, de vormingslettergreep. Men vergelijke:
Ido: traduk_ar_, Esperanto: trad_u_ki. » obedi_ar_, » ob_e_i. » punis_ar_, » p_u_ni. » rapec_ar_, » fl_i_ki.
Een ander onaangenaam gevolg is de storing in de zinsbetoning, storing welke zich voordoet telkens dat na een infinitief een tweelettergrepig woord komt. B. v.: Me _vo_las skri_bar_ _kar_to, tegenover het vloeiende Esperanto: Mi _vo_las _skri_bi _kar_ton.
Laten wij daarom aan ido, zonder het te benijden, zijne internationale _r_ en behouden wij onze «willekeurige _i_»!
Eene tweede fout onder opzicht van klank is de uitgang _ez_ voor de gebiedende wijze. Ook deze eindmedeklinker wordt slechts hoorbaar, wanneer men hem luid sist; _ez_ is licht te verwarren met _is_. Men vergelijke daarmede den vollen krachtigen uitgang _u_ van het Esperanto: _lernu_ tegenover _lernez_. De nationale talen hebben de zachte, uitgesproken _s_ meest in het midden of in 't begin der woorden, en zelden op 't einde. De opmerking, dat de gebiedende wijze in 't Fransch ook op _ez_ eindigt, is dwaas, daar onze _z_ toonloos is.
6. Verbuiging.--«_Ido heeft geenen verplichtenden accusatief, maar gebruikt dien slechts in de noodzakelijkste gevallen bij de woordomzetting._»
.... «Om hem dan ten slotte in de noodzakelijkste gevallen te vergeten, zooals het voorbeeld toont van den «vere idana leono» (zoo noemd «Idano» den heer Peus).[5] Want elk willekeurig gebruik van eenen grammatischen vorm eischt weder eenen bijzonderen regel om te bepalen wanneer, al of niet, die regel moet gebruikt worden. En wat weegt nu bij Ido tegen dit «voordeel» op? In de plaats van den verplichtenden accusatief heeft het de verplichtende woordorde, waarbij elke zin moet gebouwd worden volgens het schema «Onderwerp, gezegde, voorwerp». Men kan nu het eene of het andere verkiezen; eenen gewissen dwang ontgaat men, om logische redenen, echter niet. De verplichtende accusatief verschaft aan het Esperanto de grootste vrijheid in de woordorde en eene grootere logische klaarheid.
7. Woordenlijst.--A. «_Ido gebruikt geene kunstmatige woorden zooals Esperanto._»
Doch het gebruikt daarvoor woorden uit eene doode taal, het Latijn; en men moet daarom in Ido 24 verschillende elementen leeren, waar in Esperanto 14 voldoende zijn. Buitendien, de zoogenaamde tabellenwoorden zijn in Esperanto niet geheel conventioneel: al de woorden met eenen onbepaalden zin beginnen met _i_, wat men in het Duitsch _irgend_ terugvindt; de aanwijzende woorden met _ti_, wat in 't Duitsch _d_, in 't Engelsch _th_ is; de ontkennende woorden hebben de _n_, die aan alle talen gemeen is; de vragende woorden beginnen met _k_ (Fransche _ki_, Duitsche altijd _w_, Engelsche _wh_).
B. «_De woordenstammen in Ido zijn niet willekeurig uitgezocht, zooals in Esperanto; zij zijn gekozen volgens het princiep der grootste internationaliteit.--B. v.: Uit het Duitsche_ Kavallerie, _het Engelsch_ cavalry, _het Fransch_ cavallerie, _het Italiaansch_ cavallo, _het Spaansch_ caballo, _het Russisch_ kabaleria, _kiest Ido voor het woord «paard» het eenige internationale woord_ kavalo; _Esperanto heeft het misvormde Fransche woord_ ĉevalo.»
Inderdaad, Ido heeft het princiep der grootste internationaliteit, dat overigens in Esperanto ook overweegt, met meer nauwkeurigheid, maar ook met waanswijsheid doorgedreven. De Ido-geleerden hebben het princiep te veel naar den vorm behandeld; zij aanzien het als eene zuivere getalkwestie, en voor hen telt 1 Spanjaard of 1 Italiaan voor evenveel als 1 Duitscher, 1 Hollander of 1 Skandinaviër. Anders gezegd: men heeft den graad van ontwikkeling der verschillende nationaliteiten niet in aanmerking genomen, en daardoor komt het dat, ten gevolge van het Spaansch en Italiaansch, Ido een meer romaansch uitzicht bekomt, en dat vele germaansche woordstammen die in Esperanto voorkomen, zooals _tago_, _fremda_, _dika_, _veti_, enz., uit Ido verbannen werden. Esperanto kent met recht aan het germaansch element wat meer invloed in de woordenlijst toe. Wanneer in bovenvermeld voorbeeld het Duitsche _kavallerie_ ten gunste van _kavalo_ (paard) word aangehaald, zoo kan men ook het Duitsche «_Chevauxlegers_» en «_chevaleresk_», en het Engelsch «_chivalrous_», ten voordeele van _ĉevalo_, inbrengen, welke vorm, zoo daaruit blijkt, niet alleen aan de Franschen bekend is. En zoo _ĉevalo_, een vervormd Fransch woord is, dan zijn de Ido woorden _tuchar_, _chasar_, _chapelo_, _charniro_, _chanjar_, enz., eveneens verminkte Fransche uitdrukkingen.
8. Woordafleiding.--_«Ido heeft eene klare, logische, regelmatige woord afleiding; in Esperanto is ze dikwijls onklaar, onlogisch en onregelmatig. Ido is daarom duidelijker, lichter verstaanbaar en gemakkelijker te handhaven._»--Als voorbeeld volgt de vertaling van den zin: _Een visscher kan visschen zonder visschen te vangen._ Esperanto: _Fiŝkaptisto povas fiŝkapti sen kapti fiŝojn_ (of beter): _ne kaptante fiŝojn._ Ido: _Peskero povas peskar sen kaptar fishi._